Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/3.5.1
3.5.1 Inleiding
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305621:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin ook J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 549.
Zie H.M.N. Schonis, Recente ontwikkelingen in de belastingheffing van ondernemingen (diss. KUB), Deventer: Fed 1985, p. 164.
Zie K. van der Heeden, Dubbele heffing bij besloten en open vennootschappen, Serie geschriften van het fiscaal economisch instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam nr. 4, Kluwer Samson 1973, p. 90. Van der Heeden vindt de bedrijfseconomische grondslag van de aftrek van een primair dividend overigens niet overtuigend. Hij weerspreekt vooral dat van de ongelijke behandeling van risicodragend en risicomijdend vermogen een stimulans uitgaat tot een overmatige aanwending van vreemd vermogen.
Schonis verwerpt zowel de aftrek van een primair rendement als de aftrek van een primair dividend en stelt een aftrek van dividend voor, zonder nadere toetsing aan het vermogen, het aandelenkapitaal of de dividendhoogte: ‘Het moet aan de winstuitkerende ondernemingen worden overgelaten in hoeverre zij hun aandeelhouders willen of moeten belonen. Wel moet de reductie worden gemaximeerd op een bepaald gedeelte van de winst om te voorkomen dat op grond van fiscale motieven een onredelijke dividendpolitiek gevolgd wordt.’ H.M.N. Schonis, Recente ontwikkelingen in de belastingheffing van ondernemingen (diss. KUB), Deventer: Fed 1985, p. 170.
F.P.J. Litjens, ‘Het stelsel van aftrek primair rendement in de vennootschapsbelasting’, WFR 1985/5668, p. 113.
D. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het winstbegrip (diss. UvA), Amsterdam: N.V. Uitgeverij Fed 1964, p. 269 en 275.
Kamerstukken II 1970/71, 10 955, nr. 3 Bijlage IV (Nota van den Tempel), p. 54 lk.
In deze paragraaf komt aan bod of Nederland eigen vermogen in de vennootschapsbelasting meer gelijk zou moeten behandelen aan vreemd vermogen. Wie eigen vermogen volledig gelijk wil schakelen aan vreemd vermogen, moet als uitgangspunt accepteren dat alle uitdelingen van de winst in de vennootschapsbelasting in aftrek komen. Deze aftrek moet vervolgens gevolgen hebben voor de heffing van de belasting over winstuitdelingen bij de aandeelhouder in gevallen waarin thans rekening wordt gehouden met de voordruk van de vennootschapsbelasting. Zo berusten de deelnemingsvrijstelling en de aanmerkelijkbelangregeling op de gedachte dat het dividend afkomstig is uit belaste winst. Is dat niet langer het geval, dan is het niet meer nodig om de deelnemingsvrijstelling toe te passen op het dividend. Bovendien kan het dividend bij de aanmerkelijkbelanghouder worden belast in box 1 naar het progressieve tarief.
Worden alle winstuitdelingen in aftrek toegelaten, dan gaat de vennootschapsbelasting in wezen fungeren als een voorheffing op de inkomstenbelasting. Een vennootschap die alle winst uitdeelt, is immers per saldo geen vennootschapsbelasting verschuldigd. De heffing van belasting moet dan plaatsvinden bij de aandeelhouders van de vennootschap. Slechts als de vennootschap winst oppot, wordt zij belasting verschuldigd. Besluit de vennootschap om ingehouden winst alsnog uit te keren, dan zal de daarover geheven vennootschapsbelasting gerestitueerd moeten worden. De functie van de vennootschapsbelasting als opbrengstgenererende heffing zou dan verregaand worden uitgehold, reden waarom deze variant niet mijn voorkeur heeft.1
Voorstanders van de aftrek van een primaire beloning willen de ongelijke fiscale behandeling van eigen vermogen ten opzichte van vreemd vermogen mitigeren door de beloning op het eigen vermogen te splitsen in een primaire en een resterende beloning. De primaire beloning is vergelijkbaar met de rente op vreemd vermogen en moet daarom aftrekbaar zijn. De resterende beloning hangt af van de winst en is niet aftrekbaar. Ter motivering van dit onderscheid verwijzen zij naar de bedrijfseconomie, waar geen onderscheid wordt gemaakt naar de financieringswijze van het in de vennootschap werkzame kapitaal.2 De ‘rente’ over het in de vennootschap werkzame kapitaal, ook voor zover dit is gefinancierd met eigen vermogen, is in de bedrijfseconomie evenzeer een kostenelement als de vergoeding ter zake van arbeid.3
De primaire beloning op eigen vermogen is geen feitelijk gegeven, maar een fictie. De primaire beloning moet dus worden benaderd door eigen vermogen te vergelijken met vreemd vermogen. Hierbij doemen vragen op als de omvang van het eigen vermogen waarover de aftrek moet worden verleend en het percentage van de aftrek als ook de kwestie of een voorwaarde voor de aftrek moet zijn dat de primaire beloning wordt uitgekeerd aan de aandeelhouder. Wordt deze eis inderdaad gesteld, dan is sprake van een stelsel waarin een primair dividend aftrekbaar is. Geldt geen uitkeringseis, dan gaat het om een stelsel waarin een primair rendement in aftrek komt.4
Litjens meent dat het niet nodig is de eis te stellen dat de primaire beloning daadwerkelijk aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd: ‘Immers, het feit dat er geen dividend wordt uitgekeerd, wil niet zeggen dat er geen kosten aan het eigen vermogen verbonden zijn.’5 Andere schrijvers stellen echter wel een uitkeringseis en pleiten dus niet zozeer voor een aftrek van een primair rendement, maar voor een aftrek van een primair dividend. Zo pleit Brüll voor de aftrek van een primair dividend, dat hij beschouwt als de beloning voor door de aandeelhouders gestorte bedragen. Brüll pleit er wel voor een gepasseerd dividend in latere jaren in te kunnen halen.6 Van den Tempel wijst op de onevenwichtigheid dat niet uitgekeerd primair rendement bij de aandeelhouder niet wordt belast. ‘Voorts zou de aftrek van [primaire] rente over het doel heen schieten als het in aftrek gebrachte bedrag niet wordt uitgekeerd. Dan zou immers de rente over het eigen vermogen onbelast blijven, terwijl de rente over vreemd vermogen bij de schuldeiser wordt belast.’7