Hof 's-Hertogenbosch, 15-05-2018, nr. 200.200.052, 01
ECLI:NL:GHSHE:2018:2108
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
15-05-2018
- Zaaknummer
200.200.052_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2018:2108, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 15‑05‑2018; (Hoger beroep, Verwijzing na Hoge Raad)
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:1283
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1865
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:BX2484
ECLI:NL:GHSHE:2017:1865, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 25‑04‑2017; (Hoger beroep)
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:1283
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2108
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:BX2484
Uitspraak 15‑05‑2018
Inhoudsindicatie
Accountant. Tekortkoming. Bewijswaardering. Verlies van een kans. Schatting.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummers 200.200.052/01
arrest van 15 mei 2018
in de zaak van
Countus Accountants + Adviseurs B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. te E.A.M. van Lierop te Groningen,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
en
[geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. W. Hogenkamp te Meppel,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 april 2017 in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij onder zaaknummer 15/01703 gewezen arrest van 24 juni 2016, waarbij zijn vernietigd de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014 en 6 januari 2015, gewezen onder zaaknummer 200.112.669/01, in het hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 mei 2012, gewezen onder zaaknummer/rolnummer 187192 / HA ZA 11-784.
Appellante in het principaal appel zal worden aangeduid als Countus. Geïntimeerden in het principaal appel zullen hierna worden aangeduid als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] .
6. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 25 april 2017;
- -
de akte overlegging producties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 6 juli 2017;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 juli 2017;
- -
het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 23 oktober 2017;
- -
de memorie na enquête van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
- -
de antwoordmemorie na enquête van Countus.
Het hof heeft de datum voor arrest bepaald.
7. De verdere beoordeling
7.1.
In het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] toegelaten tot het leveren van bewijs dat [de koper] in september 2008 bereid zou zijn geweest om bovenop het bedrag van € 600.000 nog wegens btw-last te betalen € 48.965,62. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
7.2.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben [geïntimeerde 1] , [zoon van geintimeerde 1] (zoon van [geïntimeerde 1] en stiefzoon van [geïntimeerde 2] ) en [de koper] als getuige voorgebracht. Countus heeft afgezien van contra-enquête.
7.3.
[geïntimeerde 1] heeft kort samengevat als getuige verklaard dat zij bij het aangaan van de koopovereenkomst met de koper ( [de koper] ) heeft gesproken en dat [de koper] de avond dat de koopovereenkomst is gesloten heeft gezegd “6 ton en geen cent meer” omdat [de koper] volgens hem daarover nog btw moest betalen (volgens hem € 126.000); [geïntimeerde 1] sluit niet uit dat [de koper] hiermee een onderhandelingstruc uithaalde. [geïntimeerde 1] heeft ook verklaard dat [de koper] een aantal roerende zaken wilde hebben waarover hij geen overdrachtsbelasting hoefde te betalen. [geïntimeerde 1] heeft volgens haar verklaring vlak voor de levering brieven van de notaris ontvangen dat de btw verlegd kon worden, maar zij heeft daarna niet met de koper onderhandeld over een hogere koopprijs; de koper had gezegd “geen cent meer”. [geïntimeerde 1] heeft tot slot verklaard: “Als ik had geweten dat wij 54 duizend euro btw in elk geval moesten betalen had ik die avond tegen [de koper] gezegd dat zijn berekening onjuist was en was er meer onderhandelingsruimte geweest.”
7.4.
[de koper] heeft als getuige verklaard dat hij in 2008, in de periode van de onderhandelingen met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , door de overname van zijn bedrijf door zijn zoons best wel geld had maar dat geld niet allemaal wilde uitgeven. [de koper] heeft ook verklaard dat hij het verkochte heel graag wilde hebben omdat het een mooie woning op een mooie plek was buiten het dorp met een loods; “om daar te komen wilden wij best wel wat betalen”. [de koper] heeft over de onderhandelingen verklaard: “Ik kan u niet meer precies zeggen hoe de prijsonderhandelingen zijn gegaan dus ook wat dat betreft hou ik een slag om de arm. Ik meen dat de oorspronkelijke vraagprijs 750.000 euro was en ik weet ook dat wij over de prijs hebben onderhandeld want je wilt natuurlijk zo weinig mogelijk betalen. Volgens mij heb ik toen uiteindelijk de koopovereenkomst gesloten waarbij meteen de BTW is verlegd.” [de koper] heeft vervolgens verklaard: “U vraagt mij nu heel concreet of ik bereid zou zijn geweest om bovenop het bedrag € 600.000 nog als btw last te betalen € 48.965,62. Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag want je wilt als koper zo weinig mogelijk betalen, maar volgens mij hadden wij dit extraatje best kunnen betalen en ik denk ook dat ik uiteindelijk ook bereid zou zijn geweest om dit te betalen. Ik herhaal dat wij het erg graag wilden hebben.” [de koper] heeft, na voorlezing van de aan het proces-verbaal gehechte brief van 30 december 2009 van de inspecteur van de belastingdienst aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , verklaard dat hij niet beter weet dan dat bij de koop de btw is verlegd en dat dat zou betekenen dat hij 10 jaar lang het gekochte niet mag verkopen. Hij heeft in dit verband verklaard: “Mij wordt ook nog gevraagd naar aanleiding van de net genoemde productie 7 of ik bereid zou zijn € 114.000,-- te betalen zoals gevraagd in die productie. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik dat op dit moment niet kan zeggen.”
7.5.
[de koper] heeft in zijn getuigenverklaring nog verklaard dat hij blijft bij zijn vooraf toegezonden schriftelijke verklaring van 26 juni 2017. In de schriftelijke verklaring staat: “Voor een woning zonder BTW claim hadden wij in 2008 meer willen betalen dan voor een woning met een 10 jarige belasting terugbetaling. Het verschil kan ik zo niet noemen, maar een hoger bedrag was zeker mogelijk geweest.”
7.6.
[zoon van geintimeerde 1] heeft als getuige niets relevants verklaard.
7.7.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben bij memorie na enquête gewezen op de verklaring van [de koper] dat hij het extraatje best had kunnen betalen en dat hij denkt dat hij uiteindelijk ook bereid zou zijn geweest om dit te betalen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verbinden hieraan de conclusie dat zij zijn geslaagd in de bewijsopdracht.
7.8.
Countus heeft bij antwoordmemorie na enquête naar voren gebracht dat geen onomwonden bevestiging wat betreft de bereidheid tot betaling in de verklaring van [de koper] besloten ligt. Volgens Countus is het ook wel heel gemakkelijk jaren later te verklaren dat men iets had willen betalen wanneer men dat in werkelijkheid nooit meer hoeft te betalen. Countus wijst er ook op dat [de koper] bij de onderhandelingen het onderste uit de kan wilde hebben en zich hard opstelde en dat [de koper] zich weinig welwillend opstelde toen hij betalingsverzoeken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ontving. Countus leidt uit de verklaringen van de getuigen af dat over de prijs niet meer kon worden onderhandeld. Countus stelt dat, wanneer aangenomen wordt dat zij tekort is geschoten door niet te wijzen op de btw-verplichting, eerst moet worden vastgesteld of er sprake is van een verlies van een kans dat [de koper] het gehele door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemde bedrag zou hebben betaald bovenop de koopsom. De conclusie is volgens haar dat de kans niet groot is zodat zij nooit de volledige schade zal hoeven te vergoeden.
7.9.
Het hof overweegt dat de schade van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gevolg van de tekortkoming van Countus moet worden geschat aan de hand van een vergelijking tussen enerzijds de werkelijke situatie waarin [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich bevinden en anderzijds de hypothetische situatie waarin [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich zouden hebben bevonden indien Countus niet zou zijn tekortgeschoten.
7.10.
Het hof leidt uit de verklaringen af dat een beter onderhandelingsresultaat voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heel wel mogelijk was indien Countus niet tekort zou zijn geschoten. [de koper] had voldoende geld om aanzienlijk meer te betalen. Hij wilde het verkochte heel graag hebben. Hij verklaarde in de enquête dat hij dacht dat hij uiteindelijk bereid zou zijn geweest om € 48.965.62 meer te betalen. De schriftelijke koopovereenkomst was nog niet ondertekend. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hadden dan ook een reële onderhandelingspositie. Zij hadden, indien Countus niet zou zijn tekortgeschoten, in elk geval het standpunt kunnen aanvoeren dat er nog geen bindende afspraak was en dat zij alleen bereid waren te leveren indien [de koper] meer zou betalen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hadden bij deze onderhandelingstactiek het standpunt kunnen betrekken dat zij in elk geval € 54.000,- btw moesten betalen en dat [de koper] naar eigen zeggen rekening had gehouden met een hogere btw last waardoor hij ruimte had om iets erbij te doen. [de koper] had dan moeten kiezen tussen een minnelijke oplossing waarbij hij meer betaalt en eventuele juridische maatregelen. Zeer wel denkbaar is dat partijen zouden zijn uitgekomen bij een hoger bedrag.
7.11.
Daartegenover staat dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat er zou zijn gebeurd in het hypothetische scenario waarin Countus niet zou zijn tekortgeschoten. [de koper] zou wellicht de rug recht hebben gehouden. Hij zou wellicht hebben geweigerd een cent meer te betalen, in het verlengde van zijn mededeling “de avond dat de koopovereenkomst is gesloten” (verklaring [geïntimeerde 1] ). Hij had zich kunnen beroepen op een (vergaande) mate van instemming. Zijn mededelingen over een btw schuld van € 126.000 waren wellicht een onderhandelingstruc, zoals [geïntimeerde 1] vermoedde, zodat hij wellicht in werkelijkheid niet flexibel zou zijn indien de btw-schuld lager zou blijken te zijn. Er zou volgens [geïntimeerde 1] meer onderhandelingsruimte zijn geweest indien Countus niet zou zijn tekortgeschoten, maar daarmee is nog lang niet gezegd dat een beter resultaat zou zijn bereikt voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 1] heeft ook, in het licht van de gebleken standvastigheid van [de koper] , niet onderhandeld met [de koper] na ontvangst van brieven van de notaris over een verlegging van btw. [de koper] heeft verklaard dat hij zo weinig mogelijk wilde betalen en dat de vraag of hij meer had willen betalen moeilijk te beantwoorden is. [de koper] heeft in wezen niet meer gezegd dan dat een hoger bedrag zeker mogelijk zou zijn geweest, maar hij kon (in zijn schriftelijke verklaring) niet kwantificeren wat voor bedrag dat dan zou zijn geweest.
7.12.
Dit leidt naar het oordeel van het hof tot het volgende. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben door de tekortkoming van Countus een kans verloren om een beter resultaat te bereiken. Het is onzeker of het nadeel van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zou zijn uitgebleven in de hypothetische situatie waarin Countus niet zou zijn tekortgeschoten. Het nadeel moet worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen in deze hypothetische situatie. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zouden in dat geval een reële en niet te verwaarlozen kans hebben gehad om een aanzienlijk beter resultaat te bereiken. Maar hiermee is weinig gezegd over de omvang van dat resultaat. De kans dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het gehele bedrag van de hoofdsom op [de koper] zouden hebben kunnen afwentelen is klein. De kans dat een resultaat van beperkte omvang zou zijn bereikt is veel groter. Het hof is alles afwegende van oordeel dat er een 1/3 kans is dat partijen in de hypothetische situatie zouden zijn uitgekomen bij een aanvullende betaling van de gehele hoofdsom van de aanslag. Dit betekent dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door de tekortkoming van Countus een 1/3 kans zijn misgelopen om de hoofdsom te ontvangen. De schade van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door deze tekortkoming moet dan ook worden geschat op 1/3 van de hoofdsom.
7.13.
De verklaring van [geïntimeerde 1] moet worden aangemerkt als een partijgetuigenverklaring. Art. 164 lid 1 Rv laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig art. 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391). De verklaring van [de koper] is naar het oordeel van het hof zodanig sterk, en deze verklaring betreft zodanig essentiële punten, dat zij de partijgetuigenverklaring van [geïntimeerde 1] voldoende geloofwaardig maakt.
7.14.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn al met al in de bewijsopdracht geslaagd. Aangenomen moet worden dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door de tekortkoming van Countus een kans van 1/3 om in goed overleg met [de koper] een hogere prijs overeen te komen zijn misgelopen. Countus zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van € 13.895,33, gelijk aan 1/3 van € 41.686. Het hof heeft in het tussenarrest onder 4.9 overwogen dat het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemde bedrag van € 48.965,62 niet is onderbouwd met een bewijs van betaling of een aanslag. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben bij akte van 6 juli 2017 een berekening overgelegd waaruit blijkt dat de aanslag in hoofdsom € 41.686 bedraagt. Het verschil tussen € 41.686 en € 48.965,62 is niet toegelicht en komt niet voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding.
7.15.
De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd (tussenarrest, 4.10). De grieven in principaal appel falen. De grief in incidenteel appel slaagt. Countus zal worden veroordeeld tot betaling als na te melden. Het meer of anders gevorderde moet worden afgewezen. Countus zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep (voor salaris advocaat: antwoord pr.app. 1, grieven inc.app. ½, enqu. ½ + ½, antwoordmemorie na enqu. ½, memorie na verwijzing ½, enqu. 1, enqu. ½, memorie na enqu. ½, totaal 9 punten, tarief II € 1.074 maximum 3 punten).
8. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van 2 mei 2012, waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende
veroordeelt Countus € 13.895,33 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot de dag der algehele voldoening;
wijst af het meer of anders gevorderde;
veroordeelt Countus in de proceskosten in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] begroot op € 90,81 voor exploot van dagvaarding, € 588 voor vastrecht en op € 904 voor salaris advocaat;
veroordeelt Countus in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] begroot op € 666 voor vastrecht en op € 3.222 voor salaris advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 mei 2018.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 25‑04‑2017
Inhoudsindicatie
verwijzing door HR. Fout advies accountant
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.200.052/01
arrest van 25 april 2017
in de zaak van
Countus Accountants + Adviseurs B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. N.E.N. de Louwere te Groningen,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
en
2. [geïntimeerde 2]
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel,
advocaat: mr. W. Hogenkamp te Meppel,
in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij onder zaaknummer 15/01703 gewezen arrest van 24 juni 2016, waarbij zijn vernietigd de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014 en 6 januari 2015, gewezen onder zaaknummer 200.112.669/01, in hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 mei 2012, gewezen onder zaaknr/rolnr. 187192 / HZ ZA 11-784.
Appellante in het principaal appel zal worden aangeduid als Countus. Geïntimeerden in het principaal appel zullen hierna worden aangeduid als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] , tezamen als [geïntimeerden]
1. Het geding in feitelijke instanties en in cassatie
Het hof verwijst voor het geding in feitelijke instanties en in cassatie naar hetgeen is vermeld onder de nummers 1. en 2. in voormeld arrest van de Hoge Raad.
2. Het geding na verwijzing
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de introductie ter rolle waarbij [geïntimeerden] de zaak aanhangig hebben gemaakt bij dit hof;
- de door Countus genomen memorie na verwijzing;
- de door [geïntimeerden] genomen antwoordmemorie na verwijzing.
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg en het hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de desbetreffende memories.
4. De beoordeling
4.1
De Hoge Raad heeft in nr. 3.1 van zijn arrest geoordeeld dat kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.12. Het betreft de volgende feiten, waar ook het hof van zal uitgaan.
a. [geïntimeerden] exploiteren sinds 1994 onder de naam Quintet een inpakcentrale. Sinds begin 1995 hebben zij zich laten bijstaan door [Accountants] Accountants (hierna B&T), die in of omstreeks 2008 zijn overgenomen door Countus.
b. In december 2003 kochten [geïntimeerden] een perceel grond te [plaats] met daarop een al in gebruik zijnd bedrijfspand. Zij realiseerden op die grond een nieuwe bedrijfswoning en brachten - na navraag bij B&T - de btw die betrekking heeft op die bedrijfswoning als voorbelasting in aftrek. De bedrijfswoning is in augustus 2006 in gebruik genomen.
c. [geïntimeerden] hebben hun totale onroerende zaak in 2008 te koop aangeboden en bereikten daarover uiteindelijk overeenstemming met de heer [koper] (hierna: [koper] ). In de concept-koopakte Bedrijfs-onroerend goed staat:
“Hebben op 17 september 2008 een koopovereenkomst gesloten inzake: Het Bedrijfspand met aangebouwde Bedrijfswoning met Ondergrond en buitenterrein.
Plaatselijk bekend als de [adres] , kadastraal bekend bij de gemeente [woonplaats] : [plaats] , [sectieletter] (…).
Tegen een koopsom van € 600.000,-- excl. BTW kk,
(...)
Met betrekking tot de Omzetbelasting (BTW) geldt het volgende: verkoper en koper kiezen voor een belaste levering conform art. 11a ten tweede. De verschuldigde omzetbelasting komt voor rekening van de koper.”
d. B&T heeft op 24 juni 2008 een factuur aan [geïntimeerden] gezonden (productie 1 dagvaarding eerste aanleg) voor “Fiscale werkzaamheden, waaronder afwikkelen controle inkomstenbelasting 2005 en vraagstuk woning zakelijk of privé” voor € 428,88 (inclusief btw).
e. De koopovereenkomst (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg) is - na overleg met Countus waarvoor deze [geïntimeerden] een factuur d.d. 22 oktober 2008 heeft gezonden voor onder meer, zoals op die factuur vermeld, “Werkzaamheden akte verkoop pand” (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) - door [geïntimeerden] en [koper] op 17 september 2008 ondertekend.
f. Op 14 november 2008 hebben [geïntimeerden] en [koper] door tussenkomst van de notaris een 'verzoek optie belaste levering' ingediend bij de Belastingdienst (productie 4 dagvaarding eerste aanleg).
g. De transportakte is op 1 december 2008 ten overstaan van notaris [notaris] gepasseerd. Met betrekking tot de omzetbelasting staat in deze akte dat partijen de zogenaamde 'verleggingsregeling' toepassen. Volgens deze regeling wordt de voldoeningsverplichting van de verschuldigde omzetbelasting verlegd van de verkoper naar de koper.
“Ik willig uw verzoek in voor dat deel van de onroerende zaak dat betrekking heeft op het bedrijfspand met ondergrond en of erf. Met betrekking tot de bedrijfswoning kom ik niet aan uw verzoek tegemoet omdat er niet wordt voldaan aan het 90% criterium. Mijn besluit is gebaseerd op artikel 6 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.”
i. Op 12 maart 2009 ontvangen [geïntimeerden] de aankondiging dat de Inspecteur ter zake een naheffingsaanslag zal opleggen (productie 7 dagvaarding eerste aanleg). De Inspecteur schrijft, voor zover van belang:
“(…)
Bedrijfswoning
De bedrijfswoning is in augustus 2006 in gebruik genomen. De levering van de woning op 1 december 2008 vindt plaats na twee jaar na eerste ingebruikname. Op grond van artikel 11 lid 1 letter a sub 2 en lid 5 Wet OB kan er voor de levering van de woning niet worden geopteerd voor belaste levering. Nu er niet kan worden geopteerd en de levering niet van rechtswege belast is voor de omzetbelasting is de levering vrijgesteld voor de omzetbelasting op grond van artikel 11 lid 1 letter a Wet OB.
Nu de levering is vrijgesteld moet de in aftrek gebrachte voorbelasting met betrekking tot de bouw van de woning worden herzien op grond van artikel 15 lid 6 Wet OB juncto artikel 11 tot en met 14 van de Uitv Besch OB. Uit de aangifte van het vierde kwartaal 2008 blijkt niet dat de aldus verschuldigde omzetbelasting is aangegeven.
Ik stel u hierbij in de gelegenheid de verschuldigde omzetbelasting per omgaande bij mij te melden zodat ik een naheffingsaanslag op kan leggen.(…)”
j. Bij brief van 6 december 2010 (productie 9 dagvaarding in eerste aanleg) stelt de advocaat van [geïntimeerden] Countus aansprakelijk voor de btw-schade.
k. Bij brief van 25 januari 2011 (productie 11 dagvaarding in eerste aanleg) schrijft mevrouw mr. [vertegenwoordiger NN] van Nationale Nederlanden op verzoek van "onze verzekerde, kantoor Countus" onder meer:
“(…)
Uw cliënten, de heer [geïntimeerde 2] en mevrouw [geïntimeerde 1] houden verzekerde aansprakelijk voor een vermeend foutief advies met betrekking tot het opteren voor een belaste levering die op 1 december 2008 plaatsvond. In de beschikking van 20 februari 2009 heeft de Belastingdienst het verzoek om te opteren ten aanzien van de bedrijfswoning afgewezen. Er was niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 11 lid 1 letter a en lid 5 van de Wet op de Omzetbelasting 1968.
Uw cliënten zijn voornemens een verzoek in te dienen tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Zij vorderen het bedrag van de naheffing terug. Volgens de aanslag van 25 november 2009 gaat het hierbij om een totaalbedrag van € 41.686.
Wij erkennen namens verzekerde dat sprake is geweest van een foutief advies. Het houden van een voorlopig getuigenverhoor lijkt dan ook niet nodig.
(…)
Indien onderkend was dat het opteren voor een belaste levering met betrekking tot de bedrijfswoning niet mogelijk was omdat niet is voldaan aan het 90% criterium, was de situatie naar onze mening echter niet anders geweest dan deze nu is. De omzetbelasting had namelijk sowieso betaald moeten worden. Door de verkoop van de woning was immers een belastingclaim ontstaan. Deze claim had onder normale omstandigheden gespreid over 10 jaar terugbetaald kunnen worden. Nu moet het resterende bedrag in één keer terugbetaald worden. Het enige nadeel dat daardoor zou kunnen zijn ontstaan, is een stukje liquiditeitsnadeel.”
l. [koper] heeft op 1 maart 2011 via e-mail aan de advocaat van [geïntimeerden] (productie 12 dagvaarding in eerste aanleg) bericht:
“Als de verkopende partij had gezegd de verkoop moet in Juli of Augustus plaats vinden hadden wij (kopende partij) mee ingestemd.”
4.2.1
[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank Zwolle -Lelystad bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat Countus is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen in de met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst van opdracht;
- Countus veroordeelt aan [geïntimeerden] te betalen € 48.965,62 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening, althans een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen bedrag;
- Countus veroordeelt in de kosten van de procedure.
4.2.2
Bij tussenvonnis van 2 mei 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat met de brief van 25 januari 2011 (rov. 4.1 sub k) een ondubbelzinnige erkenning is gedaan, die slechts relevantie heeft ten aanzien van het verwijt dat Countus vóór het verstrijken van de tweejaars-termijn is tekortgeschoten (rov. 4.5). De rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar de rol ten einde [geïntimeerden] in staat te stellen het door hen gevorderde bedrag nader toe te lichten. De rechtbank heeft ook bepaald dat van het vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.
4.3.1
Bij memorie van grieven heeft Countus drie grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis en gevorderd dat het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis zal vernietigen met terugverwijzing van de zaak, teneinde de zaak alsnog af te doen met inachtneming van de overwegingen van dat hof, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het appel.
[geïntimeerden] hebben de grieven bestreden.
4.3.2
[geïntimeerden] hebben onder aanvoering van één grief, incidenteel appel ingesteld, en wel tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 van het tussenvonnis, dat de advisering in september 2008 relevantie mist. Zij hebben hierbij gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, maar uitsluitend op hetgeen in het incidenteel appel is aangevoerd, met terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank.
Countus heeft de grief bestreden.
4.3.3.1 Bij tussenarrest van 18 februari 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat in de grieven I en II in principaal appel terecht wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de onjuiste advisering in april 2008 vaststaat op grond van de brief van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van Countus. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de factuur van 24 juni 2008 een sterke aanwijzing vormt dat Countus wél in april 2008 [geïntimeerden] heeft geadviseerd over belaste of onbelaste verkoop. Het hof heeft vervolgens aan die factuur het vermoeden ontleend dat het gewraakte advies wel is gegeven, waarna Countus is toegelaten tot tegenbewijs.
Bij eindarrest van 6 januari 2015 heeft het hof het bijgebrachte bewijs besproken en geoordeeld - zakelijk weergegeven - dat Countus geslaagd is in het tegenbewijs, waarmee niet is komen vast te staan dat Countus in april 2008 toerekenbaar tekortgeschoten is in de aan [geïntimeerden] geboden advisering. Daarmee, aldus het hof Arnhem-Leeuwarden, slagen de grieven in het principaal appel.
4.3.3.2 Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in het tussenarrest ter zake het incidentele hoger beroep overwogen (rov. 5.9):
“ Indien Countus wel in haar bewijs slaagt, is het incidentele appel mogelijk wel van belang. Alsdan is de onjuiste advisering rond de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet meer aan de orde. [geïntimeerden] stellen dat zij dan nog aanspraak hadden kunnen maken op, naar zij stellen, de gemiste kans om van [koper] een hogere koopprijs te bedingen. Het hof verwerpt het incidenteel appel. Enig bewijs dat [koper] bereid was een hogere koopprijs te betalen dan hij daadwerkelijk heeft betaald, ontbreekt. Een bewijsaanbod op dat punt ligt niet voor. Voorts is de conceptkoopakte aan Countus voorgelegd nadat de koop reeds was gesloten. Een schriftelijke koopovereenkomst is ingevolge artikel 7:2 BW bij de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak uitsluitend vereist, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dat [koper] daaraan voldoet, is niet gesteld, terwijl de omstandigheden dat hij een bedrijfsterrein kocht en opteerde voor belaste levering aanwijzingen voor het tegendeel opleveren. Derhalve neemt het hof aan dat er in september 2008 op het moment dat Countus naar de koopakte keek, al sprake was van een perfecte koopovereenkomst zonder mogelijkheid van prijsaanpassing.”
Bij eindarrest van 6 januari 2015 heeft het hof ten aanzien van het incidenteel appel overwogen (rov. 2.9) dat nu in het tussenarrest van 18 februari 2014 reeds is geoordeeld dat de latere advisering in september 2008 de gang van zaken niet meer had kunnen keren, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot schadevergoeding niet toewijsbaar zijn.
4.3.3.3 Het hof heeft tenslotte bij eindarrest het vonnis vernietigd, de zaak aan zich gehouden en de vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen. [geïntimeerden] zijn veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en van het principale hoger beroep. Countus is veroordeeld in de kosten van de procedure in het incidenteel appel.
4.4
[geïntimeerden] hebben cassatie ingesteld. Zij hebben daarin één middel voorgedragen, bestaande uit de onderdelen a tot en met d. Het middel richt zich enkel tegen de verwerping van het incidenteel appel in rov. 5.9 van het tussenarrest en rov. 2.9 van het eindarrest.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het middel overwogen dat de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat Countus aan haar verweer niet ten grondslag heeft gelegd dat op het moment dat zij naar de koopakte keek, al sprake was van een perfecte koopovereenkomst die niet meer voor wijziging vatbaar was.
De Hoge Raad heeft er verder op gewezen dat [geïntimeerden] hebben aangeboden hun stellingen te bewijzen door het horen van de getuigen en de koper [koper] . [geïntimeerden] hebben ook, aldus de Hoge Raad, gesteld dat als Countus hen in september 2008 correct had geadviseerd, [geïntimeerden] de koopprijs vóór ondertekening van de koopakte hadden kunnen vermeerderen met het bedrag van de later gebleken door hen verschuldigde omzetbelasting ad € 48.965,62, en dat [koper] stellig bereid zou zijn geweest die verhoging te aanvaarden. Gelet daarop is het, aldus de Hoge Raad, onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat geen bewijsaanbod voorligt. De Hoge Raad heeft vervolgens de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014 en 6 januari 2015 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
4.5
Gelet op de inhoud van het voorgedragen cassatiemiddel dient thans nog enkel het incidenteel hoger beroep te worden beoordeeld. In dat beroep voeren [geïntimeerden] aan dat Countus toerekenbaar is tekortgeschoten omdat zij, toen vóór 17 september 2008 de conceptakte aan haar werd voorgelegd (zie nrs. 6-7 en 21-23 dagvaarding in eerste aanleg), heeft verzuimd om [geïntimeerden] er op te wijzen dat [geïntimeerden] het verkochte object niet meer vermeerderd met Omzetbelasting konden leveren, terwijl [koper] wel bereid was om die belasting voor zijn rekening te nemen.
4.6
Uit hetgeen [geïntimeerden] in nr. 21 dagvaarding in eerste aanleg en nrs. 9-10 en 12 memorie van antwoord tevens incidenteel appel hebben aangevoerd, blijkt voldoende duidelijk dat zij aan hun vordering mede ten grondslag hebben gelegd dat de koopprijs nog vermeerderd had kunnen worden met € 48.965,62 (zie nr. 12 memorie van antwoord tevens incidenteel appel) als Countus toen haar vóór 17 september 2008 de conceptakte werd voorgelegd (volgens Countus in nr. 6 conclusie van antwoord is dat op 15 september 2008 gebeurd), had meegedeeld dat [geïntimeerden] bij verkoop en levering van de gehele onroerende zaak de volledige btw zouden moeten afdragen aan de fiscus. [koper] zou, zo hebben zij verder in nr. 12 memorie van antwoord tevens incidenteel appel aangevoerd, stellig bereid zijn geweest die prijsverhoging te aanvaarden.
4.7
Countes heeft met het door haar onder nr. 8 conclusie van antwoord gestelde inhoudende dat zij nog wel wil erkennen dat zij op 15 september 2008 niet heeft gewezen op de tweejaarstermijn, erkend, in elk geval niet voldoende betwist, dat zij op of omstreeks 15 september 2008 had moeten vertellen dat [geïntimeerden] als verkoper door het tijdsverloop bij verkoop ineens de volledige herzienings-btw zouden moeten betalen (zie nr. 7 conclusie van antwoord). Het hof acht het nalaten van die mededeling een toerekenbare tekortkoming. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountantskantoor mag immers worden verwacht dat zij, als een bij haar bekende relatie als [geïntimeerden] (zie rov. 4.1 sub a, b en d) een concept-overeenkomst als de onderhavige aan haar voorlegt, die relatie er in elk geval op wijst dat de tweejaarstermijn waarbinnen het nog mogelijk is om te leveren zonder dat de verkoper btw-plichtig is, is verstreken. Een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountantskantoor behoort vervolgens die haar bekende relatie mee te delen dat zij als verkoper verplicht is bij de verkoop en levering de btw af te dragen. Kort gezegd: Countus had toen haar de concept-akte werd voorgelegd, aan [geïntimeerden] moeten vertellen dat zij de btw niet konden verleggen, maar zelf meteen zouden moeten betalen.
4.8
De volgende vraag die moet worden beantwoord is of door deze toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Countus die schade is ontstaan die thans door [geïntimeerden] wordt gevorderd. [geïntimeerden] stellen wat dit betreft, zo begrijpt het hof, dat [koper] bereid zou zijn geweest om de betreffende omzetbelasting als prijsverhoging te accepteren en te betalen. Terzijde merkt het hof op dat volgens [geïntimeerden] Countus die te betalen belasting bij brief van 20 oktober 2009 zou hebben berekend op € 43.525,- (nr. 14 dagvaarding in eerste aanleg). Die volgens [geïntimeerde 1] door hen als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde brief is in eerste aanleg (zie rov. 4.8 van het vonnis van 2 mei 2012) noch in dit hoger beroep overgelegd.
Countus heeft betwist dat [koper] bereid zou zijn geweest om meer te betalen dan het in de concept-overeenkomst genoemde bedrag van € 600.000,-. Zij heeft er hierbij onder meer op gewezen dat [geïntimeerden] op 9 april 2009 [koper] bij brief hebben laten weten dat hij de omzetbelasting van € 114.000,- is verschuldigd (productie 7 inleidende dagvaarding), maar dat [koper] kennelijk niets heeft betaald. Countus wijst er verder op dat er rekening mee moet worden gehouden dat volgens de koopakte in de koopprijs van € 600.000,- een bedrag is opgenomen van € 25.000,- voor zaken als airconditioning, verlichtingsarmaturen, enz.
4.9
Het hof acht het niet onvoorstelbaar dat, ook als een bedrag zou zijn vermeld in de aan Countus voor advies overgelegde concept-overeenkomst, dit bedrag in onderling overleg tussen [geïntimeerden] en [koper] nog zou kunnen worden aangepast. Gelet op het feit dat advies wordt gevraagd aan de hand van een concept-overeenkomst, kan immers niet zonder meer worden geconcludeerd dat al sprake was van een definitieve niet te wijzigen overeenkomst. Anders dan Countus aanvoert in haar memorie na verwijzing ligt in de stellingen van [geïntimeerden] verder niet besloten dat niet meer over de prijs kon worden onderhandeld. Wat dit betreft moet de dagvaarding in eerste aanleg in volledigheid worden gelezen. Aan alleen de zin in nr. 6 van die dagvaarding inhoudende dat in september 2008 overeenstemming is bereikt over een koopsom van € 600.000,-, komt daarom, gelet op hetgeen in die dagvaarding verder onder de nrs. 21-23 is vermeld, geen doorslaggevende betekenis toe. Het hof begrijpt dat [geïntimeerden] aanbieden om te bewijzen dat [koper] bereid zou zijn geweest om bovenop het bedrag van € 600.000,- nog wegens btw-last te betalen € 48.965,62 (zie nr. 29 dagvaarding in eerste aanleg). Het hof zal hen tot dit bewijs toelaten. Het hof merkt daarbij op dat dit bedrag van € 48.965,62 niet is onderbouwd met bijvoorbeeld een bewijs van betaling door [geïntimeerden] aan de fiscus noch door een aanslag van de fiscus waarop dit bedrag is vermeld. In de brief van 25 januari 2011 (sub k van rov. 4.1) is wel vermeld dat het volgens de aanslag van 25 november 2009 gaat om een totaalbedrag van € 41.686.
4.10
Het oordeel om [geïntimeerden] toe te laten tot bewijslevering op voornoemde grondslag brengt met zich dat het tussenvonnis van 2 mei 2012, waarvan beroep, niet in stand kan blijven. Het hof ziet in het tijdsverloop tussen de dag waarop de dagvaarding in eerste aanleg is betekend, 23 juni 2011, en de dag waarop dit arrest wordt uitgesproken, voldoende reden om de zaak aan zich te houden op de voet van art. 356 Rv. Bewijs moet dus worden geleverd ten overstaan van dit hof.
4.11
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
5. De uitspraak
Het hof:
laat [geïntimeerden] toe tot het leveren van bewijs dat [koper] in september 2008 bereid zou zijn geweest om bovenop het bedrag van € 600.000,- nog wegens btw-last te betalen € 48.965,62;
bepaalt, voor het geval [geïntimeerden] bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.R. Sijmonsma als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 9 mei 2017 voor opgave van het aantal getuigen zijdens [geïntimeerden] en van de verhinderdata van de verschenen partij(en), hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerden] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 april 2017.
griffier rolraadsheer