Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/2.3.3.1
2.3.3.1 Wat moet onder het begrip ‘waarde’ worden verstaan?
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258479:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Panel Report van 27 april 2009, Colombia — Indicative Prices and Restrictions on Ports of Entry, WT/DS366/R, aangenomen op 20 mei 2009, p. 88-89. Het WHO Panel laat zich daarbij leiden door artikel 31 van het Weens Verdragenverdrag. Hieruit volgt dat voor verdragsbepalingen uitgelegd moeten worden aan de hand van de gewone betekenis van de daarin gebruikte termen.
Panel Report van 27 april 2009, Colombia — Indicative Prices and Restrictions on Ports of Entry, WT/DS366/R, aangenomen op 20 mei 2009, p. 88-89.
De waarde van een goed kan ook anders dan in een monetaire waarde van een goed worden uitgedrukt. Bij een gift gaat het bijvoorbeeld niet om de monetaire waarde, maar wordt de waarde vertaald in de factor ‘geluk’ die de betrokken partijen ervaren bij het uitwisselen van een gift. Hoewel de waarde van een goed in ‘geluk’ uitgedrukt kan worden, is het mijns inziens echter niet hanteerbaar als belastbare waarde voor de vaststelling van verschuldigde invoerrechten.
F.A. Walker, Political Economy, Londen: MacMillan and Co. 1892, p. 81-82. Ik merk daarbij op dat er geen onbetwiste definitie in de economische discipline bestaat. Zo wordt de waardedefinitie door bijvoorbeeld economen uit de twintigste eeuw met enige regelmaat aan de hand van wiskundige formules gedefinieerd, zie Iure Pontes Vieira, The concept of Value in Tax Law and Customs Law, EC Tax Review 22(1), p. 31.
O. Arabov, La Valeur en Douane en Débat, Paris: Editions universitaires européennes 2010, p. 10-15.
Vgl. O. Arabov, La Valeur en Douane en Débat, Paris: Editions universitaires européennes 2010, p. 14.
Zie o.a. HvJ EG 16 november 2006, nr. C-306/04 (Compaq Computer International Corporation), ECLI:EU:C:2006:716, r.o. 30, HvJ EU 19 maart 2009, nr. C-256/07 (Mitsui & Co. Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2009:167, r.o. 20, HvJ EU 15 juli 2010, nr. C-354/09 (Gaston Schul BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2010:439, r.o. 29, HvJ EU 12 december 2013, nr. C-116/12 (Ioannis Christodoulou e.a. tegen Elliniko Dimosio), ECLI:EU:C:2013:825, r.o. 40, HvJ EU 16 juni 2016, nr. C-291/15 (EURO 2004. Hungary Kft.), ECLI:EU:C:2016:45526, HvJ EU 9 maart 2017, nr. C-173/15 (GE Healthcare GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2017:195, r.o. 30, HvJ EU 11 mei 2017, nr. C-59/16 (The Shirtmakers BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:362, r.o. 28, HvJ EU 12 oktober 2017, nr. C-661/15 (X BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2017:753, r.o. 37, HvJ EU 9 november 2017, nr. C-46/16 (,LS Customs Service’’ SIA), ECLI:EU:C:2017:839, r.o. 30, HvJ EU 20 december 2017, nr. C-529/16 (Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München), ECLI:EU:C:2017:984, r.o. 24, HvJ EU 20 juni 2019, nr. C-1/18 (Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests), ECLI:EU:C:2019:519, r.o. 22 en HvJ EU 9 juli 2020, nr. C-76/19, (Direktor na Teritorialna direktsiya Yugozapadna Agentsiya „Mitnitsi”, voorheen Nachalnik na Mitnitsa Aerogara Sofia tegen „Curtis Balkan” EOOD), ECLI:EU:C:2020:543, r.o. 34, HvJ EU 10 september 2020, nr. C-509/19 (BMW Bayerische Motorenwerke AG tegen Hauptzollamt München), ECLI:EU:C:2020:694, r.o. 13, HvJ EU 19 november 2020, nr. C-775/19 (5th AVENUE Products Trading GmbH tegen Hauptzollamt Singen), ECLI:EU:C:2020:948, r.o. 22.
Het WHO Panel lijkt voorstander te zijn om voor de invulling van het begrip waarde aansluiting te zoeken bij de gewone betekenis die aan het woord ‘waarde’ wordt toegekend.1 In de gewone betekenis van het woord kan het begrip ‘waarde’, aldus het WHO Panel, uitgelegd worden als: “[…] the action of estimating or fixing the monetary value of something […]” of als “[…] the process of determining the value of a thing or entity […]”.2 De monetaire waarde van een ingevoerd goed lijkt om die reden het uitgangspunt te vormen voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen.3 Er moet zodoende een prijs uitgedrukt in geldeenheden worden vastgesteld.
Een nadere invulling van het begrip ‘(monetaire) waarde’ kan worden gevonden in werk van de econoom Walker, die het begrip ‘waarde’ vanuit de economische discipline omschrijft als:4
“[…] the power which an article confers upon its possessor, irrespective of legal authority or personal sentiments, of commanding, in exchange for itself, the labor, or the products of the labor, of others.”
Op basis van de definitie van Walker houdt de waarde van een goed verband met de ‘purchasing power’ die over een goed wordt uitgeoefend. De purchasing power valt uiteen in de exchange power en utility power. De exchange power bestaat uit het recht om de beschikkingsmacht over het goed over te dragen (‘exchange value’). Het onderscheidt zich daarmee van het recht om een goed enkel te gebruiken. Belangrijk is dat het recht om een goed over te dragen niet berust op persoonlijk sentiment, juridische autoriteit of dwang. Er moet daarnaast een prikkel bestaan om de macht van het goed overgedragen te krijgen. Deze prikkel bestaat uit de vermogensopbrengst die met het goed gegenereerd kan worden (‘utility value’). Het recht om vermogensopbrengst te genereren wordt ook wel aangeduid als utility power.
Door de waarde van een goed afhankelijk te stellen van de purchasing power, moet het goed beschikbaar zijn op de markt en worden uitgewisseld. Walker lijkt daarom uit te gaan van de ‘economische’ waarde van het goed. De vraag is op welke wijze de economische waarde vastgesteld moet worden. Arabov maakt in dat kader onderscheid tussen een drietal verschillende waardetheorieën die in de economische discipline zijn ontwikkeld en antwoord geven op de vraag wat verstaan moet worden onder economische waarde.5 Het gaat daarbij om de klassieke theorie, nutstheorie en de neoklassieke theorie. De economische waarde lijkt het beste bepaald te kunnen worden bij toepassing van de neoklassieke theorie. Om dat te verklaren, worden hierna alle drie de theorieën in chronologische volgorde nader besproken.
Arabov geeft onder verwijzing naar economen als Adam Smith, David Ricardo en Karl Marx aan dat de klassieke theorie ervan uitgaat dat de waarde gelijk is aan de productiekosten van een goed. De prijs voor een goed en de waarde van een goed zijn bij toepassing van deze theorie derhalve niet per definitie gelijk. Een element dat bij de klassieke theorie geen rol speelt is de vraag naar het product. Dat maakt deze theorie zwak. Het kan immers niet volgehouden worden dat de waarde van een product 100 is, omdat de productiekosten 100 zijn, terwijl er geen vraag naar het product is.
De nutstheorie is ontwikkeld in de jaren ’70 van de 19de eeuw door economen als Heinrich Gossen, Carl Menger, William Jevons en Léon Walras. Het neemt in tegenstelling tot de klassieke theorie de vraagcomponent wel mee voor de vaststelling van de waarde en gaat uit van een waarde die wordt bepaald op basis van vraag en aanbod. Door het element ‘vraag’ in aanmerking te nemen, wordt uitgegaan van een subjectieve(re) wijze van waardebepaling. William Jevons en Carl Menger hebben de nutstheorie verrijkt met het concept ‘grensnut’. Dat wil zoveel zeggen dat de waarde van een product niet alleen afhangt van wat de afnemer eraan toekent, maar dat ook het nut van de laatst verhandelde eenheid meegewogen moet worden. Over het algemeen zal namelijk een eerste eenheid van afgenomen producten meer nut opleveren dan de daaropvolgende eenheden. Léon Walras gaat daarbij uit van ruilwaarde van een goed: wat wordt verkregen bij inwisseling van het product bij behoudt van een gelijke som aan voordelen? Elementen die daarbij een rol spelen zijn het nut en de zeldzaamheid van een product. Marktverstorende elementen die invloed op de waarde uitoefenen, zoals onder andere de verbondenheid van partijen, worden niet geëlimineerd.
Met de neoklassieke theorie, die aansluit bij de visie van Walker, kan de economische waarde van goederen beter worden bepaald. Bij deze theorie wordt namelijk voor de vaststelling van de waarde niet alleen uitgegaan van de prijs waartegen een goed gekocht is, maar wordt de economische waarde van een goed bepaald op basis van vraag en aanbod en ideale vrije marktomstandigheden. Ideale vrije marktomstandigheden veronderstellen dat er geen monopolisten op de markt zijn, de productiefactoren mobiel zijn om zich aan de vraag van de marktdeelnemers aan te passen en dat marktdeelnemers beschikken over alle informatie over vraag en aanbod. In mijn optiek wordt niet altijd zondermeer aan deze randvoorwaarden voldaan.6 Zo is in werkelijkheid sprake van informatieasymmetrie; niet alle partijen beschikken over alle informatie vanwege het veelal vertrouwelijke karakter van deze informatie. Daarnaast zijn monopolisten op de markt actief en bestaat er wetgeving ter voorkoming van concurrentievervalsing. Beide verschijnselen doen afbreuk aan het vrije karakter van de markteconomie. Om toch een economische waarde op basis van de basisprincipes van de neoklassieke theorie vast te stellen, moeten verstorende elementen worden geëlimineerd en moet op objectieve wijze de verkoop van een goed worden geïdentificeerd door op zoek te gaan naar vergelijkbare transacties van vergelijkbare goederen tussen onafhankelijke marktdeelnemers. Het probleem hierbij is, dat vaak geen vergelijkbare goederen beschikbaar zijn, waardoor op andere wijze een economische waarde vastgesteld moet worden.
Bij het formuleren van de douanewaarde, lijkt in de GATT 1947 aansluiting gezocht te zijn bij de basisprincipes van de neoklassieke theorie zoals hiervoor uiteengezet en de wijze waarop de aanhangers van deze theorie het begrip economische waarde uitleggen. Op grond van artikel VII:2 (b) GATT 1947 zou de douanewaarde namelijk gelijk moeten zijn aan:
“[…] de prijs waartegen, op een door de wetgeving van het importerende land te bepalen tijd en plaats, de geïmporteerde goederen of overeenkomstige goederen bij normale handelstransacties en bij volledige vrije mededinging worden verkocht of ten verkoop aangeboden. Voor zover de prijs van deze of overeenkomstige goederen afhangt van de verhandelde hoeveelheid bij een bepaalde transactie, dient de in aanmerking komende prijs steeds te worden berekend naar (i) vergelijkbare hoeveelheden of (ii) hoeveelheden welke voor de importeurs ten minste even gunstig zijn als die waarin het merendeel der goederen in het handelsverkeer tussen de invoerende en uitvoerende landen wordt verkocht.”
Voornoemd artikel laat ruimte om de werkelijke waarde vast te stellen op subjectieve (‘positieve’) of objectieve (‘theoretische’) wijze (onderdeel 2.3.3.2). Thans, onder het CVA, is aansluiting gezocht bij een subjectieve waardebenadering. De werkelijke waarde zoals bedoeld in artikel VII:2 (b) GATT 1947 moet namelijk vastgesteld worden op basis van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen o.g.v. de preambule en artikel 1, lid 1, CVA. De transactiewaarde is de werkelijk betaalde of te betalen prijs die voor de goederen die voor uitvoer naar het land van invoer worden verkocht, wordt afgesproken met in achtneming van diverse voorwaarden en waar nodig aangepast. De voorwaarde en aanpassingen zijn nodig om de verstoringen van de ideale vrije marktomstandigheden te mitigeren, wat nodig is om de werkelijke (economische) waarde vast te stellen, zoals ook in de neoklassieke theorie is onderkend. In Unierechtelijk verband heeft het Hof van Justitie overwogen dat de douanewaarde de werkelijke ‘economische’ waarde van een ingevoerd goed moet weergeven en er voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen derhalve rekening gehouden moet worden met alle elementen van het ingevoerde goed die een economische waarde vertegenwoordigen.7 Samengevat kan de invulling van het begrip douanewaarde, die eraan wordt gegeven in de GATT 1947, de CVA en door het Hof van Justitie, worden verklaard aan de hand van de invulling die op basis van de gewone betekenis aan het begrip waarde wordt toegekend en welke betekenis daaraan wordt toegedicht in de economische discipline.