25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/59.2:59.2 Het ‘bovenindividuele perspectief’ in de rechterlijke rechtsvorming: kennis van de omvang en diversiteit van de problematiek
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/59.2
59.2 Het ‘bovenindividuele perspectief’ in de rechterlijke rechtsvorming: kennis van de omvang en diversiteit van de problematiek
Documentgegevens:
prof. mr. J.C.A. de Poorter, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. J.C.A. de Poorter
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door de inrichting van de rechterlijke procedure als een partijenproces dat is gericht op het beslechten van een concreet tussen partijen bestaand geschil is de rechter in zekere zin beperkt in de uitoefening van zijn rechtsvormende taak. De rechter moet het nu vooral doen met hetgeen partijen hem aanreiken en dat betreft over het algemeen informatie die betrokken is op de feitelijke situatie in het individuele geval. Bij het formuleren van nieuw recht is echter ook andersoortige informatie nodig; informatie die betrekking heeft op de macrogevolgen van de rechterlijke beslissing. Vragen naar wat de beslissing in dit geval gaat betekenen voor andere, enigszins vergelijkbare gevallen en wat voor effecten, waaronder mogelijke neveneffecten de rechterlijke beslissing heeft voor de rechtspraktijk. Het gaat dan dus om de gevolgen die de individuele partijen overstijgen.
Een mooi voorbeeld van een geval waarin eerst een richtinggevende uitspraak werd gedaan nadat de ABRvS voldoende zicht had op de grote diversiteit in de casuïstiek, vormt de zogenaamde Alcoholslotzaak. De ABRvS oordeelde in die zaak over de verbindendheid van de regeling waarop het alcoholslotprogramma was gebaseerd.1 Met de beslissing van de ABRvS in de zaak die leidde tot haar uitspraak van 4 maart 2015 besliste ze in wezen ook al die zaken die op dat moment bij de rechtbanken werden aangehouden. Ze kon dat echter pas doen, nadat ze al vele zaken eerder had beoordeeld die tezamen een zodanig beeld opleverden dat de maatregel in bepaalde categorieën van gevallen wel heel onevenredig uitwerkte. Dat rechterlijke rechtsvorming zich karakteriseert door het zetten van ‘one step at the time’ is zo, maar is vaak ook ingegeven doordat de rechter eerst een beeld moet hebben van de omvang van het probleem en van de diversiteit aan casusposities. Dat kost echter tijd en het betekende in dit geval ook dat de uitspraak van de ABRvS voor velen ‘te laat’ kwam. De samenleving vraag sturing en waar die van de rechter moet komen is tijd kostbaar. De rechter heeft het echter te doen met de zaak die aan hem wordt voorgelegd en niet altijd ligt de rechtsvraag in haar meest zuivere vorm en in al haar veelzijdigheid ter tafel. Bovendien hebben rechters het probleem dat zij maar moeilijk kunnen overzien wat het voor de vele op deze zaak gelijkende gevallen betekent als ze in dit geval linksaf of rechtsaf buigen. Meer zicht op de omvang en de veelkleurigheid van het achterliggende probleem kan bijdragen aan de kwaliteit van de rechterlijke rechtsvorming.
Eén van de opgaven waar wij ons in het bestuursrecht voor gesteld zien in de komende jaren is na te denken over hoe we de rechtsvormende taak van de hoogste bestuursrechters zo goed mogelijk kunnen faciliteren. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe kunnen we dat bovenindividuele aspect dat eigen is aan de uitoefening van die rechtsvormende taak een plaats geven in procedures voor de hoogste bestuursrechters?