Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.4.5
2.3.4.5 Toekenning van bevoegdheden (II): 'gezamenlijk met', 'zelfstandig naast' of 'met uitsluiting van' / 'met toestemming van'
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589461:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
De eigenaar van een zaak is bijvoorbeeld exclusief bevoegd tot uitoefening van zijn recht (art. 5:1 lid 2 BW). Hetzelfde geldt voor de rechthebbenden van andere goederen.
Een uitzondering is volmachtverlening.
Zie over deze begrippen Bloembergen 1971. Zie ook Losbladige Vermogensrecht 2009 G.A.J Peter), art. 3:57, aant. 2. De begrippen toestemming en machtiging dienen op dezelfde wijze te worden begrepen, met het enige verschil dat toestemming van een ander (natuurlijk of rechts)persoon komt, en machtiging van een rechter.
Vgl. ook art. 3:57 BW. Zie voor andere voorbeelden: art. 1:88 BW, art. 5:42 lid 1 BW, art. 3:299 lid 1 en 3 BW, art. 1:345 lid 3 BW, art. 1:349 BW, art. 107 Fw, art. 4:147 lid 3 BW, art. 1:441 lid 2 sub e BW en art. 4:169 lid 1 sub c BW (vgl. art. 3.6.1.5 lid 2 sub e Ontw.BW), art. 4:173 BW, art. 1:443 BW, art. 3:246 lid 4 BW, art. 3:210 lid 3 BW, art. 5:42 lid 1 BW en art. 5:50 lid 1 BW. Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek3, p. 661-662; HR 7 september 2001, NJ 2001, 562; en HR 20 februari 2004, NJ 2004, 253.
Zie Bloembergen 1971, p. 11-12.
Zie voor andere voorbeelden van medewerking, art. 4:211 lid 2 BW en art. 4:145 lid 1 BW. Soms kan worden gekozen tussen medewerking en toestemming, zie bijvoorbeeld art. 4:167 lid 1 BW.
Vgl. Bloembergen 1971, p. 9. Het ontbreken van toestemming bij lastgeving heeft de absolute onbevoegdheid van de lasthebber tot gevolg. Zie HR 14 januari 2011, JIN 2011/241 (Mesdag), m.nt. J.W.A. Biemans. Het oordeel van de Hoge Raad omtrent de toegekende beschikkingsbevoegdheid heeft een breder toepassingsbereik. Vgl. mijn noot (sub 3.5) onder het arrest.
44. Voor het vaststellen van de omvang van de toegekende bevoegdheden aan een derde is niet alleen van belang hoeveel bevoegdheden de desbetreffende persoon toekomen, maar ook of hij de bevoegdheden 'gezamenlijk' met, 'zelfstandig' (naast) of 'met uitsluiting' van andere personen kan uitoefenen, en of hij voor de uitoefening de 'toestemming' of de 'machtiging' van een andere persoon of een rechterlijke instantie nodig heeft.
Wordt aan een bevoegde persoon een bevoegdheid 'met uitsluiting van' andere personen ('exclusief', 'privatief') toegekend, dan kan alleen hij de bevoegdheid uitoefenen, en is de uitoefening van de bevoegdheid door hem alleen voldoende om het beoogde rechtsgevolg te bewerkstelligen.1 Kan de persoon de bevoegdheid 'zelfstandig' uitoefenen, maar hebben ook een of meer andere personen naast hem dezelfde bevoegdheid, dan kunnen twee of meer personen zelfstandig ('afzonderlijk', 'naast elkaar', 'alternatief') hetzelfde rechtsgevolg bewerkstelligen.2 Is de bevoegde persoon 'gezamenlijk' ('tezamen', 'samen', 'coƶperatief') met een of meer andere personen tot het verrichten van de rechtshandeling bevoegd, dan dient hij tezamen met een of meer andere personen de (eenzijdige) rechtshandeling te verrichten om het beoogde rechtsgevolg te bewerkstelligen. Hij kan niet zelfstandig het beoogde rechtsgevolg bewerkstelligen. De vraag of een persoon gezamenlijk, zelfstandig of exclusief bevoegd is, kan niet algemeen per rechtsfiguur worden beantwoord.3 Het antwoord kan per toegekende bevoegdheid verschillen.
45. Van de vraag wie bevoegd is tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling, moet worden onderscheiden de vraag of de bevoegde persoon voor het verrichten van de rechtshandeling de toestemming (' goedkeuring', 'instemming', 'verklaring van geen bezwaar', 'machtiging') van een ander persoon, orgaan of instelling, of de machtiging van een rechter nodig heeft.4 De persoon of de rechter die, of het orgaan dat de toestemming, machtiging of goedkeuring moet geven, is niet de bevoegde persoon en verricht evenmin de desbetreffende rechtshandeling. De echtgenoot die toestemming geeft aan de andere echtgenoot, wordt geen partij bij de door de andere echtgenoot aangegane overeenkomst (art. 1:88 BW); de rechter-commissaris die de curator machtigt, treedt niet in rechte op tegen derden (art. 68 lid2 Fw); de erfgenamen die de bewindvoerder toestemming verlenen, gaan niet de overeenkomst tot beƫindiging van het geschil aan (art. 4:169 BW); en de algemene vergadering van aandeelhouders die de goedkeuring verleent aan het bestuur van de naamloze vennootschap, draagt niet de onderneming over (art. 2:107a lid 1 sub a BW).5 De toestemming zelf wordt echter wel als een eenzijdige rechtshandeling beschouwd.6 Het is ook mogelijk dat twee of meer personen slechts gezamenlijk bevoegd zijn tot het verlenen van toestemming; in dat geval verrichten zij deze ( eenzijdige) rechtshandeling gezamenlijk. Maar de persoon of personen die de toestemming moeten verlenen, verrichten zelf niet de rechtshandeling waarvoor toestemming moet worden verleend.
Als de wet spreekt van 'medewerking' is geen sprake van toestemming, maar dient de persoon die zijn medewerking moet verlenen een (meerzijdige) rechtshandeling te verrichten met de andere, bevoegde persoon. Hij is partij bij de desbetreffende (meerzijdige) rechtshandeling. Dit is bijvoorbeeld het verschil tussen schuldoverneming (art. 6:155 BW) en contractsoverneming (art. 6:159 BW).7 Voor schuldoverneming is de toestemming van de schuldeiser vereist; voor contractsoverneming de medewerking van de wederpartij.
Wordt een handeling of rechtshandeling zonder de vereiste toestemming of machtiging verricht, dan hangt het van geval tot geval af wat daarvan de rechtsgevolgen zijn. In voorkomende gevallen is het denkbaar dat de persoon wiens toestemming vereist was, een vordering uit wanprestatie instelt jegens de persoon die zonder toestemming de rechtshandeling heeft verricht. Daarnaast is het mogelijk dat de rechtshandeling waarvoor de toe stemming moest worden verleend zonder de toe stemming nietig of vernietigbaar is, of 'extern' geldig is, maar 'intern' ongeldig.8 Een algemene regel is niet te geven.
De vraag of een bevoegde persoon voor het verrichten van een rechtshandeling de toestemming, machtiging of goedkeuring van een ander nodig heeft, kan niet algemeen per rechtsfiguur worden beantwoord, maar alleen per toegekende bevoegdheid.