Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VII.9:VII.9 Conclusie
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VII.9
VII.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178906:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Belinfante 1929, p. 98 (MvT). Overigens deed de Staatscommissie in 1890 reeds een soortgelijk voorstel. Zie Belinfante 1890, p. 46.
Zie Klein Wassink 2012, p. 22-24 en – ook over het enquêterecht – Spruitenburg 2018, p. 22-25.
Belinfante 1929, p. 148 (MvA). Frappant genoeg deed diezelfde minister het voorstel om art. 46a K in te voeren, de voorloper van art. 2:14-15 BW van waaruit zich de toetsing van besluiten heeft ontwikkeld. Zie Klein Wassink 2012, p. 28 en 37-50.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Minister Nelissen deed in 1910 niet alleen het voorstel om aandeelhouders het recht toe te kennen een ‘gerechtelijk onderzoek’ aan te vragen naar ‘den gang van zaken in de maatschappij en naar het beleid van het bestuur’.1 De minister opperde ook om terzake van belangrijke besluiten van de vennootschap – zoals decharge, statutenwijziging en ontbinding – een verzetrecht toe te kennen aan de aandeelhouders die ten minste eentiende deel van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. De rechter kon die besluiten dan toetsen.2
Het eerste voorstel haalde in 1928 het Wetboek van Koophandel en zou later, vooral vanaf 1971, uitgroeien tot het enquêterecht zoals dat nu is. Het tweede voorstel sneuvelde. Een latere ambtsgenoot van Nelissen, minister Heemskerk, liet het verzetrecht niet terugkomen toen hij in 1925 een gewijzigd ontwerp indiende. Daartoe voerde hij aan:
‘De rechter moet dan uitmaken of de belangen der vennootschap al of niet handhaving van het besluit vorderen. Den ondergeteekende gaat dit te ver. In de naamlooze vennootschap behoort de hoogste macht aan de algemeene vergadering van aandeelhouders. Daaruit volgt, dat, indien die vergadering een wettiglijk geoorloofd besluit heeft genomen, dat besluit ook de minderheid bindt. In plaats daarvan wil het ontwerp-1910 in verschillende gevallen den rechter over de doelmatigheid van een besluit laten oordeelen. Aldus wordt de beslissing over de belangen der vennootschap gelegd in de handen van een buitenstaander. Den rechter wordt een taak opgelegd, welke met den aard van zijn ambt kwalijk strookt. [curs. in citaat]’3
De minister kon niet bevroeden dat, een krappe honderd jaar later, nog maar enkelen principieel gekant zijn tegen de bevoegdheid van de rechter om besluiten aan de redelijkheid en billijkheid te toetsen, oftewel om na te gaan of besluiten afdoende recht doen aan de doelmatigheid en de betrokken belangen. Nog minder kon de minister voorspellen dat het enquêterecht zo’n hoge vlucht zou nemen, laat staan dat een ‘buitenstaander’ zozeer zou kunnen ingrijpen in de vennootschap als de Ondernemingskamer thans doet. De tijden zijn veranderd.
Toch hebben de ministeriële woorden niet al hun betekenis verloren. Nog steeds is het primair aan de organen van de rechtspersoon om de besluiten te nemen die ze in het belang van die rechtspersoon achten. Nog steeds moet de rechter zich terzake terughoudend opstellen. Aan deze principes zal de invoering van de rechterlijke bevoegdheid om besluiten vast te stellen weinig veranderen. Het zal veeleer aan de rechter zijn – in laatste instantie aan de Hoge Raad – om in de praktijk een juiste balans te vinden. Laissez faire, laissez passer is geen slagzin die aan het vaststellen van besluiten in de weg zou moeten staan.