HR, 23-06-2023, nr. 22/02666
22/02666
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-06-2023
- Zaaknummer
22/02666
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:954, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑06‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1094
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑06‑2023
- Vindplaatsen
V-N 2023/30.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/1076 met annotatie van mr. J. de Haan
NLF 2023/1477 met annotatie van Theo Hoogwout
FED 2023/85 met annotatie van L.C. van Hulten
Viditax (FutD) 2023062313
FutD 2023-1637
Uitspraak 23‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Belastingheffing van functionarissen die werkzaam zijn bij de Europese Octrooiorganisatie en aangemerkt zijn als duurzaamverblijfhouder in Nederland. Schending van het recht van vrij verkeer?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02666
Datum 23 juni 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 juni 2022, nr. BK-21/007301., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/6531) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit. Volgens de Protocollaire Basisadministratie verblijft zij sinds 15 november 1979 onafgebroken in Nederland en is zij vanaf 30 juni 2000 in dienstbetrekking werkzaam bij het Europees Octrooi Bureau (hierna: het EOB) te Rijswijk. Het salaris dat zij geniet van het EOB is vrijgesteld van inkomstenbelasting.
2.2
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aan belanghebbende de status BO/DV toegekend, waarbij BO inhoudt dat belanghebbende behoort tot het administratieve en technische personeel van een internationale organisatie en DV dat zij duurzaam verblijf houdt in Nederland.
2.3
Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.030. De totale waarde van de door haar aangegeven bezittingen bedraagt € 475.209. Onder het inkomen uit werk en woning heeft zij een bedrag van € 60.829 aangegeven als “Vrijgestelde inkomsten als functionaris bij een internationale organisatie”. De Inspecteur heeft de aanslag conform de ingediende aangifte vastgesteld.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
Voor het Hof was in geschil of het inkomen uit sparen en beleggen terecht in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken. Met name was in geschil of artikel 10 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst van 27 juni 20062.(hierna: de Zetelovereenkomst) in strijd is met het vrije verkeer van werknemers van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Zetelovereenkomst niet strijdig is met het EU-recht. Aangezien belanghebbende niet in een andere EU-lidstaat heeft gewoond of gewerkt, heeft zij geen gebruik gemaakt van de verkeersvrijheden en is in zoverre sprake van een zuiver interne situatie, waarop artikel 45 VWEU geen betrekking heeft. Anders dan de belastingplichtigen in de arresten ECLI:NL:HR:2020:4003.en ECLI:NL:HR:2020:4074., bevindt belanghebbende zich niet in dezelfde positie als een EOB-medewerker die vanuit een andere EU-lidstaat is aangeworven.
3.3
Voor zover belanghebbende in cassatie bedoelt te betogen dat het Hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van een zuiver interne situatie, kan dat haar niet baten. In artikel 10, lid 2, van de Zetelovereenkomst is bepaald dat personeelsleden van het EOB die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen en die, zoals belanghebbende, niet onder de regeling voor de hoogste functionarissen uit het eerste lid vallen en niet behoren tot het zogenoemde bedienend personeel, dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 19615.(hierna: het Verdrag) worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd.
Voor deze categorie personeelsleden gelden als gevolg daarvan fiscale voorrechten overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag, waaronder voorrechten met betrekking tot de heffing over voordelen uit sparen en beleggen. In artikel 10, lid 6, van de Zetelovereenkomst is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of – zoals belanghebbende – aangemerkt zijn als duurzaamverblijfhouder in Nederland. Daarmee kent die regeling eenzelfde beperking van de kring van personen die voor de fiscale vrijstellingen in aanmerking komen als artikel 37, lid 2, van het Verdrag.6.De omstandigheid dat belanghebbende door toepassing van deze bepalingen niet anders wordt behandeld dan een persoon met de Nederlandse nationaliteit die nimmer gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer kan, anders dan belanghebbende kennelijk beoogt te stellen, geen aanknopingspunt opleveren voor het oordeel dat haar recht van vrij verkeer is geschonden. In zoverre falen de klachten.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de overige de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑06‑2023
Trb. 2006, 155.
HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:400.
HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:407.
Trb. 1962, 159.
Vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0387, rechtsoverweging 5.3.4.
Beroepschrift 23‑06‑2023
Betreft : Verzoek beroep in Cassatie betreffende de Uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (meervoudige kamer) Nummer BK-21/00730 van 9 juni 2022.
Edelgrootachtbaar College,
Ondergetekende [A], als gemachtigde van Belanghebbende [X] stelt hierbij beroep in Cassatie in bij Uw Raad, tegen de Uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 juni 2022 met kenmerk BK-21/00730-SGR…
Op 15 juli 2022 werd door mij m.b.t. deze zaak een Pro-Forma bezwaar ingediend ter behoud van recht. Hierbij werd reeds een kopie van de Uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 juni 2022 met kenmerk BK-21/00730-SGR bijgevoegd. (Verder aangeduid als [Doc.[1].)
Het huidige document betreft een vervollediging van het als Pro-Forma ingediende Cassatie beroep dossier; hierin komen de volgende onderwerpen aan de orde, zie secties [I] t.m. [VI] :
SECTIE | Blz. | ||
[I] Korte samenvatting van het verzoek tot cassatie | 2 | ||
[II] Cassatie Verzoek en Begronding van dit verzoek | 3 | ||
Onderwerp (zie blz. 2:(*)) : | Gronden : | Middelen/Argumenten | |
#1 Box 3 niet in ‘uitsluiting van Privileges’ | {0} : R.N. 2.1.1 Blz 5 | {0'} : R.N. 2.2.1 | 7 |
#2 Lid 5/6 art 10 Z.O. 06 / Art 28Protocol | {i} : R.N. 2.1.2 Blz. 6 | {i'} : R.N. 2.2.2 | 7 |
#3 De Geprivilegieerde Groep | {ii} : R.N. 2.1.3 Blz. 6 | {ii'} : R.N. 2.2.3 | 13 |
#4 Toepassing Art 45 VWEU | {iii} : R.N. 2.1.4 Blz. 6 | {iii'} : R.N. 2.2.4 | 15 |
[III] Weerlegging van vaststellingen die voorkomen in de Uitspraak van 9- 6–22 (Doc.[1]) | 18 | ||
[IV] Verdere beschouwingen.(m.b.t. Art 80a, lid 1 RO) | 20 | ||
[V] Eindconclusies en Eisen | 22 | ||
[VI] Proceskosten | 22 | ||
[VII] Geciteerde Documenten | 23 | ||
Sectie [I] Korte samenvatting van het cassatieverzoek.
De standpunten/uitspraken van het Hof, zie Document [l ] (Doc.[l]), die door Belanghebbende niet gedeeld worden zijn aangegeven.
Dit wordt gevolgd door een verzoek om te beoordelen of de lagere rechter m.b.t. de standpunten van belanghebbende (zijnde zijn Gronden van Beroep) het recht juist heeft toegepast bij het beoordelen van de Middelen die deze Gronden van Beroep ondersteunen en of de procedures op de goede manier zijn gevolgd.
De eerder door Belanghebbende aangegeven Gronden van Beroep, zowel als de Middelen waarop, volgens haar deze Gronden van Beroep steunen, zijn nu vermeld in de Sectie [II]: zie sectie R.N. (Rand Nummer) 2.1: de punten {0} en {i} t.m. {iii} voor de Gronden van Beroep en de punten {0'} en {i'} t.m. {iii} voor de Middelen die de Gronden ondersteunen', deze zijn in * samengevat.
Vervolgens wordt in R.N. 2.2 ingegaan op de met redenen omklede argumenten en op de gegevens waarop deze Middelen steunen en worden de door het Hof ingenomen standpunten door Belanghebbende weerlegd.
Deze gegevens werden reeds vermeld in de initiële Bezwaar fase en eveneens in het Verzoekschrift in (Hoger) Beroep, maar noch de Bel. Dienst, noch de Rechtbank en het Hof hebben de bovenstaande gegevens (nu geformuleerd als {0} en {i} t.m. {iii}) aangegeven door Belanghebbende, in beschouwing genomen bij het afwijzen van het geclaimde.
Een paar feitelijke/formele misvattingen voorkomende in de Uitspraken van de eerdere procedures (Bezwaar en Beroep) en in de Uitspraak van het Hof (Doc.[1]) (alhoewel ze iedere keer reeds in de loop van deze procedures werden aangegeven werden evenmin geadresseerd in de Uitspraak in Hoger Beroep (van 9 juni 2022).).
Vervolgens geeft Belanghebbende (in de Sectie SECTIE [IV ]) de redenen aan waarom, volgens haar, onderhavige casus niet geschikt is om afgehandeld te worden met een Art 80/81 RO procedure.
Sectie [II] Cassatie verzoek en de begronding er van
Caviat: Alle eerdere stukken (in Bezwaar, Beroep en in Hoger Beroep), zowel die van Belanghebbende (evenals de publicaties opgenomen in de litteratuurlijst van haar stukken, zie: de litteratuurlijst van (Doc.[3]) ,
['Het Bezwaar van 5-11-19 (Doc.[2]. Na het verweer van de Belasting Dienst : het Beroepschrift van 27-12-20 (Doc. [3]) en vervolgens de Pleitnota van 23-06-21 (Doc. [4]); na uitspraak van de rechtbank (Doc. [5]): het Hoger Beroepschrift 17-08-21 (Doc. [6]), gevolgd door en Verweerschrift van de Belasting Dienst 18-11-21(laat tijdig ingediend) en de reactie van Belanghebbende van 15-12-21 (Doc. [7])],
Al de proces stukken van de Bel. Dienst, de Rechtbank en het Hof, zowel als van blanghebbende maken deel uit van het huidige Cassatie dossier (in voorkomend geval wordt naar (een bepaald gedeelte van) deze stukken verwezen).
1. Belanghebbende verzoekt de Hoge Raad het volgende te onderzoeken:
1.1. Formele aspecten:
1.1.1
In het Document ‘Bezwaar Definitieve Aanslag over 2016 no 1814.62.746.H.66.01’, van 5-11-2019 (Doc. [2]) geeft Belanghebbende op blz. [20] (R.N. 5.4): ‘(Claim van belanghebbende, 1e alinea)’ aan dat: (N: het bezwaar betrekking heeft op) ‘de jaren voor dewelke bezwaar is ingediend — startende in 2011’).
Dit wordt ook aangegeven in het Hoger Beroepschrift van 17-08-21 (Doc. [5]).
In het document (Doc. [3]), gericht aan de Griffie van het Gerechtshof betreffende het dossier 'Verzoek Hoger Beroepschrift [Zaak no: SGR 20/ 0/6531 IB/PVV V241 W.V.] (Doc. [8]) , ter toevoeging aan dit dossier, (Doc. [5]) (deze toevoeging is een reactie op de ontvangst van een schrijven van 22 november 2021 kenmerk BK-SGR21/00730, van de Inspecteur van de belastingdienst/Particulieren/ kantoor Den Haag, team Internationale Fiscale Behandeling)], en in punt a) 3 werd nogmaals (ten overvloede) de aandacht getrokken op het volgende :
‘De uitspraak in Hoger Beroep zal gelden vanaf belasting jaar 2011, aangezien : het huidige Beroep en het Hoger Beroep betrekking hebben op een initieel bezwaar. m.b.t. het Belasting jaar 2011 (ingediend op 9-12-2013) door de toenmalige Belastingconsulent. ’
(In het schrijven van 2 juni 2015 van de Belastingdienst (met referentie no [0001]) wordt bevestigd dat bezwaar werd ingediend voor het Belastingjaar 2011) Ter behoud van recht werd voor ieder van de daaropvolgende jaren dit bezwaar opnieuw ingediend.
Niettegenstaande het feit dat Belanghebbende meerdere keren de aandacht heeft getrokken op het feit dat de beroepsprocedure geldt vanaf Belastingjaar 2011, en dat in dat jaar nog de de‘eerste’Zetelovereenkomst (van 1978) [in (Doc. [2]) verkeerdelijk aangeduid als 1979: zie (Doc. [9 ] : Schutblad van de Z.O. 1978, zoals vermeld in de voetnoot: datum van het Tractatenblad): 31-01-1978)] van kracht was, wordt dit aspect NIET meegenomen door de respondenten van Belanghebbende in de Bezwar, Beroep en Hoger Beroepsprocedures.
In deze laatste Procedure wordt echter zelfs vermeld dat (Zie Doc. [2]):
‘R.N.5.20: Voor zover belanghebbende bedoelt het Hof te verzoeken over alle jaren vanaf 2011 een beslissing te nemen, geldt dat de onderhavige procedure uitsluitend ziet op de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag. Het Hof kan dan ook over die aanslag een beslissing nemen. ’
Commentaar 1 : Dit aspect zal verder uitgebreid besproken worden in R.N. 2, met name
- —
de impact van de Conventie van Wenen, het Protocol en van het Octrooiverdrag van München m.b.t. het wijzigen van een bestaande Z.O. (in casu 1978) tussen een Internationale Organisatie (in casu het EOB) en (een van) zijn vestigingsstaten (in casu : Nederland) m.b.t. art 10 lid 6 van de tweede Z.O. van 2006).
- —
de Box 3 heffing opgelegd aan Belanghebbende in de jaren dat de Z.O. van 1978 van kracht was, werd onrechtmatig geheven.
1.1.2
Uitspraak van 9 juni 2022 (Doc, [2]) (zie R.N. 2.1 — 2.3) wordt gesteld dat:
- =
Belanghebbende sinds 15 november 1979 onafgebroken in Nederland verblijft
- =
Dat zij vanaf 30 juni 2.000 bij het EOB (Rijswijk NL) in dienstbetrekking is
- =
De BO/DV status werd haar toegekend (houdt in dat zij duurzaam verblijf houdt in NL).
Commentaar 2 : (Volgens de gegevens van het EOB is Belanghebbende echter in de vestiging van het EOB Rijswijk (Den Haag) in dienst getreden op 01-09-98; (zie document [9]: staff rapport EOB van [X] (kopie bijgevoegd))
- =
Vóór haar in dienst tredring was zij achtereenvolgens gezinslid (dochter) ven een Belgische EOB ambtenaar (en genoot dezelfde status als deze ambtenaar (i.e. ze was verblijvende in Nederland, maar was niet duurzaam in Nederland gevestigd).
- =
Toen zij het ouderlijk huis verliet en zij een keuze moest maken waar zij wilde wonen en werken, koos zij (de meeste kinderen van Belgische EOB medewerkers, verkiezen België) er voor om zich duurzaam te vestigen en te werken in Nederland.
- =
Juridisch gezien valt zij door het uitvoeren van deze beslissing onder het bepaalde in Art 45 VWEU: zij heeft immers gebruikgemaakt van haar recht om zich te vestigen en te werken in een land van de EU verschillend van haar land van herkomst
- =
Na enkele jaren gewoond en gewerkt te hebben in Nederland werd, zij aangeworven door het EOB en werd haar de Status BO/DV toegekend. (Zie verder: R.N. 2.2.4.2, gedeelte: ‘Relevante Informatie, m.b.t. Art 45 VWEU: de Arresten betreffende 'Discriminatie verbod m.b.t. wonen en werken’ (zie R.N. 2.2.4).)
Commentaar 3: Reeds eerder werd aangegeven dat bepaalde aspecten van de gegevens aanwezig in de eerdere uitspraken (bezwaar, (hoger)beroep) niet kloppen, onvolledig, of niet gefocust zijn op de Gronden van Beroep van Belanghebbende.
Er werd reeds, m.b.t. de eerdere Uitspraken, door Belanghebbende er op gewezen dat er op deze basis, verkeerde beslissingen weden genomen maar noch in beroep, noch in hoger beroep werd hier op in gegaan
2. Formulering van de vraagstelling onderliggend aan het Cassatieverzoek:
‘Werd m.b.t. de Standpunten in de Uitspraak van het Hof (9 juni 2022) het recht juist toegepast door de lagere rechter gezien de door Belanghebbende, onderbouwde en met argumenten omklede, aangedragen standpunten. (Belanghebbende deelt de Standpunten van het Hof niet. De vraag stelt zich met name betreffende de MIDDELEN die de Gronden van Beroep geformuleerd door belanghebbende onderbouwen.)’ (zie verder: {0'} t.m. {iii'} en {0'} t.m. {iii'})).
Commentaar :
- =
Het Initiële bezwaar én het Beroep én het Hoger beroep steunden op deze Gronden van Bezwaar en Beroep als deze aangegeven in onderhavig document, en waren onderbouwd door dezelfde Middelen en argumenten die nu aan de basis liggen van het Cassatie verzoek.
- =
De beslissingen genomen in de eerdere uitspraken (van de Belasting Dienst, de Rechtbank en het Hof) werden genomen na analyse van de (meeste) teksten van wet- en regelgeving relevant voor de huidige casus.
- =
In deze analyses werd de focus echter niet gelegd/er werd niet onderzocht, of Belanghebbende al of niet aangetoond heeft of de door haar naar voor gebrachte argumentatie de door haar aangegeven Middelen onderbouwen waarop haar Gronden van Bezwaar, Beroep en Hoger Beroep berusten.
- =
Belanghebbende verzoekt de Hoge Raad dan ook te onderzoeken of de conclusies van de lagere rechter standhouden in het licht van argumenten/feiten waarmee Belanghebbende de Middelen onderbouwd waarop de door Belanghebbende ingeroepen Gronden van Beroep steunen.
2.1
In de Sectie ‘Beoordeling van het Hoger beroep’ van de uitspraak van het Hof (9-6-22) geeft het Hof in R.N. 5.1 de door haar geconstrueerde versie weer van de Gronden van het Hoger Beroep van Belanghebbende (zie R.N. 5.1 I. t.m. IV).
Belanghebbende houdt er aan haar eigen versie (afwijkend en bijgesteld) van deze gronden te formuleren (en voegt nog de Grond {0} toe die in de uitspraak in Hoger Beroep (9-6-22) niet behandeld werd) :
[{0} betreft de Zetel Overeenkomst 1978; zie ook de disclaimer die voorkomt in R.N. 5.20 van deze Uitspraak. (Het wordt niet aangegeven op welke grond het Hof de beslissing heeft genomen die vermeld staat in de laatste alinea van R…N. 1.1.1. (van onderhavig document) waarin verwezen wordt naar R.N. 5.20 van (Doc. [1]); in R.N. 5.20 staat vermeldt dat‘…, … onderhavige Uitspraak geen betrekking heeft op de periode vóór belastingjaar 2016.’ ]
Opmerking : de argumenten en de onderbouwing {0'} en {i'} t.m.{iii'}m.b.t. de Middelen die de volgende vier Gronden van Beroep van Belanghebbende {0} en {i} t.m. {iii} ondersteunen, worden opgenomen in tekst van volgend Rand Nummers :
2.1.1 {0}
M.b.t. de belastingjaren vanaf belastingjaar 2011 tot het van kracht worden van de Zetel Overeenkomst Z.O. 2006 : aangezien in dit tijdsbestek de Z.O. van 1978 van kracht was, kan m.b. t. de desbetreffende belastingjaren het inkomen uit sparen en beleggen, voor zover het voortvloeit uit het EOB salaris van betrokkene (verder te vernoemen : ‘Box 3 heffing’) niet in de heffing worden betrokken.
Middel : In de genoemde periode was in de van kracht zijnde wet- en regelgeving de bovengenoemde ‘Box 3 heffing’ niet opgenomen in de uitsluitingen die wél voorzien waren in de toentertijd geldende wet- en regelgeving m.b.t. tot ‘DV’ status houders’.
Opmerking : het feit vermeld in bovenstaand middel (en aangetoond in {0'}) is ook uiterst belangrijk bij de argumentatie en onderbouwing van de volgende Middelen : {i'} t/m {iii'}, gezien het feit dat de introductie van art 6 in de Z.O.2006 niet is gebeurd door het ‘ad-novo’ opstellen van deze Z.O., maar door het wijzigen van de bestaande Z.O. 1978 ; een dergelijke wijziging is onderworpen aan bepaalde regelgevingen opgenomen in Internationale Verdragen, en lid 6 van artikel 10 van de Z.O. 2006 voldoet hier niet aan (zie R.N 2.1.2).
2.1.2 {i}
M.b.t. de heffing op het inkomen uit sparen en beleggen,vanaf het van kracht worden van de Zetel Overeenkomst 2006, voor zover het voortvloeit uit het EOB salaris :dit inkomen kan niet in de heffing worden betrokken aangezien lid 6 niet voldoet aan bepaalde voorwaarden van Internationale Verdragen/Regel — gevingen waaraan het ondergeschikt is .
Middel : Wanneer een bestaande Z.O. vervangen wordt door een anderre Z.O, dan moet voldaan zijn aan de voorwaarden van art 25 van het Protocol.
Opmerking : deze formulering vervangt de in de Uitspraak van 9 juni 2022 geformuleerde ‘zakelijke tekst ’ van I en II van R.N. 5.1
2.1.3 {ii}
M.b.t. de Verklaring van de Belasting Inspecteur [zie de Arresten 2b en 2a vermeld in (Doc. [2]) : ‘punt R.N.3.2.3.1 : ECLI:NL:BARN:2012:BY 6260 (Doc. [11] en ECLI:NL:GHARL:2013:7499 (Doc. [12])‘] stelt de Belanghebbende dat op basis van rechtsgelijkheid haar inkomen uit sparen en beleggen, voor zover het voortvloeit uit het EOB salaris, niet in de heffing kan worden betrokken aangezien ook zij voldoet aan de parameters waaraan volgens de Inspecteur de individueleleden van de geprivilegieerde groep moeten voldoen.
Middel : Al de medewerkers van het EOB die aan deze voorwaarden voldoen houden hun verworven rechten m.b.t. vrijstelling van de Box 3 heffing(volgens {0'} had Belanghebbende recht op deze verworven rechten).
(Verklaring: voorkomen dat (zie de ' Notes Verbale en de IFZ publicatie in R.N. 2.2.1.3, waarin verklaard wordt dat ambtenaren na 10 jaar actieve dienst bij het EOB, ze door de IND automatisch de DV-status toegewezen krijgen; door de invoering van lid 6 van Art 10 van de Z.O. 2006 werden ze vervolgens aan Box 3 heffing onderworpen, en aldus zoudendeze medewerkers met deze ‘DV’ toevoeging hun verworven rechten verliezen).
Opmerking : deze formulering vervangt de in de Uitspraak van 9 juni 2022 geformuleerde ‘zakelijke tekst ’ van III van R.N. 5.1 .
2.1.4 {iii}
M.b.t. de belastingheffing vanaf het van kracht worden van de jurisprudentie m.b.t. art 45 VWEU (zie de documenten vermeld in {iii'} waarin bepaald wordt (i.e. ‘de lering’ die voortvloeit uit deze arresten): ‘personen werkzaam bij hen EOB (Den Haag) die reeds eerder gebruik gemaakt hebben van hun rechten vervat in artikel 45, worden niet in de heffing betreffende het inkomen, uit sparen en beleggen, betrokken, voor zover het voortvloeit uit hun EOB salaris’.
Belanghebbende stelt weliswaar vast dat het in deze arresten gaat om NL ambtenaren van het EOB en zij heeft de Belgische Nationaliteit, maar m.b.t. de ‘lering’ die voort vloeit uit deze arresten is dit aspect/verschil niet relevant.
Middel : Belanghebbende toont aan dat ook zij, vóór ze in dienst trad bij het EOB, ze zich gevestigd heeft en gaan werken, in een land van de EU waarin ze voordien niet permanent gevestigd was.
Opmerking : deze formulering vervangt de in de Uitspraak van 9 juni 2022 geformuleerde ‘zakelijke tekst ’ van IV van R.N. 5.1 .
2.2. Argumentatie m.b.t. de Middelen ter onderbouwing van de Gronden van Beroep.
2.2.1 {0'} Betreft de regelgeving van de 1e Z.O. (1978)
In Art 22 van het Protocol wordt de mogelijkheid gegeven aan de gaststaat om bepaalde ‘privileges and immunities’ te ontzeggen aan groepen ambtenaren (o.a. met ‘BO/DV’ toevoeging). Er was (en is tot 2006)) echter geen wetgevende tekst om het 'privilege van vrijstelling van Box 3 heffing op te steunen : in Art 12, 13.15 en 24 komt belastingheffing op sparen en beleggen niet voor; de vrijstelling van deze heffing kan (volgens dit Art 22) dus niet onthouden worden aan BO/DV houders. In de Z.O. 1978 was ook geen bepaling opgenomen die dat mogelijk maakte.
Conclusie : aangezien in de periode tot de Z.O. 2006 in werking trad, er geen enkele Internationale of Nederlandse wet- of regelgeving was ingevoerd, die de vaststelling dat ‘BO/DV’ houders (‘DV’ verleend door BUZA) uitgesloten kunnen worden van het privilege van vrijstelling van heffing op inkomen uit sparen en beleggen' onderbouwt, kan aan Belanghebbende dit privilege om vrijgesteld te worden van de heffing op inkomen uit sparen en beleggen niet ontzegd worden .
(In de periode tot de invoering van de Z.O. 2006 zijn er nog verschillende regelgevingen die verband houden met vrijstellingen van ‘BO/DV ’ houders ingeteld. Deze komen verder ter sprake in Punt {i’} : geen enkele bepaling hierin spreekt bovenstaande conclusie tegen.)
2.2.2 {i} Betreft lid (5) en (6) van Art 10 VAN DE Z.O. 20026
2.2.2.1. Betreffend lid (6)
Belanghebbende wenst eerst de onderliggende hiërarchische afhankelijkheid van de verschillende wet- en regelgevingen aan te geven : Conventie van Wenen, Verdrag van Munchen, EOB Protocol, EOB Zetelovereenkomst (1e eerst vanaf 1978, en 2e vanaf 2006), NL Beleidsbe-, besluiten en ‘Notes Verbale(s) van het Min van Buitenlandse Zaken (zie R.N. 2.2.2.1.3).
Zolang het Protocol in de huidige vorm blijft bestaan (deze kan slechts gewijzigd worden middels een beslissing genomen op een Diplomatieke Conferentie) kunnen de Buza ‘BO/DV’ ambtenaren (aanvullend) slechts uitgesloten worden van bepaalde voordelen en privileges, (bijvoorbeeld vrijstelling van heffing op inkomsten uit sparen en beleggen) door een eventuele wijziging van de Zetel Overeenkomst. De voorwaarde hiervoor is : de ingevoerde wijziging moet beantwoorden aan de regelgeving van art 25 van het Protocol.
2.2.2.1.2
In de periode 1978 — 2006 (Z.O. 1978 tot 2006) is er door de Bevoegde Diensten getracht om op de volgende manier de op hand zijnde gelijkschakeling van belastingheffing betreffende Ambtenaren in Diplomatieke Dienst in Nederland en Ambtenaren werkzaam bij erkende Internationale Organisaties voor te bereiden.
2.2.2.1.3
Het volgende werd vervogens gepubliceerd : ‘DKP/DIO 2005/121’ [Doc.[13] en Note Verbale DKP/DIO 2005/220 (Doe. [14])en DKP/NP:2016/283 (Doc.[15]).
Hierin wordt aangekondigd dat vanaf 2006 de ‘privileges en immuniteiten’ van ambtenaren van Internationale Organisaties, gelijk geschakeld zullen worden met deze van leden van ambassades van ‘dezelfde rang’. Deze aankondiging wordt voorafgegaan door het vermelden van de tekst van de Conventie van Wenen, die betrekking heeft op het verlenen van deze ‘privileges en immuniteiten’ :
‘In accordance with the Vienna Convention … Staf members of International Organisations …. who qualify for some immunities and privileges as administratif and technical personnel …. will be exempt from the so called Box 3 income taks.’
Er wordt nog toegevoegd dat de uitsluiting van deze heffing alleen maar geldt indien het verkregen vermogen afkomstig is uit loon uitgekeerd uit hoofde van de dienstbetrekking.
(N :De Belasting Dienst berekent de heffing op inkomsten uit sparen en vermogen op deze wijze.)
In deze context werd ook ingessteld dat EOB ambtenaren die 10 jaar permanent in dienst van het EOB zijn, automatisch van de IND de toevoeging ‘BV’ krijgen toegewezen, en dus vanaf dat ogenblik geacht worden onderworpen te worden aan de Box 3 heffing,.
Samenvatting : Er wordt hier dus eenduidig aangegeven dat beide soorten ambtenaren administratief en technisch personeel van ambassades én ‘Ambtenarenwet van Internationale Organisaties ’ onder dezelfde regelgeving vallen en vrijgesteld zijn van heffing op inkomen uit vermogen in zover dat dit opgebouwd is uit hun salaris afkomstig van de ambassade of van de Internationale Organisatie. (Op dit aspect wordt nog terug gekomen in de sectie {iii'}.)
2.2.2.1.4
Beleidsbesluiten 'Diplomatieke vrijstellingen in de Belasting 21-01- 2003 IFZ02/1208M : in werking treding 1/1/2002 !!) (Doc. [16]).
In dit document wordt aanvullend beleid geformuleerd ter voorbereiding van de nieuwe Z.O. 2006 m.b.t. de regelgeving die geldt voor de verschillende categorieën van ambtenaren in verband met het toekennen van diplomatieke vrijstellingen.
De beperkingen m.b.t. BO/DV ambtenaren zijn dezelfde als deze die het Protocol betreffen, waarbij geen enkele beperking betrekking heeft op heffing op inkomen uit sparen en beleggen.,
- =
Volgens (Doc. [17] [zie verder blz 12 : (*) Toelichting) (blz 90, laatste alinea gelden voor ‘BO/DV ’ medewerkers echter volgende beperking : ‘voor medewerkers met een BO-status (N : Belanghebbende heeft de BO/DV status) eindigen na 10 jaar bepaalde fiscale privileges met als meetpunt de datum dat ze bij BUZA werden geregistreerd ’
- =
In (Doc. [16]) echter wordt vermeld dat : De diplomatieke vrijstellingen van inkomstenbelasting, loonbelasting en vermogensbelasting worden opgenomen in een apart beleidsbesluit. [N : ! ! Volgens Belanghebbende werd dit beleidsbessluit NIET gepubliceerd m.b.t. het al of niet vrijstelling van BO/DV ambtenaren van Box 3 heffing (dit zeker niet vóór de invoering van Z.O. 2006), wat als gevolg heeft dat voor deze periode (tot het van kracht worden van de Z.O. 2006) Belanghebbende vrijgesteld blijft van heffing op inkomsten uit sparen en beleggen!! ]
Het bovenstaande heeft als gevolg dat bij het invoeren van lid 6 van art10 Z.O. 2006, de BO/DV ambtenaren, na 10 jaar niet langer recht hebben op vrijstelling van Box 3 heffing (verlies van verworven rechten) en automatisch de toevoeging ‘DV’ krijgen van de IND… [N : Dit is ook de reden dat de Inspecteur de geprivilegieerde groep heeft gemaakt.]
2.2.2.1.5 : Z.O. 2006 (na Wijziging van de Z.O. 1978)
De door de regering beoogde inperking van de voordelen die aan 'BO/ EOB ambtenaren door het Protocol en de Conventie van Wenen was toegekend kon/kan, volgens de bovenstaande argumentatie van de Belanghebbende niet eerder plaats vinden dan na de wijziging van de Z.O. 1978, wegens het ontbreken van het benoemen van de beperkingen van de vrijstellingen in art 22 van het Protocol m.b.t. de heffing op het inkomen uit sparen en beleggen en het eveneens ontbreken er van in de latere uitvoerings- en/of andere besluiten waarin deze zouden worden vastgelegd.
Belanghebbende beoogt nu aan te tonen dat de invoering van de Z.O.2006(met name lid 5 en ld 6 van art 10) er nog steeds NIET toe leidt dat BO ambtenaren heffings plichtig zijn m.b.t. de inkomsten uit sparen en beleggen, voortvloeiend uit het EOB salaris, endat de beoogde inperking nog steeds geen wettelijke verankering heeft (nochvóór.nochná de regelgeving van de Z.O. 2006)
De volgende bewijsvoering berust op een analyse betreffende de wetmatigheid van het toepassen van lid 5 en 6 van Art 10 van de Z.O. 2006 (gewijzigd ten opzichte van de Z.O. 1978).
2.2.2.5.1
Art 10, lid 6 van de Z.O. 2006 voert een beperking in m.b.t. tot het bepaalde in lid 1 t/m 4, (met name m.b.t. lid 2, waarin bepaald wordt dat alle EOB ambtenaren recht hebben op de ‘privileges and immunities’ (o.a. vrijstelling van heffing op het inkomen uit sparen en beleggen) waarop de administratieve en technisch stafleden van ambassade recht op hebben, door de formulering van lid 6:
‘This article shall not apply to nationals or permanent residents of the Netherlands .’,
anders geformuleerd: ‘dit art. is (o.a.) niet van toepassing m.b.t. EOB ambtenaren met BO toevoeging’. Gevolg van deze formulering: de Nederlanddse ‘BO’ ambtenaren en de ‘permanent residents’ (i.e. de ‘BO/DV’) ambtenaren hebben door de uitsluiting in lid (6) geen recht op de toepassing van art 10 van de Z.O. 2006.
2.2.2.1.5.2
Lid 6 is een inhoudelijke wijziging t.o.v. de Z.O. 1978 versie. Een ‘nieuwe’, maar gewijzigde (vervangende) Z.O. kan door een verdragstaat en een erkende Internationale Organisatie gesloten worden, maar slechts in zoverre als toelaatbaar door het Protocol en door de Conventie van Wenen ; volgens Art 38 Conventie: ‘toelaatbaar volgens volgens art 25 Protocol’, In het Protocol wordt de toelaatbaarheid bevestigd, maar er worden tevens eenaantal criteria vermeld waaraan voldaan moet worden).
2.2.2.1.5.3
De vraag stelt zich of de nieuwe versie van de Z.O. beantwoordt aan de regelgeving m.b.t. de criteria van Art 25 Protocol. In het volgende worden de voorwaarden waaraan voldaan moet worden onderzocht. Volgens Belanghebbende is het volgende van toepassing :
De geldigheid/toepasbaarheid van lid (6) van art 10 in Z.O. 2006 wordt betwist door belanghebbende op grond van het volgende :
‘een wijziging van een zetelovereenkomst (in casu : het bilateraal akkoord van 2006 tussen de Nederlandse Staat en de Europese Octrooi Organisatie), betreffende lid (6) van art 10 van de Z.O. 2006 heeft slechts kracht van toepassing in zoverre de wijzigingen die door dit lid veroorzaakt worden niet ingaan tegen bestaande Internationale regelgevingen van Hogere Orde, I casu : de voorwaarden van art 25 van het Protocol' behelzen o.a. het volgende’:
‘complementary agreements [N: de invoering van de Z.O. 2006 (gewijzigde versie van de Z.O. 1978] can be concluded to give effect to the conclusions of this Protocol … and other arangements to ensure the eficient functioning of the Orgnisation (a) and the savegarding of its interests (b).’
2.2.2.1.5.4
Hierboven (in{0'} en {i'}) is reeds aangetoond dat (tot de invoering van lid (6) van art 10 van de Z.O. 2006 ALLE ambtenaren van het EOB, als één groep behandeld horen te worden voor wat betreft de heffing m.b.t. inkomen uit sparen en beleggen, aangezien er geen wet- en/of regelgeving bestaat die het mogelijk maakt om voor een bepaalde (de ‘BO/DV’-) groep de vrijstelling van heffing op sparen en beleggen uit te sluiten.
2.2.2.1.5.5
Uit de tekst van de Z.O. (2006) blijkt dat door de splitsing van de EOB medewerkers in verschillende salarisgroepen en het daarbij invoeren van lid (6) art 10, de eerder bestaande gelijkheid, betreffende bepaalde rechten, geschonden wordt. (Opmerking : Deze beperking kan gezien worden als het schenden van ‘verworven rechten’ van de ambtenaren met een ‘/DV’ toevoeging. De verdere vraag stelt zich of het invoeren van lid (6) bij art 10 in de nieuwe Z.O. (2006) in overeenstemming is met de regelgeving van Art 25 van het Protocol :
- =
In art 38 van de Conv. van Wenen/Art 22 van het Protocol staat vermeld dat:
‘Andere personeelsleden van de zending en particuliere bedienden die onderdaan zijn van, of duurzaam verblijf houden in de ontvangende staat, genieten slechts voorrechten en immuniteiten voor zover deze door de ontvangende staat zijn toegestaan. ’
- =
In art 25 van het Protocol staat vermeld dat de Beheerraad van het EOB met de Nederlandse Staat complementaire [N: gewijzigde/aanvullende/nieuwe] overeenkomsten kan afsluiten, in zover ze noodzakelijk zijn om :
- ~ (a)
de bepalingen van het Protocol uit te voeren
- ~ (b)
het efficiënt functioneren (b1) en de belangen (b2) van de Organisatie te verzekeren.
[Tekst Art 25 Protocol : " The Organisation may on a decision of the Administrtive Councel, conclude with one or more Contrating States complementary agreements [N : Z.O.'s] to give effect to the provisions of this Protocol as regards such State or States, and other agreements
‘to ensure the efficient functioning of the organisation and the savegarding of its interests. ’. ]
- =
Belanghebbende zal in volgend alinea aantonen dat de toevoeging van lid (6) aan art 10. van de Z.O. (2006) t.o.v. de Z.O. van 1978 een NIET toegelaten beperking betreft van Art 9 van de Z.O. van 1978, aangezien deze toevoeging NIET beantwoordt aan de vereisten van bovenstaand punt (b) ; het kan gesteld worden dat deze toevoeging wrevel en sociale onrust tot gevolg heeft bij verschillende Internationale Organisaties en zeker bij hun werknemers. Getuige hiervan het volgende : ~ Vóór invoering van de Z.O. (2006) was er geen probleem met het uitvoeren van de bepalingen m.b.t. de vrijstelling van belastingheffing over inkomsten uit sparen en beleggen m.b.t. de ‘DV-status’ houders (toegekend (na 10 jaar) door de IND) werkzaam bij Internationale Organisaties in Nederland.
- ~
Deze toestand veranderde door het feit dat er geen rekening is gehouden met de bestaande (verworven) rechten gevestigd in het Protocol en m.b.t. de Z.O. (1978) er ‘discriminerende’ maatregelen ingevoerd werden waardoor de gevestigde rechten van de Niet-Nederlanders met een ‘D.V.-status van BUZA en of van de IND ingeperkt werden: met name, uit hoofde van het ingevoegde lid (6) zouden deze niet meer vrijgesteld zijn van Box 3 belasting heffing uit hoofde van beleidsbesluiten (zie {i'} en {ii'} en door het feit dat de toevoeging van lid (6) van art 10 aan de Z. O. 2006, een door het art 25 Protocol niet toegestane beperking is van art 9 van de Z.O. van 197 8; deze interpretatie is in overeenstemming met de visie van: ‘The Institute of International law’, which adopted the following tekst (zie NL:PHR:2006: 1129, 16/009t 1, (Doc. [16]) laatste zin vóór punt 5.2.12, waar volgend citaat voorkomt ’)
‘In paticular, the Court has more than once stressed that it is not the fuction of the interpretation to revise treaties or to read into them what they do not, expresly or by implication contain.’
2.2.2.1.5.6. Toelichting m.b.t. de Wijziging van de Z.O. 1978 in de Z.O. 2006
- =
Art 9 (1) Z.O. 1978, is gewijzigd opgenomen in Z.O. 2006 in art 15 (1); nog steeds ontbreekt in de wet-en redelgeving m.b.t. uitsluitingen van privileges betreffende ‘BO’ ambtenare, de uitsluiting betreffende de heffing op inkomen uit sparen en beleggen.
- =
art 10 (Z.O. 2006) geeft aan dat het EOB personeel wordt opgesplitst in verschillende groepen zoals bepaald in art 10 (1) en (2) volgens criteria berustend op de respectievelijke salarisschalen en dat ook de groep vallend onder art 10 'shall enjoy the same privileges and immunities as the Netherlandhs accords to diplomatic agents of the diplomatic missions established in the Netherlands in accordance with the Vienna Convention
- =
in de tegenstelling tot de versie 1978, is in de versie van 2006 echter de volgende beperking opgelegd m.b.t. statushouders : art 10. lid (6) :
‘This article shall not apply to nationals or permanent residents of the Netherlands’
2.2.2.1.5.7
STELLING :
- ' ~
De organisatie zal door de toevoeging van lid (6) niet efficiënter functioneren, noch worden haar belangen er door verzekerd…
- ~
Dit heeft als gevolg dat lid (6) van Art 10 Z.O. 2006 NIET beantwoord aan Art 25 van het Protocol en dat dit lid (6) NIET op de casus van belanghebbende van toepasing is.
Deze stelling wordt meer dan overtuigend aangetoond op basis van gegevens en conclusies welke vermeld zijn in (Doc. [17]) : ’ EOB EVALUATIES no 316’, 250 blz., gepubliceerd november 2008 door BUZA [ISBN/EAN 978-90-5328-370-7]; een kopie van een gedeelte blz 83 t.m. 96 van de Sectie 5 ‘Uitvoering van het Kabinetsbeleid.’ is toegevoegd .
Heel korte en onvolledig samengvatting van de vaststelling dat er ‘wettelijk gezien’ geen uitvoering gegeven kan worden aan lid 6
Door de toepassing van lid (6) m.b.t. belastingheffing op sparen en beleggen (voortvloeiend uit het door Belanghebbenden ontvangen salaris van de Intenationale Organisatie) ontstaat een slechter sociaal klimaat/…, / … in de betrokken Internationale Organisaties (zie * Toelichting blz. 12). Dit lid (6) van art 10 Z.O. 2006 is volgens art 25 Protocol een niet toegelaten wijziging van de Z.O. 1978 omdat, in tegenstelling tot het geëiste, de toepassing van lid (6) in gaat tegen ‘the effici:ent functioning of the Organisation and the savegarding of its interests’. Dit wordt aangetoond in
(*) TOELICHTING m.b.t. de Stelling van R.N. 2.2.2.1.5…7 aan de hand van (Doc. [17])
Hebben hun medewerking verleend aan dit Document, zie [Doc. [17] (blz. 237/245].
Bijlage 7 : 33 Internationale organisaties gevestigd of met vestiging in Nederland
Bijlage 8 : de relevante departementen van 6 ministeries
Bijlage 9 : lijst (5 blz.) met geïnterviewde personen (o.a. personeelsleden van Bijlage 7 en 8)]
Selectie van feiten en commentaar in de sectie 'vanaf blz. 86 Box 5.1 ‘DV status en Privilege : ‘Oordeel van Internationale Organisaties’op blz. 87 en ‘Oordeel van niet-Nederlandse medewerkers’op blz. 80 :
‘ VIER Organisaties hebben (in 2008) het door Nederland aangeboden pakket nog steeds niet geaccepteerd.’ Kern van het probleem : de uitsluiting door de Belasting Dienst van medewerkers die ‘DV-status houder’ zijn, van de belastingvrijstelling op inkomen uit sparen en beleggen, op basis van lid 6 van art 10 van de Z.O.206.’
‘ Wel twijfelt een aantal internationale organisaties of er sprake is van een totale harmonisatie.' Zo wordt gewezen op het feit dat de zetelovereenkomsten van bepaalde organisaties op een enkel aspect wat gunstiger zijn op grond van hun uitgangspositie vóór de harmonisatie.’
‘ Zo worden internationale organisaties met vestigingen in meerdere landen (N: zoal o.a. het EOB) geconfronteerd met verschillen in privileges en immuniteiten tussen zetelstaten, hetgeen implicaties heeft bij de roulatie van medewerkers tussen vestigingen.’
‘ De uitbreiding van (N: maar ook de daarmee gepaard gaande beperkingen) de privileges die worden toegekend heeft geresulteerd in een gevoel van ontevredenheid bij personen die daarvan werden uitgesloten. In plaats van verschillen tussen organisaties zijn er nu aanzienlijke verschillen tussen medewerkers van hetzelfde niveau binnen de organisatie. ’
De conclusies die uit dit overleg getrokken worden zijn te uitgebreid om ze hier in extenso te reproduceren. Samenvatting van de ‘overal strekking’ :
‘Het ontbreekt aan begrip voor de uitsluiting van diegenen met een DV-status.’
Dit is de reden dat een aantal internationale organisaties nog steeds niet akkoord gegaan zijn met de Z.O. 2006 wegens de insluiting in art 10 van het lid (6) in het geboden pakket. De werknemers van deze Organisatie hoeven nog steeds geen Box 3 belasting te betalen. (N: het EOB ging wél akkoord maar zij kregen het voordeel van de geprivilegieerde groep (dit voordeel wordt echter door de Bel. Dienst [onterecht, zoals in onderhavig Cassatie verzoek betoogd] niet toegepast voor de ‘DV’status houders (verleend door BUZA) maar wel aan diegenen die na 10 jaar dienst vallen onder de bepalingen van Beleidsbesluit (Doc. [15]) en reeds de ‘DV’ toevoeging door BUZA hadden.
‘Vele organisaties die het pakket wel hebben aanvaard blijven moeite houden met het effect van deze maatregelen’: In deze zin valt het initiatief van de inspecteur te verklaren om een groep van geprivilegieerden (die volgens Belanghebbende alle‘BO’ houders omvat), te creëren die nog steeds geen Box 3 heffing moeten betalen (zie {ii'}),.
Nederland rechtvaardigt het pakket op basis van een [verkeerde] toepassing van de regelgeving van de Weense Conventie. Zij die de keuze niet accepteren, baseren zich echter op hetzelfde document. Het is te verwachten dat de Nederlandse overheid nog met dit probleem wordt geconfronteerd middels bezwaarschriften en juridische procedures."
Uit (*) blijkt dat aangezien Internationale Organisatie door toevoeging van lid 6 aan Art 10 van de VSO 2006 duidelijk minder kunnen atnctioneren, en dat hun belangen er minde door verzekerd worden, is de toevoeging van lid 6 in tegenstrijd met art 25 van het Protocol en dus een niet toegelaten wijziging is an de Z.O. 1978.
2.2.2.2. Hoe verhoud lid (6) van Art 10 van de Z.O. 2006 zich tot lid 5 ?
Lid (5) : ‘This article does not detract form (N: doet geen afbreuk aan) anny proposition in this agreement or the Protocol. ’
Volgens Belanghebbende :
- ~
als deze zin uitdrukking wil geven aan het feit dat het Protocol de mogelijkheid biedt om de Z.O. 1978 te wijzigen, en dat het invoeren van een gewijzigde Z.O. ook tot die mogelijkheid behoort, dan heeft zij geen enkel bezwaar tegen het invoeren van dit lid (5)
- ~
als echter blijkt dat de toepassing van lid (5) tot gevolg zou hebben dat lid (6) zou blijven toegepast worden, nadat aangetoond geweest zou zijn geworden dat lid (6) in tegenstrijd is met een wet van hogere orde (huidige casus : met name m.b.t. Art 25 van het Protocol), dan is, in dit geval, geen rechtsgevolg verbonden aan het bestaan van lid (5) en dus ook niet aan lid (6).
2.2.2.2. 1. conclusie (a) en commentaar (b) betreffende 2.2.2 {i'}
Volgens Belanghebbende was het de politieke bedoeling om aan Nederlandse en buitenlandse EOB ambtenaren met een ‘BO’ toevoeging, bepaalde beperkingen op te leggen m.b.t. privileges die landen (volgens de Conventie van Wenen) al of niet mogen toekennen aan personeel van Internationale Organisaties.
Het opleggen van deze beperking in de Z.O. 2006 door het invoeren van art 10 lid (6) is echter wettelijk niet toegestaan door het feit dat dit lid (6) niet ingevoerd kan worden bij de herziening van een bestaande Z.O. (met name, deze van 1978), wegens het bepaalde in Art 25 van het Protocol. Het gevolg hiervan is dat lid 6 van art 10 Z.O. 2006 niet toepasbaar is m.b.t. de casus van Belanghebbende. (Het is ook aangetoond dat het invoeren in de Z.O. 2006 van lid (5) niets aan deze conclusie verandert.)
2.2.3 {ii'} Betreft : de Geprivilegieerde Groep (de ‘verklaring van de Inspecteur. ’)
De derde subsidiaire Grond van Beroep {ii}betreffende de Verklaring van de Inspecteur, zoals weergegeven in de twee volgende belissinge ECLI:NL:BARN: 2012:BY6260 (Doc. [19[) en ECLI:NL: GHARL:2013::7499 (Doc. [20]) :
- ~
Het 6e lid van art 10 van deze overeenkomst brengt een limitering aan m.b.t. welke ambtenaren, volgens de Conventie van Wenen, zoals aangeduid in lid 1 van dit art 10 recht hebben op de ‘privileges and immuiities’, namelijk : de Nederlanders en diegenen die permanent in Nederland verblijven hebben er geen recht op
- ~
Uit de analyse gemaakt in de sectie 2.2.2.1.5 (voornamelijk aan de hand van (Doc. [17]) blijkt dat de meeste Internationale Organisaties (in het bijzonder m.b.t. hun ‘BO’werknemers die reeds meer dan 10 jaar in Nederland verbleven, en dan geacht worden permanent in Nederland te verblijven), slechts bereid waren om een nieuwe Z.O. af te sluiten indien de eerder bestaande (verworven) rechten betreffende ‘privileges and immunities’ onveranderd zouden toegekend worden na 10 jaar werkzaam geweest te zijn bij de Internationale Organisatie.
- ~
De oplossing voor dit probleem werd gevonden door het creëren door de Inspecteur van Belastingen, van een ‘geprivilegieerde groep’, waarbij hij bepaalde dat diegenen die er bij horen moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
- # 1e.
NIET de Nederlandse Nationaliteit bezitten
- #2e.
duurzaam in Nederland woonachtig zijn
- #3e.
minsten 10 jaar in Nederland verblijf houden
- #4e.
DV-status' houder zijn (N: hierbij wordt niet nader specificerend of deze‘DV’toewijzing verleend werd bij aanwerving of op het ogenblik dat de aangeworvene 10 jaar in dienst was van dezelfde van dezelfde Internationale Organisatie in dezelfde vestigingsstaat (NL)…
- ~
De Inspecteur heeft beide keren in zijn afgelegde verklaringen bewust gebruik gemaakt van dezelfde bovenstaande parameters om de groep personeelsleden waarop het begunstigend beleid betrokken werd, te definiëren.
- ~
Hij heeft er verder de nadruk op gelegd dat het gemaakte onderscheid met Nederlanders slechts berust op het verschil in Nationaliteit.
Commentaar
- ~
Mocht de inspecteur de bedoeling gehad hebben dat de ambtenaren met een door de BUZA gemaakte toevoeging ‘DV’ niet bij deze geprivilegieerde groep zouden behoren, dan had hij, in plaats van gebruik te maken van de huidige groeps-definitie (die op bovenstaande parameters berust), een formulering moeten bijvoegen die deze ‘DV-status’ houders zou uitsluiten.
- ~
Mocht de inspecteur de bedoeling gehad hebben de ‘DV’ houders (verleend door BUZA) van de geprivilegieerde uit te sluiten, dan had hij de voorwaarde # 4e niet hoeven bij te voegen, want anders heeft # 4e geen functie : de voorwaarde # 3e betekent dat zij automatisch (IND) ‘DV’ houder zijn…
- ~
Uit de voorafgaande alinea kan besloten worden dat de Inspecteur, door de voorwaarde ‘# 4e ‘DV’ status’, toe te voegen aan de drie eerste voorwaarden, hij hiermee de ‘DV’ statushouders (toegekend door BUZA) specifiek aanduidt als behorende tot de geprvilegieerde groep.
2.2.3.1. Stellingname en onderbouwing (van Belanghebbende)
Ook Belanghebbende behoort tot de geprivilegieerde groep EOB ‘BO’ ambtenaren voor wie het begunstigend beleid geldt (vrijstelling van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen), omdat ze beantwoordt aan de, door de Inspecteur gestelde criteria, om als EOB ambtenaar tot deze groep te behoren.
2.2.3.2. Verdere ondersteunende aspecten (m.b.t. bovenstaande stellingname.)
- ~
Er mag verwacht worden van een Inspecteur van de B…D., die getuigt in het kader van een Hoger Beroep (zie Doe. [19] en [20]) vragen gesteld door het Hof met de grootste zorgvuldigheid en kennis van zaken behandelt ; dit des te meer omdat hij in Hoger Beroep zijn verklaring (die reeds voorkomt in de procedure gevoerd t.o.v. de Rechtbank), desgevraagd ongewijzigd bevestigt.
- ~
Het was (en is) gebruikelijk dat de uitdrukking ‘D.V’-status de beide vormen van toekenning omvat, zowel de ‘D.V.’status verleend door BUZA als deze die wordt toegekend door de IND aan de ‘BO’ ambtenaren die 10 jaar in dienst zijn bij het EOB (afdeling Rijswijk — Den Haag).(*)
(*) Zie (Doe. [17]), zie blz 88 Box 5.2 :
- ~
de voorwaarden voor het toekennen van van de ‘DV-status’ door BUZA zijn vastgelegd in de notes verbal DKP/DIO-2005/220 (Doc. [14])van 8 december 2005
- ~
het toekennen (na 10 jaar gewerkt te hebben bij een erkende Internationale Organisatie in Nederland) houdt in dat betrokken ambtenaar de ‘DV’ toevoeging krijgt door de IND
- ~
Het blijkt dus dat de Inspecteur er bewust voor gekozen heeft om een uitzonderingspositie (begunstigend beleid) te scheppen voor alle ‘BO’ ambtenaren van het EOB met een DV toevoeging (N : misschien ook m.b.t. andere Internationale Organisaties gevestigd in Nederland ?) om hun verworven rechten te kunnen behouden m.b.t. het Privilege van vrijstelling van Box 3 heffing, die ze anders door het in voege treden van lid 6 van art 10 van de Z.O. 2005 zouden verliezen
- ~
Belanghebbende behoort, zoals reeds eerder aangegeven onomstotelijk tot deze groep en aan haar werd tóch door de Bel. Deinst een Box-3 heffing opgelegd zonder enige verklaring waarom de ‘verklaring van de Inspecteur’, niet voor haar zou gelden. [Gezien het betoogde m.b.t {0'} was zij tot het invoegen treden van de Z.O. 2006 , gerechtigd om de Box 3 vrijstelling te krijgen.]
2.2.3.3. Conclusie betreffende {ii'}
Vertrekkende van het feit dat Belanghebbende beantwoordt (zowel in formele zin, als intentioneel) aan de verklaring van de Inspecteur, is het standpunt in de Uitspraak van 9 juni 2022 dat er geen sprake is van gelijke gevallen, een niet geldig motief om haar aanspraak op het ‘gelijkheidsbeginsel’ af te wijzen, zie in dit verband ook [Doc. [20] ] ‘'De voorrangsregel van het begunstigend gepubliceerde beleid.’
2.2.4 {iii'} Betreft : Art 45 VWEU (discriminatieverbod m.b.t. wonen en werken)
Stellingname : ‘Belanghebbende heeft op basis van art 45 (zie de aangegeven jurisprudentie en commentaren van (Doc. [21] t.m. [26]) ook recht op vrijstelling van belastingheffing over het inkomen voortvloeiend uit sparen en beleggen.’ Belanghebbende wenst te betogen dat de volgende documenten van het Hof, het Parket bij de Hoge Raad, De Hoge Raad en van de Procureur bij de Hoge Raad (die betrekking hebben op deze art 45) ondersteuning geven voor de stellingname dat Belanghebbende, recht heeft op vrijstelling van heffingen inkomsten uit sparen en beleggen.
[Doc. [21] | ECLI:NL:PHR :2019:1074 | Publicatiedatum |
|---|---|---|
[Doc. [22] | ECLI.NL:PHR : 2019:1038 | Publicatiedatum |
[Doc. [23] | ECLI:NL:PHR :2019:1032 | Publicatiedatum |
[Doc. [24] | ECLI:NL:PHR :2019:1030 | Publicatie datum |
[Doc. [25] | ECLI:HR :2020:400 | Publicatiedatum |
[Doc. [26] | ECLI:HR :2020:407 | Publicatiedatum |
2.2…4.1
Het probleem dat ten gronde ligt aan het de door belanghebbende gestelde is niet identiek aan het probleem dat ten gronde ligt aan de jurisprudentie waarbij de belanghebbenden de Nederlandse nationaliteit hebben; in onderhavige casus heeft belanghebbende de BE nationaliteit en ze was, op het ogenblik van haar aanwerving (als ‘BO’ ambtenaar) door het EOB, ingezetene (duurzaam gevestigd in) van Nederland; ze kreeg bij haar in dienst treden bij het EOB de ‘DV’-Status toegewezen door BUZA.
- ~
Uit de jurisprudentie blijkt dat de kern van dit probleem neerkomt op het beantwoorden van volgende rechtsvraag :
‘Onder weke voorwaarden heeft een niet Nederlandse 'BO werknemer van het EOB die bij aanwerving de ‘DV’ toevoeging kreeg van BUZA, recht op heffingsvrijstelling over het inkomen afkomstig van sparen en beleggen, wegens het bepaalde in Art 45 VWEU ? ’
Pas na het beantwoorden van deze vraag kan vervolgens beoordeeld worden of Belanghebbende aan deze voorwaarde voldoet.
- ~
Uit de hierboven vermelde documenten (21-26) blijkt dat een EOB ambtenaar werkzaam in het EOB (Rijswijk, Den Haag) die eerder, vóór aanwerving door het EOB, reeds gebruik heeft gemaakt van het EU-recht om zich in een ander land dan zijn land van herkomst te vestigen, het recht heeft op vrijstelling van zijn inkomen dat voortvloeit uit sparen beleggen. Dit wordt in de rechtspraak als volgt weergegeven :
- =
‘Het in de zetelovereenkomst gemaakte onderscheid op basis van nationaliteit is in strijd met het EU-recht en moet ten opzichte van belanghebbenden buiten toepassing worden gelaten.’
- =
Indien de EOB ambtenaar voor zijn/haar indiensttreding bij het EOB reeds gebruik heeft gemaakt van zijn/haar EU recht betreffende vrij verkeer van werknemers in de EU landen, dan is hij/zij vrijgesteld van de hogervermeld belastingheffing
- =
Indien er gebruik is gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers in de landen van de EU dan zijn deze werknemers wanneer ze later in dienst treden van het EOB ook vrijgesteld van heffing op het inkomen uit sparen en beleggen. (Ook A.G. Wattel (zie (Doc.[20]) alinea 6 en 7), (samenvatting door belanghebbende) verdedigt deze stellingname :
‘Belanghebbende zich kan beroepen op art 45 VWEU omdat hij, vooraleer hij in dienst trad bij het EOB Den Haag reeds gebruik heeft gemaakt van zijn EU-verkeersrechten door duurzaam in München te gaan werken. ’)
N : Het argument dat, zoals aangegeven in de Uitspraak van 9 juni 2011, het in deze Arresten en Commentaren gaat over ambtenaren die de Nederlandse Nationaliteit hebben en dat Belanghebbende de Belgische Nationaliteit heeft, doet niets af aan de geldigheid van de ‘algemene leer’ van het bovenstaande])
- =
‘Het Hof acht ook overigens geen rechtvaardigingsgrond aanwezig voor het in de Z.O. 2006 gemaakte onderscheid m.b.t. art 10, lid 6’.
2.2.4.2. Volgens het Curriculum van Belanghebbende valt zij ook onder leer van deze Arresten.
Volgens de leer van bovenstaande arresten kan Belanghebbende (indien zij kan aantonen dat ook zij, vóór dat ze in dienst trad bij het EOB Den Haag, reeds gebruik gemaakt heeft van haar EU verkeersrechten), kan er geen belastingheffing opgelegd worden over haar inkomen voortvloeiend uit sparen en beleggen.
Er moet dus aangetoond worden dat Belanghebbende, vóór haar aanwerving door het EOB, gebruik gemaakt heeft van haar recht op vrij verkeer in een van de de EU landen :
[RELEVANTE informatie : de aandacht wordt er op getrokken dat Belanghebbende, geboren in België 3/4 jaar was toen haar vader werknemer werd van het toenmalige IIB in Den Haag (het gezin verhuisde in juli 1969 Nederland) dat later overging in het EOB te Rijswijk. Aangezien, in de toenmalige wettelijke context, de leden van een gezin dezelfde ‘status’ kregen als de vader, geldt voor Belanghebbende dat zij (zolang ze tot dit gezin behoorde) geen ingezetenen van Nederland was en dat ze ook niet duurzaam in Nederland verbleef.
Het is belangrijk vast te stellen dat (zie ook het reeds hoger vermelde in (Doc…[17]) blz.86 Box 5.1., eerste alinea dat de regels voor het toekennen van de ‘DV’ pas in 2005 zijn vastgelegd in een DKP/DIO richtlijn.
Toen Belanghebbende besloot, in de jaren '80, niet langer deel te blijven uitmaken van het gezin door te gaan werken en zich zelfstandig te gaan vestigen (duurzaam te verblijven), waren haar voorkeur EU landen België (keuze van de meeste kinderen van Belgische EOB ambtenaren) en Nederland.]
2.2.4.3
Belanghebbende koos er echter voor om (als niet ingezetene van, noch duurzaam verblijvend in Nederland) zich definitief te vestigen en duurzaam te verblijven in Nederland door gebruik te maken van de rechten van werken en van vrij verkeer in Europa, verleend door art 45 VWEU.
- ~
Vervolgens was Belanghebbende werkzaam in Nederland en genoot zij (in tegenstelling tot de periode dat ze deel uitmaakte van het gezin van haar vader) pas vanaf dit ogenblik van de Nederlandse sociale systemen en was ze pas dan onderworpen aan alle aspecten van de Nederlandse Belastingwetgeving.
- ~
Najaren lang beroepsactiviteit in Nederland te hebben uitgeoefend werd ze werknemer van het EOB in Den Haag.
2.2.4.4
Uit t voorafgaande blijkt duidelijk dat Belanghebbende het niet eens is met de Uitspraak van 9 juni 2022 aangezien zij reeds vóór dat ze in dienst trad bij het EOB gebruik heeft gemaakt van haar recht van vrij verkeer en werk in de EU, en dus beroep kan doen op de Jurisprudentie van de Arresten op blz. 16.
2.2.4.5
Volgens belanghebbende kan haar claim, dat zij gebruik gemaakt heeft (vóór dat ze in dient trad bij het EOB) van haar rechten van vrij verkeer in de EU volgen art 45 VWEU, slechts afgewezen worden na een prejudiciële beslissing van het Europeese Hof in Luxemburg, in deze.
2.2…4.7
Het standpunt van de Belanghebbende is het volgende :
- =
Uit de hierboven in R.N. 2.2…4 genoemde documenten valt op te maken dat uit de jurisprudentie blijkt dat de beperkingen van lid (6) van art 10. 2 van Z.O. 2006 niet toepasbaar geacht wordt wegens het discriminatie verbod van art 45 en 48 VWEU. (Hierbij valt nog te verwijzen naar de conclusie m.b.t. R.N. 2.2 2 hierboven waarin aangetoond wordt dat lid (6) van art 10 van Z.O. 2006, in har casus niet toepasbaar is op grond van art 25 van het Protocol).
- =
Aangezien art 10. lid 6 van de Z.O. 2006 zich niet verdraagt met de wetgeving betreffend vrij verkeer en uitoefening van een beroep in de Europese Unie, en aangezien Belanghebbende , vóór haar indiensttreding bij het EOB, reeds gebruik had gemaakt van haar recht op vrij verkeer in de EU landen, heeft ze recht op belastingvrijstelling op haar inkomen voortvloeiend uit sparen en beleggen.
2.2.4.8 . Conclusie {iii'}
Aangezien belanghebbende, gelet op al het vooroverwogene, van mening is dat haar inkomen uit sparen en beleggen (in zoverre dat dit afkomstig is uit haar EOB salaris) niet in de heffing van inkomstenbelasting m.b.t. de jaren voor dewelke bezwaar is ingediend, (startende in 2011) kan worden betrokken, verzoekt zij dit College om op grond van de jurisprudentie m.b.t. art 45 WVEU, (gezien het feit dat Belanghebbende reeds eerder gebruik had gemaakt op haar recht van vrij verkeer in de landen van de EU), te beslissen of de lagere rechter het recht juist heeft toegepast in zijn beslissing dat ze geen heffingsvrijstelling heeft betreffende de belasting over de inkomsten uit sparen en beleggen, voortvloeiend uit haar EOB wedde.
Sectie [III] : 1.2 Weerlegging van vaststellingen m.b.t. de uitspraak van de Rechtbank (Doc.[5] (zoal door het Hof samengevat in de Uitspraak van 9-6-22 t (Doc.[l])
1.2.1
Nu volgt een opsomming van de Rand Nummers (R.N) in de (Doc. [1]) m.b.t. de Uitspraak van de Rechtbank van 22-06-21 (Doc.[5], waarin vaststellingen voorkomen waarmee belanghebbende het niet eens is [Volgens Belanghebbende is het Hof mede op basis van deze vaststellingen van de Rechtbank tot zijn beslissingen gekomen.] :
RN. [2.1] Belanghebbend was vanaf 1969 lid van het gezin van haar vader die vanaf dat jaar was aangeworven door het IIB (rechtsvoorganger van het EOB) en had dezelfde status wat werken en wonen betreft als haar vader.
R.N.[2.2] Volgens bijgevoegd document van het EOB (Doc. [8]) is 01-09-98 (i.p.v. 30-06-2000) de datum van in dienst treding van Belanghebbende bij het EOB Den Haag.
R.N.[10]/[11]] In de Rechtspraak, (Uitspraken in (hoger) beroep) wordt voorbij gegaan aan het feit dat er geen wettelijke basis bestaat tot het invoeren van de Z.O. 2006 : in de opsomming van de uitzonderingen (a) t.m. (f) (zie ook de uitzonderingen van R.N. [7]) komt de heffing op sparen en belegen niet voor. Zoals verder aangetoond , is er later geen enkele wet- of regelgeving geweest die bepaalt dat deze heffing deel zouden uitmaken van de uitzonderingen.
! ! Op te merken valt dat in de Uitspraak van het Hof beklemtoond wordt dat de uitspraak alleen de periode vanaf 2006 betrokken is (zie R.N. 5.20) van (Doc. [1], en dit zonder enige verdere uitleg te geven waarom geen rekening gehouden met de wet- en regelgeving van vóór 2006. !! Dit feit op zich zelf vormt een afzonderlijke Grond van Beroep in Cassatie. !!
R.N. [13] = in bovenstaande argumentatie (zie : R.N. 2.2.2) wordt aangetoond dat lid (6) Z.O. 2006 m.b.t Art 25 van het Protocol een niet toegelaten aanvulling is op de Z.O. 978 ; ; ook wordt aangetoond dat lid (5) GEEN inpakt heeft op de conclusies m.b.t. lid (6) = m.b.t. de in dit R.N geciteerde cassatiebeslissing ECLI:NL:HR:2015:22 : de Gronden van Beroep en de daarbij horende Middelen en de argumenten om deze te onderbouwen (zoals gesteld in het huidige verzoek) werden niet aangedragen door de belanghebbende in betreffende Cassatie verzoek en ook niet onderzocht; dit eerdere Arrest heeft dan ook geen inpakt op het huidige Cassatieverzoek.
R.N. [14 ] m.b.t.‘naar het oordeel… andere bron’ ; hier wordt voorbijgegaan aan art 34 d) en 38 de Conv. van Wenen [N : opsomming van de vrijstelling …., met uitzondering van: ] 34 d) : ‘belastingen en rechten op particulier inkomen welks bron is gelegen in de ontvangende staat en vermogensbelasting op in bedrijven in de ontvangende staat belegd vermogen’
Dit houdt in dat indien deze bron niet is gelegen in de ontvangende staat, dat de inkomsten op sparen en beleggen vrijgesteld zijn van vermogensbelasting… Daarom wordt gebruikelijk deze vrijstelling geformuleerd als vrijstelling van heffing op sparen en beleggen, voortvloeiend uit het het salaris van de Internationale Organisatie.
Conclusie : Het is dus een misvatting dat alleen de betaalde salarissen en emolumenten dienen vrijgesteld te worden, en niet de inkomsten uit sparen en beleggen die voortvloeien uit het salaris.
[16] t/m [22] Belanghebbende stelt dat de Rechtbank (zowel als ook het Hof) alleen maar wet teksten opnoemt en op deze basis zonder de gronden/middelen/argumenten van Belanghebbende verder mee af te wegen tot conclusies overgaat. Belanghebbende verzoekt de Hoge Raad de overwegingen van Belanghebbende (zie R.N. 2.1.3 en 2.2.3, betreffende de ‘geprivilegieerde’ groep) mee te overwegen alvorens te besluiten of het Hof het recht goed heeft toegepast. (zie R.N. 1.2.1.1)
[23] t.m. [25] Volgens Belanghebbende heeft de Rechtbank (zowel als later ook het Hof) het verzoek betreffende art 45 VWEU alleen op basis van wet en regelgeving beoordeeld, en geen rekening gehouden met de Gronden van Beroep (en de Middelen) ingediend door Belanghebbende (én de argumenten die deze Middelen ondersteunen).
Belanghebbende heeft dan ook hetzelfde verzoek als in de vorige punt : de Gron- den van Beroep, de Middelen en de argumenten ter ondersteuning van deze middelen (zoals geformuleerd in het verzoek van Belanghebbende, mede te betrekken (zie R.N. 2.2.2.3 en 2.2.2.4) bij de beoordeling of de lagere rechter terecht het recht goed heeft toegepast m.b.t. het afwijzen in deze casus met betrekking tot de Jurisprudentie die betrekking heeft op Art 45VWEU. (zie R.N. 1.2.1.1)
1.2.2
Argumenten ter ondersteuning van Gronden en de Middelen van Beroep.
- ~
M.b.t. (0} en {0'} : in de uitspraak va van 9-6-22 (Doc. [l])wordt ten onrechte niet ingegaan op de periode van óór de Z.O. 2006 (wijziging van de Z.O. 1978) van kracht werd ‘ niet tegenstaande het feit dat wordt aangetoond dat in deze periode er geen wet- of regelgeving bestond die'BO’ EOB ambtenaren met een ‘DV’ toevoeging (afkomstig van BUZA) uitsloot van het Privilege van vrijstelling van van Box 3 heffing (voortvloeiend uit hun EOB salaris).
- ~
Het wordt aangetoond m.b.t. {i'} dat lid 6 van art 10 van de gewijzigde Z.O. 2006, NIET voldoet aan art 25 van het Protocol en dus ook geen kracht van wet kan hebben ,en dat dit niet gewijzigd wordt door het bepaalde in lid (5).
- ~
Uit de analyse van de voorwaarden waaraan een EOB ambtenaar moet voldoen om tot de geprivilegieerde ‘BO’groep te behoren, blijkt, na evaluatie van de toevoeging ‘DV ’, ofwel afkomstig van BUZA, ofwel van de IND, dat, volgens de gegevens in het curriculum van Belanghebbende , zij volledig voldoet aan de voorwaarden om te behoren tot deze groep.
- ~
Er wordt aangetoond in {iii'} dat Belanghebbende, vooraleer zij werd aangeworven door het EOB, reeds eerder gebruik had gemaakt van haar recht van werken en wonen in EU landen, en aldus valt onder de voorwaarden gesteld in de NL jurisprudentie waaraan voldaan moet worden om op basis van art 45VWEU vrij gesteld te worden van de Box 3 heffing.
1.2.3
Dezelfde opsomming van beweringen als in R.N. 1.2.2 waarmee Belanghebbende het niet eens is, komen ook voor in de sectie R.N. 5.1 t./m 5.20 : 'Beoordeling van het Hoger beroep
'1.2.4
Het Hof formuleert in 5.1 (‘ZAKELIJK WEERGWGEVEN’) wat volgens haar de Gronden van Beroep van Belanghebbende zijn (I t/m IV).
Belanghebbende herformuleert (op basis van middelen die zij reeds in haar Beroepschrift had aangegeven) deze gronden van [5.1], nu genummerd [0] en [i] t.m. {iii} en vervolgt met het onderbouwen van de middelen (gevolgd door het trekken van conclusie) in de secties aangeduid als {0'} en {i} t.m. {iii'}.
1.2.5
Belanghebbende verzoekt om te beoordelen, hierbij uitgaande van de Gronden van Beroep, de Middelen (en de Argumenten om deze middelen te ondersteunen), zoals geformuleerd door Belanghebbende, of de lagere rechter de wet goed heeft toegepast en en of de procedures op de goede manier zijn gevolgd.
Sectie [IV] : verdere beschouwingen (m.b.t. Art 80a, lid1 RO)
1.3
Volgens belanghebbende leent deze zaak zich niet voor een behandeling door de Hoge Raad die berust op art. 80a/81, lid 1 RO (waarbij een zaak relatief snel na binnenkomst afgedaan kan worden).
1.3.1
Belanghebbende steunt deze mening op de volgende feitelijkheden :
1.3.2
Bij toepassing in de huidige casus van bovenstaand artikel zou Belanghebbende (evenals de ambtenaren van erkende Internationale Organisaties in Nederland, met een gelijkaardig curriculum) uit hoofde van de aangevochte beslissing van de lagere rechter, niet kunnen vrijgesteld worden van de heffing op het inkomen voortvloeiend uit het salaris ontvangen van de Internationale Organisatie.
1.3.2.1
De door de Belanghebbende in zijn beroepschrift naar voor gebrachte Gronden van Beroep en de Middelen waarop ze berusten werden door de lagere rechter niet behandeld en ook niet weerlegt Hij verklaart zelfs dat 'de onderhavige procedure ziet op op de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag. Er is geen rekening gehouden met het feit dat Belanghebbende er op gedrukt heeft dat de bezwaar-/ beroepsprocedue reeds loopt vanaf 2011 en dat de beoordeling van hoe de situatie was vóór de Z.O 2006 niet in beschouwing is genomen, zodat ook de inpakt ervan op de andere Gronden van Beroep niet beoordeeld kan worden.
1.3.2.1
Aansluitend op vorige alinea : volgens Belanghebbende waren tot 2006 in de wet- en regelgeving de 'BO/DV ambtenaren, niet uitgesloten van het voordeel dat zij ontheffing hadden van de heffing op het inkomen voortvloeien uit hun salaris uitgekeerd door de Intern. Organisatie (het betreft hier Grond van Beroep {0}).
1.3.2.3
Bij de beoordeling van de Gronden van Beroep {i', {ii'}en {iii'} werd de impact van dit laatste aspect niet in overweging genomen bij de beoordeling van deze Gronden
1.3.2.4.
Bij de beoordeling van {iii} werden de conclusies die Belanghebbende trekt uit de arresten die betrekking hebben op het recht op vrijheid van verkeer in de EU (art 45 VWEU) niet toegepast op de huidige casus, met als motivering dat het in deze arresten ging om ambtenaren met de Nederlandse Nationaliteit, en dat Belanghebbende een andere EU (de Belgische) nationaliteit heeft
[Belanghebbende vecht deze stellingname aan : de genomen beslissing bepaalt de wijze (‘de leer’) waarop art 45 VWEU in Nederland moet worden toegepast en het aspect ‘Nederlander’ versus andere ‘EU’ nationaliteit is niet van invloed op ‘leer’ .]
1.3.2.5
Aan bovenstaand rij van argumenten waarom het niet opportuun is om in de huidige casus bovenstaand RO artikel toe te passen, moeten nog de aspecten behandeld in SECTIE III hierboven, toegevoegd worden.
1.4
Indien door de Hoge Raad, door het toepassing van bovenstaand RO zou persisteren in het niet verder beoordelen van deze gegevens (en van de Punten {0} t./m.{iii} en {0'} t./m. {iii'}), dan zou de Belasting Dienst (volgens Belanghebbende) blijven doorgaan met te handelen in strijd met, niet alleen Internationale en Nationale Wet- en Regelgeving, maar eveneens met Nederlandse Arresten die berusten op Europese wetgeving, met nameop Art 45 VWEU.
1.5
Zoals reeds eerder vermeld (zie ‘ (*) Toelichting’ bij R.N. 2.2.2.1.5.7) : door het gelijk trekken van de wet- en regelgeving m.b.t. ambtenaren van International Organisatie met deze van ambassades in Nederland, werden een aantal tot nu toe niet opgeloste situaties gecreëerd (getuige daarvan het feit dat BUZA een overlegorgaan heeft opgericht om de problemen te onderzoeken en te benoemen. Voor de resultaten hiervan, zie (Doc. [17].
Belanghebbende is gezien de conclusie(s) getrokken in dit overleg , zie o.a. blo 90 (*) sectie 5.2.1 van (Doc. [17])
‘Conclusie …. Het is te verwachten dat de Nederlandse overheid in de toekomst nog met dit vraagstuk wordt geconfronteerd, bijvoorbeeld middels bezwaarschriften en mogelijk juridische procedure.’
Deze vaststelling is ondertussen correct gebleken gezien het groot aantal bezwaren en beroepen (tot in cassatie toe) en daarom pleit Belanghebbende er voor om m.b.t. het onderliggend cassatie verzoek ten gronde in te gaan op de Gronden/Middelen/argumenten van het huidige verzoek en geen gebruik te maken van de toepassing van bovenvermeld RO art.
1.6
Belanghebbende is zich hierbij wél bewust van het volgende :
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de rechter twee belangen die met elkaar contrasteren, afweegt :
- 1e)
de belangen betreffen enerzijds een voortvarende en doelmatige procedure waarbij het afbakenen van het processuele debat centraal staat
- 2e)
anderzijds het belang van een processueel diepgaande behandeling van de zaak waarbij een juiste inhoudelijke beoordeling essentieel is.
Gedurende een langere periode legde de Hoge Raad de nadruk op een voortvarende en doelmatige procesvoering, terwijl tegenwoordig dit iets verder opschuift naar een processueel meer diepgaande behandeling van de zaak. ‘
Belanghebbende is van mening, gezien het vooroverwogene, dat de 2e benadering de juiste wijze is om recht te doen aan onderhavig verzoekschrift.
Sectie [V] Eindconclusies en Eisen
Aangezien belanghebbende, gelet op al het vooroverwogene, van mening is dat haar inkomen niet in de heffing van inkomstenbelasting (m.b.t. de jaren voor dewelke bezwaar is ingediend, startende in 2011), kan worden betrokken, verzoekt zij om op grond van ieder van de vier (onderling subsidiaire en onderling gebonden en/o f individueel beschouwd) Gronden van Beroep (aangegeven in de Punten {0} t./m. {iii), met in acht name van de punten {0'} t…/m. {iii'}, te beslissen of de lagere rechter het recht juist heeft toegepast bij het beoordelen van de Middelen die deze Gronden van Beroep ondersteunen, en of de procedures op een goede manier zijn gevolgd.
Sectie [VI] Proceskosten
Belanghebbende verzoekt Uw College hem een vergoeding voor de kosten van de onderliggende procedure(s) toe te kennen op grond van art.8.75 van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht,
Sectie [VII] Geciteerde Documenten
In onderliggend Verzoekschrift wordt verwezen naar volgende publicaties :
#1 (*) : no van (Doc. [x])
#2 (**) : gegevens van het doument ; [0] t.m [8] : Procedure Documenten (Vanaf [9]worden de volgende gegevens toegevoegd)
#4 (***) : komt voor in (Doc.[27]) als (Doc. [X])
#5 (****) : Kopie bijgevoegd
#6 (blz) : Blz. van huidig Verzoek waarop het document vermeld is met bibliografische. gegevens.
(*) | (**) | (Blz.) | (***) | (****) |
|---|---|---|---|---|
[0] | Pro-forma Verzoek (15-06-22 ter behoud van recht0 | 1. | + | |
[1] | Uitspraak hoger Beroep | 2. (reeds verstuurd met (Doc. [0]) | ||
[2] | Bezwaarschrift | 3. (de ref. [2] t.m. [8] staan alle op blz van het Beroepschrift) | ||
[3] | Beroepschrift | |||
[4] | Pleitnota | |||
[5] | Uitspraak Rechtbank | |||
[6] | Hoger Beroepshift | |||
[7] | Verweerschrift Bel. Dienst | |||
[8] | Repliek | |||
[9] | Schutblad van de Z. O. 2978 | 3 | + | |
[10] | EOB staff Rapport | 4. | + | |
[11] | ECLI:NL:BARN:2012:BY 6260 | 6. | [11] | |
[12] | CLI:NL:GHARL:2013:7499 | 6 | [12] | |
[13] | DKP/DIO 2005/120 | 8 | [10] | |
[14] | Note Verbale DKP/DIO 2005/220 | 8 | [10] | |
[15] | DKP/NP:2016/283 (Doc.[15]). | 8 | [10] | |
[16] | IFZ02/1208M | 8 | [11] | |
[17] | EOB EVALUATIES no 316’, 250 blz., gepubliceerd 11/08 door BUZA [ISBN/EAN 978-90-5328-370-7] | 11 | [17] | + (blz 83–96) |
[18] | NL:PHR:2006:1129 ‘The Institute of International law’ | 10 | ||
[19] | ECLI:NL:BARN: 2012:BY6260 | 14 | ||
[20] | ECLI:NL: GHARL:2013::7499 (Doc. [20]) : | 14 | ||
[21] | ECLI:NL:PHR :2019:1074 Publicatiedatum : 05-10-19 | 16 | [14] | |
[22] | ECLL:NL:PHR : 2019:1038 Publicatiedatum : 25-10-19 | 16 | ||
[23] | ECLI:NL:PHR:2019:1032 Publicatiedatum : 25-10-19 | 16 | [15] | |
[24] | ECLI:NL:PHR:2019:1030 | 16 | [16] | |
[25] | ECLL:Nl:HR:2020:400 Publicatiedatum : 13-03-20 | 16 | [17] | |
[26] | ECLI:NL:HR:2020:407 Publicatiedatum : 13-03-20 | 16 | [18] | |
[27] | Litteratuurlijst, Bijlage C van (Doc.[3]) | + | ||
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑06‑2023
~ M.b.t.' {0} en {0'}: in de uitspraak va van 9-6-22 (Doe. [l ])wordt ten onrechte niet ingegaan op de periode van vóór de Z.O. 2006 (wijziging van de Z.O. 1978) van kracht werd ‘ niet tegenstaande het feit dat wordt aangetoond dat in deze periode er geen wet- of regelgeving bestond die EOB ambtenaren met een ‘DV ’ toevoeging (afkomstig van BUZA) uitsloot van het Privilege van vrijstelling van van Box 3 heffing (voortvloeiend uit hun EOB salaris).~ Het wordt aangetoond m.b.t. {i'} dat lid 6 van art 10 van de gewijzigde Z.O. 2006 niet voldoet aan art 25 van het Protocol en dus ook geen kracht van wet kan hebben.en dat lid (5) niet van toepassing is.~ Uit de analyse van de voorwaarden waaraan een EOB ambtenaar moet voldoen om tot de geprivilegieerde groep te behoren, blijkt, na evaluatie van de toevoeging ‘DV’ (ofwel afkomstig van BUZA, ofwel van de IND) dat volgens de gegevens in het curriculum van Belanghebbende, dat zij volledig voldoet aan de voorwaarden om te behoren tot deze groep.~ Er wordt aangetoond in {iii'} dat Belanghebbende, vooraleer zij werd aangeworven door het EOB, reeds eerder gebruik had gemaakt van haar recht van werken en wonen in EU landen, en aldus valt onder de voorwaarden gesteld in de NL jurisprudentie waaraan voldaan moet worden om op basis van art 45VWEU vrij gesteld te worden van de Box 3 heffing.
TOELICHTING op volgende blz. .