Open normen in het Europees consumentenrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/5.10:5.10 Conclusie
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/5.10
5.10 Conclusie
Documentgegevens:
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498473:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hartwell 2005, p. 57.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
353. Noemenswaardig voor wat betreft de implementatie van de norm in het Engelse recht is het omzetten van het goede trouw-criterium. De rechter gebruikt de goede trouw om invulling te geven aan de `procedural unfairness' maar ook aan de `substantive unfairness'. In het eerste geval is er weinig verschil met de common law en de UCTA 1977 maar in het tweede geval is er sprake van een vergaande toetsing van de contractsinhoud die een omwenteling vormt in het Engelse recht. In dit opzicht is niet zozeer de goede trouw de meest voor het Engelse recht vernieuwende norm geweest, maar heeft de aanzienlijke verstoringstoets de grootste veranderingen teweeggebracht door een grote hoeveelheid bedingen aan een inhoudelijke beoordeling bloot te stellen.
Voor wat betreft de uitleg en toepassing van de norm vallen op, het naar de hoeveelheid meegewogen omstandigheden ruime karakter van de rechterlijke verstoringstoets (`substantive reasoning'-methode) en het specifieke karakter van de meegewogen omstandigheden (`contextual adjudication'). Kenmerkend voor de Engelse omgang met de richtlijnnorm is het sinds haar introductie gemaakte onderscheid tussen de procedurele en inhoudelijke oneerlijkheid en tussen de freedom-oriented' en de fairness-oriented' benadering. De `substantive unfairness' en de faimess-oriented' benadering krijgen in vergelijking met de periode voorafgaand aan de richtlijn meer aandacht maar hebben de uit het bestaande recht voortkomende `procedural unfairness' en "freedom-oriented'-aanpak zeker niet uitgeschakeld.
De Engelse toets laat zich het beste beschrijven als een 'cumulatieve' concrete toets waarin sprake moet zijn van zowel inhoudelijke als procedurele oneerlijkheid. Naar welke kant de balans bij de vaststelling van beide oneerlijkheidsvormen uitvalt, wordt bepaald door de keuze voor de "firedom-oriented' of de faimess-oriented' benadering. Wat over de toepassing van de redelijkheidstoets uit de UCTA 1977 werd gesteld, is evenzeer van toepassing op de omgezette richtlijntoets:
`(...) it permeates all the fairness rules currently in existence in English law, both in the context of specific doctrines of procedural fairness and the more flexible doctrines of substantive fairness. '1
De rechterlijke toetsing is nogal onvoorspelbaar. De wijze van toetsing, de aard van de toets en de toetsingssystematiek zijn hieraan debet. Het zwaartepunt voor wat betreft de handhaving ligt echter bij de OFT, die een meer consistente want abstracte toetsingswijze hanteert. De actieve beschermende rol van de toezichthouder, die een zeer gestroomlijnde aanpak volgt en zo nodig de gang naar de rechter inzet, contrasteert met de beperkte betekenis van collectieve acties ingesteld door consumentenorganisaties en de geringe impact van de ambtshalve toetsingsplicht.