HR, 10-11-2023, nr. 21/02350
ECLI:NL:HR:2023:1533
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-11-2023
- Zaaknummer
21/02350
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑11‑2023
ECLI:NL:HR:2023:1533, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑11‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:1364
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2023/1577
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/1126
V-N 2023/52.15 met annotatie van Redactie
NLF 2023/2624 met annotatie van Heleen Elbert
NTFR 2024/102 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
BNB 2024/17 met annotatie van A.O. LUBBERS
Viditax (FutD) 2023111007
FutD 2023-2878
Beroepschrift 10‑11‑2023
GRONDEN VAN CASSATIE, GRIEVEN
Betrokkene, [X], woonachtig te [Z], kiest te dezer zake domicilie te […], ten kantore van advocaat mr. T.P. Boer, die door hem bepaaldelijk gevolmachtigd is deze gronden van cassatie /grieven in te dienen en die te dezer zake voor hem zal optreden met het recht van substitutie.
Betrokkene kwam eerder middels een cassatie beroepschrijft in beroep tegen de uitspraak het Hof 's‑Hertogenbosch (kenmerk 20/00273 t/m 20/00277) (zie Productie 1)). Betrokkene [X], eiser in cassatie, kan zich met deze uitspraak niet verenigen.
Dit cassatie beroep berustte op nader aan te voeren gronden/grieven. Deze gronden/grief treft u hieronder aan.
Gronden van cassatie/grieven
1.
Vooropgesteld, Uw Raad is geen feitenrechter, al valt er in die zin inzake het feitenrelaas in de uitspraak bij het Hof voldoende op te merken. Zo zijn er wel degelijk zaken besproken (gebeld met de Belastingtelefoon), brieven wel en niet ontvangen, excuses gemaakt en nieuwe brieven verstuurd. Edoch, Uw Raad is geen feitenrechter, en kan daarover dus geen oordeel geven, anders dan thans een oordeel te geven over de correcte toepassing van het recht door het Hof. [X] hecht er echter wel aan dat te vermelden, omdat de stellingen van de Belastingdienst (verweerder) met name zien op het stellen dat [X] veel fout heeft gedaan (feitelijk), terwijl dit niet zo is. In de kern kan [X] echter alleen grieven tegen de correcte toepassing van het recht, hetgeen [X] ook thans zal doen. Hij grieft daarbij tegen de incorrecte toepassing door het Hof van artikel 84 Wet Mrb en het ontvangen van rekeningen.
2.
[X] vervat dat in de navolgende grief.
Grief incorrecte toepassing artikel 84a Wet Mrb na ontschorsen van dat voertuig.
3.
Het Hof stelt dat de overgangsregeling voor oldtimers slechts wordt toegepast op verzoek (artikel 84 a lid 2 Wet Mrb). Dat verzoek kan volgens lid 5 van dit artikel ook de betaling op de acceptgiro zijn (immers, de wet zegt dat dit met kenmerk moet, zie lid 5 van artikel 84 a Wet Mrb). Dat kenmerk is alleen maar bekend als er een acceptgiro is ontvangen, waarbij na betaling van die acceptgiro onder het kenmerk als wordt vermeld in de acceptgiro aldus, die betaling wordt gezien als verzoek.
4.
Overigens wordt het verzoek als vallen onder de overgangsregeling ex artikel 84 a lid 2 Wet Mrb gezien als het doen van aanvullende aangifte, gezien lid 4 van dit artikel uit de wet Mrb.
5.
Het Hof overweegt vervolgens (zie r.o. 4.3 en 4.4) dat indien [X] de acceptgiro's niet zou hebben ontvangen, en dat heeft hij ook niet, hij dan zelf een verzoek had moeten doen om onder de overgangsregeling te vallen (dan daartoe in aanmerking te komen).
6.
Aldus, de weg van 84 a Wet Mrb lid 5 (betaling via kenmerk) ligt dan niet open (immers, er is geen acceptgiro met kenmerk wat aldus niet kan leiden tot het doen van een verzoek om voor de regeling in aanmerking te komen), maar dan zou er zelfstandig een verzoek moeten volgen ex lid 2 van artikel 84 a.
7.
Echter, wat hier is gebeurd is dat de voertuigen uit schorsing zijn gehaald door [X].
8.
Wordt een voertuig ontschorst, dus uit de schorsing gehaald, dan wordt er een navorderingsaanslag verstuurd gekoppeld aan het kenteken, waarbij duidelijk is dat dit een Oldtimer was gezien de kentekengegevens, en overigens ook gezien het feit dat dit eerder nooit mis is gegaan (ingevolge artikel 69 Wegenverkeerswet (ontschorsen) en artikel 19 Wet Mrb) Aldus is het ontschorsen reden om een naheffingsaanslag te zenden (een acceptgiro op grond van artikel 19 lid 1 Wet Mrb en uit de schorsing halen artikel 21 Wet Mrb), en die is er niet geweest. Die naheffingsaanslag ziet op zoals de tekst van artikel 19 lid 1 Wet Mrb is weergegeven voor dat motorrijtuig (waarbij weer wordt verwezen naar de We genverkeerswet).
9.
Met andere woorden: [X] grieft tegen het feit dat in zijn praktijk waarin hij zijn voertuigen met kentekens geschorst heeft (waarvoor hij eerder op die kentekens het oldtimerstarief betaalde), hij deze ontschorst, dan de wettelijke bepaling voor hem zou moeten zijn volgens artikel 84 a lid 2 Wet Mrb. [X] stelt dat hij ingevolge artikel 19 Wet Mrb, artikel 21 Wet Mrb en artikel 69 Wegenverkeerswet een acceptgiro had moeten ontvangen voor dat voertuig ingevolge de oldtimersregeling, zoals dat normaal ging (voor een oude auto), en daar niet nogmaals een nieuw verzoek voor had moeten doen ex artikel 84 a lid 2 Mrb.
10.
Ergo, het oordeel van het Hof dat opteren voor de regeling van artikel 84 a lid 2 Mrb in de situatie van ontschorsen ook op de weg van [X] lag, is onjuist, want uit de wettelijke systematiek als hierboven beschreven had [X] een aanslag op basis van het overgansgregime moeten ontvangen (hetgeen hij ook immer kreeg eerder) na die (tweemaal dat, twee voertuigen) te hebben ontschorst.
11.
[X] had daarom niet achteraf, na niks te hebben ontvangen eerst, mogen worden aangeslagen voor vol tarief omdat hij niet onder de regeling zou vallen, en er anders maar voor had moeten opteren (verzoeken, aldus het Hof). Dat is onjuist.
12.
Het Hof is aldus uitgegaan van een verkeerde toepassing van het recht, en deze uitspraak zou aldus door Uw Raad moeten worden vernietigd.
[X] verzoekt Uw Raad aldus:
- —
de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch onder kenmerk 20/00273 t/m 20/00277 d.d. 6 mei 2021 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, dan wel het beroep alsnog gegrond te verklaren, dan wel deze zaak toe te wijzen aan een ander Gerechtshof ter afdoening van deze zaak, daarmee rekening houdend met Uw uitspraak;
- —
onder veroordeling van verweerder in de kosten beroep, hoger beroep en cassatie aan de zijde van [X] (die procedeert op toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand).
Uitspraak 10‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Motorrijtuigenbelasting; art. 84a Wet mrb; overgangsregeling; beëindiging van de schorsing van het kenteken voor een oldtimer in de loop van en kalenderjaar; verzoek om toepassing van overgangstarief.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/02350
Datum 10 november 2023
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 mei 2021, nrs. 20/00273 tot en met 20/002771., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/7328 tot en met BRE 18/7330, BRE 19/920 en BRE 19/921) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.P. Boer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Nadien heeft T.P. Boer – met toestemming van de Hoge Raad – het cassatieberoep aangevuld met een middel dat de uitspraak van het Hof bestrijdt op de grond dat zich bij de beëdiging van een van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gedaan, een onvolkomenheid heeft voorgedaan.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is houder als bedoeld in artikel 7, lid 1, letter a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) van twee motorrijtuigen. Deze motorrijtuigen zijn op 16 oktober 1979 respectievelijk 30 juni 1986 voor het eerst toegelaten tot de weg (hierna: de twee oldtimers).
2.2
Hoofdstuk XA van de Wet voorziet voor oudere motorrijtuigen in een overgangsregeling die zich uitstrekt tot het kalenderjaar 20282.(hierna: de overgangsregeling). Op grond van het tot dit hoofdstuk behorende artikel 84a van de Wet kunnen houders van een motorrijtuig dat vóór 1 januari 1988 in gebruik is genomen, maar waarvan het tijdstip van eerste ingebruikneming nog geen 40 jaar geleden is, voor een tijdvak van een kalenderjaar op verzoek en onder voorwaarden in aanmerking komen voor toepassing van een verlaagd tarief van motorrijtuigenbelasting (hierna: het overgangstarief).
2.3
Met het oog op gebruikmaking van de overgangsregeling voor het kalenderjaar 2018 heeft de Inspecteur belanghebbende voor elk van de twee oldtimers een zogenoemde rekening, met dagtekening 20 november 2017, gestuurd voor dat kalenderjaar. Het in die rekening vermelde bedrag aan motorrijtuigenbelasting is berekend naar het overgangstarief. De rekening vermeldt als uiterste betaaldatum 31 december 2017.
2.4
Belanghebbende heeft voor geen van de twee oldtimers vóór 1 januari 2018 een bedrag aan motorrijtuigenbelasting betaald. Hij heeft de kentekens van de twee oldtimers vanaf 27 december 2017 doen schorsen als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. Deze schorsingen heeft hij doen beëindigen op 13 april 2018 respectievelijk 25 mei 2018. Daaraan voorafgaand noch daarna heeft hij voor de twee oldtimers een bedrag aan motorrijtuigenbelasting betaald.
2.5
De Inspecteur heeft op 19 juni 2018 respectievelijk 31 juli 2018 voor elk van de twee oldtimers een rekening voor verschuldigde motorrijtuigenbelasting verstuurd aan belanghebbende. Daarin zijn de bedragen aan motorrijtuigenbelasting berekend naar het normale tarief voor de resterende duur van de tijdvakken van elk drie maanden, aanvangend na de beëindiging van de schorsing voor elk van de twee oldtimers, en de daaropvolgende tijdvakken. Belanghebbende heeft deze rekeningen ontvangen, maar niet betaald.Ook de rekening voor de motorrijtuigenbelasting die de Inspecteur op 17 september 2018 voor een van de twee oldtimers aan belanghebbende heeft gestuurd voor het tijdvak 19 september 2018 tot en met 18 december 2018 en berekend naar het normale tarief, heeft belanghebbende niet betaald.
2.6
Omdat betaling van de motorrijtuigenbelasting voor de twee oldtimers is uitgebleven, heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting aan belanghebbende opgelegd, steeds naar het normale tarief van de motorrijtuigenbelasting voor tijdvakken van drie maanden in 2018. Daarbij heeft hij belanghebbende telkens een boete opgelegd op grond van artikel 67c AWR.
2.7.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor de twee oldtimers in aanmerking komt voor toepassing van het overgangstarief zoals neergelegd in artikel 84a van de Wet.
2.7.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de rekening die de Belastingdienst de houder van een kenteken stuurt, slechts een mededeling is van de omvang van de verschuldigde belasting en dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende de rekeningen naar het overgangstarief niet zou hebben ontvangen, dit niet ertoe kan leiden dat hij wordt ontheven van zijn betalingsverplichting. Volgens het Hof had belanghebbende, indien hij deze rekeningen inderdaad niet heeft ontvangen, uit eigen beweging maatregelen moeten nemen om de belasting tijdig te voldoen. Het is immers belanghebbende die een beroep wenst te doen op de overgangsregeling en daartoe dient hij zelf een verzoek te doen, aldus het Hof. Het uit de schorsing halen van de twee oldtimers is, anders dan belanghebbende stelt, daartoe niet voldoende.Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur dan ook terecht rekeningen naar het normale tarief verstuurd en heeft hij vervolgens vanwege het niet-betalen daarvan, terecht de naheffingsaanslagen en de boetes opgelegd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten richten zich tegen de hiervoor in 2.7.2 weergegeven oordelen van het Hof. De klachten stellen voorop dat wanneer een voertuig uit de schorsing wordt gehaald, door de inspecteur een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting wordt opgelegd die is gekoppeld aan het kenteken van dat voertuig. Gezien de kentekengegevens had het de Inspecteur duidelijk moeten zijn dat beide voertuigen een oldtimer zijn en dat voor die oldtimers voor een eerder kalenderjaar het overgangstarief was betaald. Belanghebbende had daarom, aldus de klachten, op de voet van de artikelen 19 en 21 van de Wet en artikel 69 van de Wegenverkeerswet 1994 voor de twee oldtimers eerst een rekening voor de overgangsregeling moeten ontvangen, zoals dat normaal gebeurt voor een oldtimer. Belanghebbende hoefde dus niet bij de beëindiging van elk van de schorsingen in 2018, op grond van artikel 84a, lid 2, van de Wet, opnieuw een verzoek om toepassing van de overgangsregeling te doen.
3.2
Bij de beoordeling van de klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
3.2.1
Volgens artikel 84a, lid 1, van de Wet is bij toepassing van de overgangsregeling, in afwijking van artikel 10 van de Wet, het tijdvak een kalenderjaar. Op verzoek geldt voor een geheel kalenderjaar het in artikel 84a, lid 2, van de Wet bedoelde tarief (het overgangstarief). Voor de toepassing van het overgangstarief geldt een aantal voorwaarden, die in artikel 84a, lid 3, van de Wet zijn neergelegd. Die voorwaarden houden onder meer in dat gedurende de maanden januari, februari en december van het desbetreffende kalenderjaar met het motorrijtuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt en dat het naar het overgangstarief verschuldigde bedrag aan motorrijtuigenbelasting is betaald bij de aanvang van het tijdvak van een kalenderjaar.
3.2.2
Op grond van artikel 84a, lid 4, van de Wet wordt een op de voet van artikel 84a, lid 2, van de Wet gedaan verzoek aangemerkt als het doen van een aanvullende aangifte.
3.2.3
Artikel 84a, lid 8, van de Wet schrijft voor dat indien niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 84a, lid 3, van de Wet gestelde voorwaarden, dit wordt aangemerkt als een verandering aan het motorrijtuig en dat de houder een aanvullende aangifte moet doen uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dag dat niet of niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
3.2.4
In artikel 84a, lid 10, van de Wet is bepaald dat bij gebruikmaking van de overgangsregeling de artikelen 11, 12, 13, 15, lid 3, 17, lid 4, 18, 19, 20, 21, 27, 30, 33, leden 2, 3, en 4, en 36 van de Wet buiten toepassing blijven. In de artikelen 19 tot en met 21 van de Wet zijn de voorschriften opgenomen over heffing en teruggaaf van motorrijtuigenbelasting zoals die – als regel – gelden voor tijdvakken waarin voor het motorrijtuig een schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.
3.2.5
Het staat de houder van een motorrijtuig als hiervoor in 2.2 bedoeld, vrij om gebruik te maken van de hiervoor in 3.2.1 tot en met 3.2.4 in essentie weergegeven overgangsregeling. De in artikel 84a van de Wet neergelegde voorwaarden voor het kunnen toepassen van de overgangsregeling gelden voor een heel kalenderjaar en brengen daarom mee dat de houder die gebruik wenst te maken van het overgangstarief, deze keuze volgens die wettelijke regeling vóór de aanvang van dat kalenderjaar kenbaar moet maken door betaling van het overgangstarief.
3.3
Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – vastgesteld dat belanghebbende voorafgaand aan het kalenderjaar 2018 voor geen van de twee oldtimers motorrijtuigenbelasting naar het overgangstarief heeft voldaan en dat belanghebbende bij beëindiging van de schorsing geen verzoek als bedoeld in artikel 84a, lid 2, van de Wet heeft gedaan.De hiervoor in 3.1 weergegeven stelling dat het bij het in de loop van een kalenderjaar beëindigen van een schorsing niet nodig is om te verzoeken om toepassing van de overgangsregeling miskent dat voor het kunnen toepassen van de overgangsregeling de hiervoor in 3.2.4 vermelde wettelijke bepalingen, waaronder dus ook de artikelen 19 en 21 van de Wet, niet van belang zijn. De houder van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 84a, lid 3, van de Wet die voor dat motorrijtuig niet voorafgaand aan een kalenderjaar het overgangstarief heeft betaald maar vóór aanvang van dat kalenderjaar de tenaamstelling van dat motorrijtuig in het kentekenregister heeft doen schorsen, kan daarom aan de Wet geen steun ontlenen voor de opvatting dat de inspecteur bij beëindiging van de schorsing gedurende dat kalenderjaar, de houder eerst de gelegenheid moet bieden een aanvullende aangifte als bedoeld in artikel 84a, lid 4, van de Wet te doen en daarbij een rekening, berekend naar het overgangstarief, te sturen, dan wel bij niet-betalen van die rekening hem een naheffingsaanslag, berekend naar het overgangstarief, op te leggen. De klachten falen daarom in zoverre.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
4.1
In deze procedure is beroep in cassatie ingesteld op 16 juli 2021. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.
4.2
Wat betreft de naheffingsaanslagen leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daarom niet heeft verzocht.
4.3
Wat betreft de boetebeschikkingen ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden. Omdat de boetes elk minder belopen dan € 1.000, is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM, de verdragsschending voldoende gecompenseerd.3.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑11‑2023
Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3, blz. 54.
Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.