Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/64:64 Geen plaats voor toepassing nationaal recht
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/64
64 Geen plaats voor toepassing nationaal recht
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS510158:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 13 juli 2006, zaak C-103/05, Jur. 2006, p. I-06827, NJ 2008/79 m.nt. P. Vlas onder NJ 2008/76 (Reisch Montage).
HvJEG 13 juli 2006, zaak C-103/05 (Reisch Montage), r.o. 25.
HvJEG 13 juli 2006, zaak C-103/05 (Reisch Montage), r.o. 26-27.
HvJEG 13 juli 2006, zaak C-103/05, Jur. 2006, p. I-06827, NJ 2008/79 m.nt. P. Vlas onder NJ 2008/76 (Reisch Montagel), r.o. 30-31. Zie uitgebreider over dit arrest hoofdstuk 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtszekerheid betekent ook dat geen inmenging van nationaal recht in de toepassing van de bevoegdheidsregels van de verordening is toegestaan, behalve waar dat door de verordening is voorgeschreven. Een voorbeeld daarvan levert het arrest Reisch Montage op.1 Een Liechtensteinse vennootschap (Reisch) vorderde voor de Oostenrijkse rechter betaling van een geldsom en riep twee partijen op: een Oostenrijkse particulier (Gisinger) en een Duitse vennootschap (Kiesel) die zich borg had gesteld voor Gisinger. Hier speelde de bevoegdheidsbepaling bij pluraliteit van verweerders van art. 8 sub 1 EEX-Vo II (destijds: art. 6 sub 1 EEX-Vo) een rol. Op basis van art. 8 sub 1 EEX-Vo II kunnen, in geval van een vordering tegen meerdere verweerders, alle verweerders worden opgeroepen voor de rechter van de woonplaats van een van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingenworden gewezen. Kiesel betwistte de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechter op grond van art. 8 sub 1 EEX-Vo II, met het argument dat de tegen Gisinger ingestelde vordering naar Oostenrijks faillissementsrecht nietontvankelijk was verklaard. De vraag rees of de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechter ten aanzien van de Duitse vennootschap Kiesel op art. 8 sub 1 EEX-Vo II kon worden gebaseerd, op het moment dat de vordering tegen Gisinger, de partij met woonplaats in de forumstaat, reeds op het tijdstip van instelling ervan niet-ontvankelijk is. Het HvJ herhaalt eerst dat de alternatieve bevoegdheidsregels aldus moeten worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen.2 Deze voorwaarde vloeit voort uit het rechtszekerheidsbeginsel, dat een van de doelstellingen van de verordening vormt. Art. 8 sub 1 EEX-Vo II bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar toepassing van nationale regels noch de voorwaarde dat een tegen verschillende verweerders gerichte vordering naar nationaal recht op het tijdstip van instelling ervan jegens elk van hen ontvankelijk moet zijn.3 Toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II kan niet afhankelijk zijn van de gevolgen van nationale regels. Het feit dat naar nationaal recht een vordering jegens een van de verweerders niet-ontvankelijk is, doet derhalve aan de toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II niet af.4