Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.3.1.5:2.3.1.5 De zelfstandige bestuursorganen
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/II.2.3.1.5
2.3.1.5 De zelfstandige bestuursorganen
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS583168:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de regeringsambten en de gewone, departementale organisatie, bestaat het centrale Nederlandse bestuur uit zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: Kaderwet zbo’s), die op 1 februari 2007 in werking is getreden, geeft een beperkt aantal algemene regels voor de zbo’s. Artikel 1 van deze wet definieert een zbo als een bestuursorgaan van de centrale overheid dat bij de wet, krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur of krachtens de wet bij ministeriële regeling met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister. Voorbeelden van zbo’s zijn het Commissariaat voor de Media (artikel 7.1 Mediawet), de Kiesraad (artikel A1 Kieswet), het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 2 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) en de Nationale Mededingingsautoriteit (artikel 2 Mededingingswet).
Een zbo kan uitsluitend om bepaalde, in artikel 3 van de Kaderwet zbo’s genoemde redenen, worden ingesteld. De redenen zijn behoefte aan specifieke deskundigheid, bij strikt regelgebonden uitvoering in een groot aantal individuele gevallen (de ‘beschikkingenfabriek’) en als participatie van maatschappelijke organisaties wenselijk is.
Zoals gezegd, zijn de zbo’s niet ondergeschikt aan een minister. Dit betekent dat de betrokken minister slechts voor zover sprake is van wettelijke bevoegdheden daartoe, invloed kan uitoefenen op de taakuitoefening van het zbo. En slechts in zo verre is hij verantwoordelijk voor het zbo. De Kaderwet zbo’s voorziet in een beperkt aantal bevoegdheden voor de minister. Zo kan de betreffende minister beleidsregels vaststellen met betrekking tot de taakuitoefening door een zbo en een besluit van een zbo vernietigen.1 Het vernietigingsrecht is een middel om het rijksoverheidsbeleid te bewaken. De wetgever heeft de vernietigingsbevoegdheid als een uiterste middel bedoeld, dat slechts met grote terughoudendheid mag worden gebruikt. Hierbij gaat de wetgever er van uit dat onvolkomenheden in beschikkingen van zbo’s in beginsel geredresseerd kunnen en zullen worden door het aanwenden van de ter beschikking staande rechtsmiddelen.2 Uit de Kaderwet zbo’s volgt voorts een informatieplicht van het zbo jegens de minister. Zo moet het zbo op grond van artikel 18 jaarlijks een jaarverslag opstellen en aan de minister (en beide kamers der Staten-Generaal) toesturen en verstrekt het op grond van artikel 20 van de wet desgevraagd alle voor de uitoefening van dienst taak benodigde inlichtingen aan de minister. De overige wetgeving – waaronder de betreffende instellingsregeling – kan overigens aanvullende en afwijkende bepalingen bevatten. De beïnvloedingsmogelijkheden van de verantwoordelijke minister verschillen dus per zbo.