Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.2.4.3
3.2.4.3 Aanvullende werking ten aanzien van een overeenkomst
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS499898:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sieburgh 2018 (Asser/Sieburgh 6-III 2018/403).
Sieburgh 2018 (Asser/Sieburgh 6-III 2018/407).
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749.
Sieburgh 2018 (Asser/Sieburgh 6-III 2018/403) en Schelhaas 2017, p. 6.
Dit onderscheid wordt nog duidelijker benoemd in de bij het betreffende arrest behorende conclusie van de A-G mr. Mok.
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1340, NJ 1994/628.
Dit betreffen de cassatiegronden zoals ingediend door de eiser tot cassatie.
Hof ’s-Hertogenbosch 4 maart 1992, ECLI:NL:GHSHE:1992:AB8708, NJ 1992/779.
Hier was derhalve sprake van een huurovereenkomst, zie artikel 7:201 BW.
Zij verhandelden onderling delen van het terrein.
Zie HR 15 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0176, r.o. 3.
‘dat de gemeente bij het uitoefenen van haar bevoegdheden uit de met Korfer gesloten huurovereenkomsten met betrekking tot de haar in eigendom toebehorende terreinen algemene beginselen van behoorlijk bestuur — met name het gelijkheidsbeginsel — niet in acht heeft genomen en derhalve niet te goeder trouw recht kan doen gelden op betaling van de huurachterstand en van de gebruiksvergoeding voor de periode na 1 april 1984’. (HR 15 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0176, r.o. 3.3).
Hof ’s-Hertogenbosch 4 maart 1992, ECLI:NL:GHSHE:1992:AB8708, NJ 1992/779.
Indien de inhoud van een overeenkomst niet duidelijk is, wordt de overeenkomst uitgelegd met behulp van de redelijkheid en billijkheid. Als die uitleg leidt tot de conclusie dat een leemte bestaat, licht Sieburgh toe dat dit op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid tot gevolg kan hebben dat een nieuw, niet in de wet of in het contract te lezen, recht of verplichting aan de zijde van de schuldeiser of schuldenaar ontstaat1. Zij benoemt dat die aanvullende werking dus twee aspecten kan hebben: het bestaan van een verplichting van een partij tot het verrichten of nalaten van een handeling waarover niets is overeengekomen en het uitbreiden van een overeenkomst met andere rechtsgevolgen dan die zijn overeengekomen.2 Voor dit onderscheid verwijst zij naar een arrest van de Hoge Raad 14 juni 20133:
“3.5.3 Vooropgesteld dient te worden dat indien de rechter ingevolge art. 6:248 lid 1 BW bepaalde rechtsgevolgen verbindt aan een overeenkomst op grond van de redelijkheid en de billijkheid, hij een bestaande rechtsverhouding vaststelt (Parl. gesch. Boek 6, blz. 974). In geval van aanvulling van een leemte in de overeenkomst door de rechter ontstaat dus niet een ‘nieuwe rechtstoestand’, anders dan de rechtbank in rov. 3.33 van het eindvonnis heeft geoordeeld, welk oordeel het hof in rov. 4.40 heeft overgenomen.[…]”
Voor wat betreft het aanvullen van rechtsgevolgen menen onder meer Sieburgh en Schelhaas dat pas een beroep op de redelijkheid en billijkheid gedaan kan worden, indien er geen wettelijke grondslag of een gewoonte is om die leemte aan te vullen.4 Die rangorde is echter niet terug te lezen in artikel 6:248 lid 1 BW.
Uit de wet volgt dat de toets van artikel 6:248 lid 1 BW een andere is dan die van lid 2 van voornoemd artikel. Dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een ander (minder verstrekkend) vereiste is dan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid5, benadrukt de Hoge Raad in een arrest van 15 april 19946:
“3.4 […] Weliswaar moet ervan worden uitgegaan dat in het algemeen geen rente over ter beschikking staande bedragen verschuldigd is, tenzij dit is bedongen of voortvloeit uit de wet, doch, zoals overwogen in HR 16 december 1988, NJ 1989, 433, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, verschuldigdheid van rente meebrengen. […]
3.5 […] De in de onderdelen 1–3 geformuleerde7 bijzondere eisen voor een verschuldigdheid van rente als hier aan de orde is — neerkomend op de eis van ‘uitzonderlijke’ of ‘zwaarwegende’ omstandigheden, onderscheidenlijk op ‘misbruik van bevoegdheid’, ‘onbetamelijkheid’ of ‘onduldbaarheid’ — vinden geen steun in het recht. Weliswaar is het oordeel van de rechter dat zodanige rente verschuldigd is, waar zij niet uitdrukkelijk is overeengekomen, ingrijpend van aard en is zulks van belang bij de beantwoording van de vraag of de eisen van redelijkheid en billijkheid dat oordeel kunnen dragen en welke eisen aan de motivering van dit oordeel behoren te worden gesteld, doch het Hof heeft zulks blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen niet miskend.”
Indien een overheidsorgaan partij is bij een huurovereenkomst, kunnen er voor haar, buiten het contract en de redelijkheid en billijkheid, ook nog aanvullende verplichtingen volgen uit het beginsel ‘behoorlijk bestuur’. Zo toetste Hof ’s-Hertogenbosch (na terugverwijzing door de Hoge Raad) het handelen van een gemeente als verhuurder aan de algemene bepalingen van behoorlijk bestuur.8 Het ging in die kwestie om het gebruik van ruimtes op een industrieterrein. Er was zowel sprake van ‘legale ondernemers’ die bij de gemeente bekend waren en een vergoeding voldeden voor het bij hen in gebruik zijnde terrein9 als van ‘illegale ondernemers’ die elkaar opvolgden en waarvan niet duidelijk was welke oppervlaktes van de terreinen zij benutten10. Deze laatstgenoemde ondernemers waren goeddeels bij de gemeente onbekend en voldeden geen vergoeding voor het terreindeel dat zij in gebruik hadden genomen. De gemeente besloot het gehele terrein te laten ontruimen en bewerkstelligde dat allereerst ten aanzien van haar huurders en daarna van de overgebleven gebruikers (zijnde de illegale ondernemers).
Na de ontruiming van de huurders maakte de gemeente bij een van de legale ondernemers aanspraak op voldoening van een betalingsachterstand ten aanzien van twee door hem gehuurde terreinen. De huurder verweerde zich tegen deze betalingsplicht door te stellen dat de gemeente, door de huurpenningen van hem te vorderen terwijl zij illegale ondernemers zonder vergoeding delen terrein had laten gebruiken, in strijd handelde met het gelijkheidsbeginsel dat de gemeente in acht dient te nemen bij het uitoefenen van haar bevoegdheden met betrekking tot aan haar in eigendom toebehorende onroerende goederen. De huurder meende dan ook dat de vordering van de gemeente tot betaling van de huurachterstand niet te goeder trouw was ten opzichte van hemzelf, omdat het in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat, ook al zou de gemeente onrechtmatig hebben gehandeld door een beleid te voeren zoals door de huurder werd gesteld, de huurder nog altijd gehouden was om de contractueel overeengekomen huurprijs te voldoen. De eventuele onrechtmatigheid van de gemeente zou enkel – zo overwoog de rechtbank – kunnen leiden tot een schadevergoedingsplicht, maar die was niet door de huurder gevorderd.11 De Hoge Raad acht dit oordeel van de rechtbank grond voor terugverwijzing:
“Door dit betoog12 slechts op te vatten als een beroep op onrechtmatig handelen van de gemeente dat niet kan leiden tot ontheffing van zijn contractuele verplichting maar hooguit tot een vordering tot schadevergoeding, heeft de rechtbank het verweer op onbegrijpelijke wijze uitgelegd en op ontoereikende wijze verworpen.”
Na terugwijzing buigt het hof zich opnieuw c.q. alsnog over het voornoemde verweer van de huurder en besluit dit niet te volgen:13
“Er is geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt en niet gesteld kan worden dat de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.”
Het hof onderbouwt dit onder meer door aan te geven dat het vragen van een vergoeding aan de illegale ondernemers een lastige opgave zou zijn geweest voor de gemeente (gelet op de onbekendheid van de gebruikers en de in gebruik genomen delen van het terrein) en dat dit de gemeente tegengewerkt zou hebben, nu de gemeente voornemens was het terrein te ontruimen. Als de gemeente vooraf een vergoeding zou hebben gevraagd aan de illegale ondernemers, dan zouden zij zich op huurrechten hebben beroepen en zou die ontruiming lastiger zijn geweest. Van de gemeente kon om die reden niet verwacht worden dat zij de illegale ondernemers was gaan laten betalen vooruitlopend op de ontruiming.
Gemeentes worden dus aan strengere eisen gehouden dan andere partijen, omdat zij ook moeten voldoen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. In het genoemde voorbeeld werd echter nog altijd rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval (gelijk aan de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid), getuige de overwegingen van het hof.