Trb. 2006, 155.
HR, 13-03-2020, nr. 19/02014
ECLI:NL:HR:2020:400
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-03-2020
- Zaaknummer
19/02014
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:400, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1030
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1074
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2019:551
ECLI:NL:PHR:2019:1030, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑10‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:400
ECLI:NL:PHR:2019:1074, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑10‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:400
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:407
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑06‑2019
- Vindplaatsen
V-N 2020/14.8 met annotatie van Redactie
NLF 2020/0712 met annotatie van Sonja Dusarduijn
FED 2020/84 met annotatie van G.T.K. MEUSSEN
BNB 2020/129 met annotatie van A.L. Mertens
NTFR 2020/827 met annotatie van Drs. B.J. Kiekebeld
FutD 2020-0761
Viditax (FutD) 2020031303
NLF 2019/2512 met annotatie van Sonja Dusarduijn
NTFR 2019/2808 met annotatie van mr. R.A. Bosman
FutD 2019-2760
Viditax (FutD) 2019102506
NLF 2019/2511 met annotatie van Sonja Dusarduijn
Uitspraak 13‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Artikel 10 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in 's-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst (Zetelovereenkomst), artikel 45 VWEU, Nederlandse nationaliteit, ECLI:NL:HR:2011:BR0387, ECLI:EU:C:2002:432, ECLI:EU:C:1989:130, ECLI:EU:C:2006:106, ECLI:EU:C:1996:251 en ECLI:EU:C:1979:31.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02014
Datum 13 maart 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 maart 2019, nrs. BK-18/00473 tot en met 18/00481, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 17/5711, 17/5712, 17/5714, 17/5715, 17/5717, 17/5718 en 17/5720 tot en met 17/5722) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2006 tot en met 2014 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en de daarbij voor de jaren 2006 tot en met 2009 en 2011 gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 8 oktober 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1030, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2019:1074).
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Van februari 1988 tot en met augustus 2004 heeft belanghebbende gewerkt bij het hoofdkantoor van het Europees Octrooi Bureau in München. Hij woonde toen in Duitsland. Vanaf 1 september 2004 tot en met 31 december 2014 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam geweest bij de vestiging van het Europees Octrooi Bureau in Rijswijk (hierna: het EOB) en heeft hij in Nederland gewoond.
2.2
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor de onderhavige jaren aanslagen in de inkomstenbelasting opgelegd en daarbij belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.
2.3.1
Voor het Hof was in geschil of bij belanghebbende het inkomen uit sparen en beleggen in de heffing van inkomstenbelasting mag worden betrokken.
2.3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 10, lid 6, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ‘s-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst1.(hierna: de Zetelovereenkomst) een ongerechtvaardigde beperking vormt van artikel 45 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Het inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende mag volgens het Hof niet in de heffing van inkomstenbelasting voor de onderhavige jaren worden betrokken.
2.4.1
Het middel betoogt onder meer dat het in artikel 10 van de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid tussen personeelsleden van de EOB die de Nederlandse nationaliteit hebben en andere personeelsleden geen door artikel 45 WVEU verboden beperking is. Indien wel sprake is van een beperking, is deze gerechtvaardigd, aldus het middel.
2.4.2
De Zetelovereenkomst bepaalt in artikel 10, lid 1, kort gezegd, dat bepaalde personeelsleden van het EOB dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 19612.(hierna: Verdrag van Wenen). Ingevolge artikel 10, lid 6,Zetelovereenkomst zijn personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland, van deze voorrechten en immuniteiten uitgesloten. Artikel 34 van het Verdrag van Wenen bepaalt dat een diplomatieke ambtenaar, uitzonderingen daargelaten, is vrijgesteld van alle belastingen.
2.4.3
Bij de beoordeling van het middel is van belang dat belanghebbende voorafgaand aan zijn tewerkstelling bij het EOB in Nederland in een andere lidstaat heeft gewoond en gewerkt als werknemer. In dit opzicht is sprake van een andere situatie dan die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011.3.Belanghebbende bevindt zich, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, ten opzichte van de staat van herkomst (Nederland) in een vergelijkbare positie als alle andere personen die de door het VWEU gewaarborgde rechten en vrijheden genieten.4.Ook een ambtenaar van een internationale organisatie kan de hoedanigheid van migrerend werknemer bezitten.5.Het is eveneens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het recht op vrij verkeer van werknemers niet aldus kan worden uitgelegd dat de eigen onderdanen van een bepaalde lidstaat van de toepassing van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten, wanneer zij zich, door hun handelwijze, ten opzichte van hun staat van herkomst in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten.6.
2.4.4
De bepaling dat werknemers van het EOB met een Nederlandse nationaliteit die zijn aangeworven vanuit een andere EU-lidstaat, niet zijn vrijgesteld van belasting op hun inkomen uit sparen en beleggen maar werknemers met een andere nationaliteit in overigens dezelfde omstandigheden wel, heeft tot gevolg dat het voor werknemers met een Nederlandse nationaliteit die in een andere lidstaat dan Nederland werken en wonen, minder aantrekkelijk is om een dienstbetrekking aan te gaan met het EOB in Nederland dan voor werknemers met een andere nationaliteit. Artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst beperkt dus het in artikel 45 VWEU gewaarborgde recht op vrij verkeer van werknemers.
2.4.5
Onderzocht moet worden of deze beperking gelet op de bepalingen van het VWEU, gerechtvaardigd is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kan een maatregel waarbij door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden worden beperkt, slechts gerechtvaardigd zijn indien hij een met het VWEU verenigbaar legitiem doel nastreeft en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt. Daartoe moet een dergelijke maatregel geschikt zijn om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en mag hij niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.7.
2.4.6
Het middel betoogt dat de beperking in de eerste plaats wordt gerechtvaardigd doordat het onderscheid van artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst aansluit bij de internationaal aanvaarde praktijk. In de tweede plaats wordt deze beperking gerechtvaardigd door de doelstelling van die bepaling om het EOB in volledige onafhankelijkheid te laten functioneren, aldus het middel. Tot slot betoogt het middel dat de beperking wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de heffingsbevoegdheden evenwichtig te verdelen tussen de lidstaten.
2.4.7
De beperking van het recht op vrij verkeer van werknemers in de zin van artikel 45 VWEU door artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst kan niet door de in het middel aangevoerde gronden worden gerechtvaardigd. De internationaal aanvaarde praktijk noch de doelstelling het EOB in volledige onafhankelijkheid te laten functioneren vormt een dwingende reden van algemeen belang om Nederlandse onderdanen en personen die duurzaam verblijf houden in Nederland van de voorrechten en immuniteiten uit te sluiten. Achtergrond van de internationale praktijk is het oogmerk internationale organisaties onafhankelijk te laten functioneren. Deze doelstelling wordt niet aangetast als ook belanghebbende de voorrechten en immuniteiten geniet. De beperking kan voorts niet worden gerechtvaardigd door de noodzaak van een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten omdat de Zetelovereenkomst niet de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen twee lidstaten betreft, maar de verdeling daarvan tussen Nederland en het EOB.
2.4.8
Het middel faalt. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2020
Trb. 1962, 159.
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0387.
HvJ 11 juli 2002, Marie-Nathalie D’Hoop, C-224/98, ECLI:EU:C:2002:432, punt 30.
Vgl. HvJ 15 maart 1989, Echternach, 389/87 en 390/87, ECLI:EU:C:1989:130, punt 11 en HvJ 16 februari 2006, Rockler, C-137/04, ECLI:EU:C:2006:106, punt 15.
HvJ 27 juni 1996, Asscher, C-107/94, ECLI:EU:C:1996:251, punt 32 en HvJ 7 februari 1979, Knoors, 115/78, ECLI:EU:C:1979:31, punt 24.
HvJ 16 februari 2006, Rockler, C-137/04, ECLI:EU:C:2006:106, punt 22.
Conclusie 08‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Zetelovereenkomst Europees Octrooi Bureau (EOB); uitsluiting Nederlanders en DV(duurzaam verblijf)-statushouders van de vrijstelling van box 3-inkomen voor EOB-werknemers; verenigbaar met art. 45 VwEU (vrij werknemersverkeer) als die Nederlanders vanuit een andere EU-lidstaat zijn aangeworven? Intern geval? Knoors-rechtspraak HvJ EU; Rechtvaardigingen; Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer Feiten: De belanghebbende, Nederlander, heeft tot en met augustus 2004 in München gewerkt en gewoond, waar hij werkte voor het hoofdkantoor van de Europese Octrooi Organsiatie (EOO). Van 1 september 2004 tot en met 31 december 2014 werkte hij bij de Nederlandse vestiging, het EOB. In geschil is in cassatie nog of art. 45 VwEU in de weg staat aan toepassing van art. 10(6) van de Zetelovereenkomst met de EOO, dat bepaalde fiscale voorrechten en immuniteiten onthoudt aan EOB-werknemers die Nederlander zijn of duurzaam verblijf houden in Nederland. Het Hof Den Haag achtte art. 45 VwEU geschonden omdat art. 10(6) Zetelovereenkomst Nederlanders die van hun EU-vrijverkeersvrijheden gebruik hebben gemaakt ongunstiger behandelt dan niet-Nederlanders in overigens gelijke omstandigheden (omgekeerde discriminatie naar nationaliteit die niet als puur interne aangelegenheid kan worden beschouwd). Het Hof zag geen EU-rechtelijk aanvaardbare rechtvaardiging in de Nederlandse wens diplomaten en werknemers van internationale organisaties hetzelfde te behandelen, noch in het volkenrecht of de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid. In cassatie betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte het uit art. 10(6) Zetelovereenkomst voortvloeiende verschil tussen Nederlanders en niet-Nederlanders in heffing over box 3-inkomen in strijd heeft geoordeeld met art. 45 VwEU, nu de belanghebbende niet ongunstiger wordt behandeld dan ingezeten Nederlanders. Bij deze conclusie gaat een bijlage die ook gaat bij de zaak met nummer 19/02014 waarin A-G Wattel op dezelfde dag heeft geconcludeerd. In die bijlage worden de voor beide zaken relevante achtergronden, wetteksten, parlementaire geschiedenis en rechtspraak behandeld. Ook A-G Wattel meent dat de belanghebbende zich op art. 45 VwEU kan beroepen om hetzelfde behandeld te worden als een niet-Nederlander die vanuit een andere EU-lidstaat naar Nederland komt om voor het EOB te werken. Hij heeft van zijn EU-verkeersrechten gebruik gemaakt door duurzaam in München te gaan wonen en werken, waardoor geen sprake meer is van een puur interne situatie, en hij is vervolgens, anders dan Van Hilten-Van der Heijden, teruggekeerd vanuit Duitsland om voor het EOB te gaan werken. Volgens de vaste Knoors–jurisprudentie van het HvJ verkeerde hij daarmee in dezelfde situatie als een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat door het EOB wordt aangeworven. Het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst is in dit geval dus onverenigbaar met art. 45 VwEU. Ook de A-G ziet geen EU-rechtelijk aanvaardbare rechtvaardiging voor het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst. Dat die bepaling internationaal aanvaard is voor diplomatieke ambtenaren en dat Nederland streeft naar dezelfde fiscale behandeling als die voor diplomaten, lijkt de A-G niet relevant omdat (i) de belanghebbende geen diplomatiek ambtenaar is en (ii) dus ook niet onderworpen is gebleven aan de belastingheffing van een zendstaat, en (iii) het onderscheid tussen Nederlands en niet-Nederlands EOB-personeel op geen enkele wijze de onafhankelijkheid van het EOB-personeel kan dienen. De HvJ-arresten Evans en Kadi, inhoudende dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht, maken dit niet anders. Het door de Staatssecretaris ingeroepen volkenrecht ziet op diplomatieke ambtenaren en niet op werknemers van een internationale organisatie. Er is geen volkenrechtelijke regel die Nederland dwingt om op EOB-personeel dezelfde (uitzonderingen van) voorrechten en immuniteiten toe te passen als op diplomatieke ambtenaren, noch om het box 3-inkomen van dergelijk personeel te belasten. De A-G acht onderscheid naar nationaliteit evenmin noodzakelijk voor een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten, nu geen sprake is van verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, maar van vrijstelling door één enkele lidstaat, Nederland. Het EOB noch enige andere staat of entiteit belast immers het box 3-inkomen van Nederlands ingezeten EOB-werknemers. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02014
Datum 8 oktober 2019
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting 2006 - 2014
Nrs. Gerechtshof BK-18/00473 t/m 18/00481
Nrs. Rechtbank SGR 17/5711 t/m 17/5722
CONCLUSIE
P.J. Wattel
in de zaak van
de Staatssecretaris van Financiën
tegen
[X]
bijlage
1. Overzicht
1.1 Deze zaak en die met rolnr. 19/02019 waarin ik vandaag eveneens concludeer, gaan over de vraag of Nederland bevoegd is om het box 3 inkomen van werknemers van het Europese Octrooi Bureau (EOB) te belasten. Art. 10(6) van de Zetelovereenkomst tussen Nederland en de Europese Octrooiorganisatie (EOO) van 27 juni 20061.onthoudt bepaalde fiscale voorrechten en immuniteiten aan EOB-werknemers die Nederlander zijn of duurzaam verblijf houden in Nederland (‘DV’-status hebben). In geschil is of dit voorbehoud hen fiscaal discrimineert, zulks in strijd met art. 14 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), art. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) (discriminatieverboden) en/of art. 45 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) (vrij werknemersverkeer binnen de EU).
1.2 Het Hof Den Haag acht het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst verenigbaar met art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR op grond van de bijzondere band tussen Nederland en zijn onderdanen, maar acht dat onderscheid wel in strijd met het discriminatieverbod van art. 45 VwEU zonder dat daarvoor een EU-rechtelijk aanvaardbare rechtvaardiging bestaat.
1.4 Bij beide zaken hoort een gemeenschappelijke bijlage met de voor beide zaken relevante regelgeving, de achtergronden daarvan en de relevante rechtspraak en literatuur.
1.5 De belanghebbende is Nederlander en woonde in de geschiljaren in Nederland. Hij heeft daarvóór, van februari 1988 tot en met augustus 2004, in München gewerkt voor het hoofdkantoor van de Europees Octrooi Organisatie (EOO). Van 1 september 2004 tot en met 31 december 2014 heeft hij gewerkt bij de Nederlandse vestiging: het Europees Octrooibureau (EOB) in Rijswijk. In geschil is de aanvaardbaarheid van het onderscheid dat art. 10(6) van de Zetelovereenkomst maakt tussen EOB-personeel dat bij aanvang van de werkzaamheden niet-Nederlander was en EOB-personeel dat op dat moment Nederlander was of niet-Nederlander met DV-status.
1.6 De Staatssecretaris betwist niet dat art. 45 VwEU (vrij werknemersverkeer) van toepassing is, maar betoogt dat de belanghebbende niet minder gunstig wordt behandeld dan een Nederlands ingezetene in een interne situatie, verwijzende naar HR BNB 2011/215. De Staatssecretaris ziet kennelijk ofwel een omgekeerde discriminatie naar nationaliteit (ongunstiger behandeling van eigen onderdanen) die door het EU-recht niet wordt verboden, ofwel een Van Hilten-van der Heijden2.-geval, waarin degene die Nederland verlaten heeft, niet slechter wordt behandeld dan degene die onder overigens gelijke omstandigheden in Nederland is gebleven. Belanghebbendes geval is echter vergelijkbaar noch met dat van een ingezetene die in Nederland wordt aangeworven, noch met Van Hilten-Van der Heijden. Hij heeft immers – anders dan in een puur intern geval - van zijn EU-verkeersrechten gebruik gemaakt door duurzaam in München, Duitsland, te gaan wonen en werken en hij is vervolgens – anders dan Van Hilten-Van der Heijden - in 1997 vanuit die andere EU-lidstaat door het EOB aangeworven en naar Nederland terugverhuisd om daar betaalde arbeid te aanvaarden. Volgens de vaste Knoors3.-rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) verkeerde hij daarmee in dezelfde situatie als een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat wordt aangeworven door het EOB en die zich kan beroepen op art. 45 VwEU.
1.7 De belanghebbende kan zich dus op art. 45 VwEU beroepen om hetzelfde behandeld te worden als een niet-Nederlander die vanuit een andere EU-lidstaat naar Nederland komt om voor het EOB te werken. Art. 10(6) van de EOB-Zetelovereenkomst behandelt hem echter niet als zodanig. Die niet-Nederlander krijgt immers (wel) vrijstelling van de box 3 heffing voor zover niet ziende op Nederlandse onroerende zaken. Daarmee is een belemmering van het vrije werknemersverkeer binnen de EU gegeven.
1.8 Dan rijst de vraag of een rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit. De Staatssecretaris ziet die in het streven om met de Zetelovereenkomst aan te sluiten bij de internationaal ontwikkelde praktijk voor diplomaten. De uitzonderingen in art. 10(6) Zetelovereenkomst op de overigens voorziene voorrechten en immuniteiten zijn internationaal aanvaard voor diplomatieke ambtenaren.
1.9 Die fiscale regels voor diplomatiek personeel zijn erop gebaseerd dat (i) een soevereine staat niet een andere soevereine staat belast, (ii) een diplomatiek ambtenaar zijn functies onafhankelijk van de ontvangende staat moet kunnen uitoefenen, en (iii) een diplomatiek ambtenaar onderworpen blijft aan één belastingregime, nl. dat van zijn zendstaat, in plaats van aan de elkaar opeenvolgende steeds verschillende regimes van de opeenvolgende staten waarnaar zij wordt uitgezonden. De belanghebbende is echter geen diplomatiek ambtenaar en is dus ook niet onderworpen aan belastingheffing van enige zendstaat; hij heeft zendstaat noch ontvangststaat. Hij is inwoner van Nederland en daarmee onderworpen aan de Nederlandse belastingheffing voor zover de Zetelovereenkomst die niet uitsluit. Omstandigheden (i) en (iii) doen dus niet ter zake, maar alleen omstandigheid (ii). Met het Hof ontgaat mij echter hoe het gemaakte onderscheid tussen Nederlands EOB-personeel en niet-Nederlands EOB-personeel de onafhankelijkheid van het EOB-personeel zou dienen.
1.10 De Staatssecretaris wijst vervolgens op de Evans4.- en Kadi5.-arresten van het HvJ EU, inhoudende dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht dat deel uitmaakt van de rechtsorde van de EU en dat de EU-instellingen bindt. Het volkenrecht waarnaar de Staatssecretaris verwijst, ziet echter op diplomatieke ambtenaren en niet op werknemers van een internationale organisatie. Er is geen regel van volkenrecht die ertoe noopt om EOB-personeel fiscaal hetzelfde te behandelen als diplomatiek personeel of om Nederlands onderdanen of DV-statushouders die voor internationale organisaties werken (volledig) aan box 3 te onderwerpen.
1.11 De Staatssecretaris stelt ten slotte dat het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst noodzakelijk is voor een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten, daarbij met name wijzende op het Gilly-arrest van het HvJ EU en op het OESO-Modelbelastingverdrag.
1.12 Bilaterale belastingverdragen, al dan niet opgetrokken volgens het OESO-Modelverdrag, mogen evenmin als intern recht in strijd luiden met de EU-verkeersvrijheden, tenzij daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. Het enkele feit dat dat OESO-Model mogelijk anders luidt dan het EU-recht voorschrijft, is uiteraard op zichzelf geen rechtvaardiging voor schending van primair EU-recht. Uit het Gilly-arrest valt dat ook niet af te leiden. Het zegt slechts dat het niet onredelijk is dat de lidstaten zich bij de onderlinge verdeling van hun heffingsbevoegdheden laten leiden door het OESO-Model en dat nationaliteit als aanknopingscriterium voor de uitoefening van heffingsjurisdictie daarbij niet verboden, want op zichzelf neutraal is. In ons geval is echter geen sprake van verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, maar van (niet-)vrijstelling door één enkele lidstaat, Nederland. Het EOB noch enige andere lidstaat belast immers het box 3 inkomen van Nederlands ingezeten EOB-werknemers. Met het Hof meen ik daarom dat het onderscheid naar nationaliteit niet gerechtvaardigd kan worden door een – immers niet-bestaande - noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, noch tussen Nederland en het EOB, dat geen heffingsjurisdictie uitoefent.
1.13 Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
2.1
De belanghebbende is Nederlander en woonde in de geschiljaren in Nederland. Hij heeft van november 1985 tot en met januari 1988 in Zwitserland gewoond en gewerkt en van februari 1988 tot en met augustus 2004 in München, waar hij werkte voor het hoofdkantoor van de Europees Octrooi Organisatie (EOO). Van 1 september 2004 tot en met 31 december 2014 heeft hij gewerkt bij de vestiging van de Europese Octrooi Organisatie in Rijswijk: het Europees Octrooibureau (EOB). Hij had als Directorate Advisor de rang A4(2).
2.2
In geschil is de vraag of de artt. 14 EVRM en 26 IVBPR (discriminatieverbod) of art. 45 VwEU (vrij werknemersverkeer) in de weg staan aan toepassing van art. 10(6) van de Zetelovereenkomst met de EOO. Die bepaling sluit Nederlanders uit van bepaalde voorrechten en immuniteiten die art. 10 overigens toekent aan EOB-personeel. Het gaat in concreto om de vrijstelling van box 3-inkomen voor zover niet bestaande uit fictief inkomen uit Nederlandse onroerende zaken. Die vrijstelling geldt alleen voor EOB-personeel dat niet de Nederlandse nationaliteit heeft, noch de DV-status (‘duurzaam verblijf’) heeft.
2.3
Niet in geschil is dat het salaris dat de belanghebbende van het EOB ontvangt, is vrijgesteld onder art. 10 van de Zetelovereenkomst.
De Rechtbank Den Haag6.
2.4
Voor de Rechtbank was in geschil of (i) belanghebbendes box 3 inkomen net als zijn EOB-salaris is vrijgesteld, en (ii) of de belanghebbende onrechtmatig fiscaal wordt gediscrimineerd naar nationaliteit.
2.5
De Rechtbank achtte de belanghebbende niet vergelijkbaar met een EOB-werknemer in Nederland met een andere dan de Nederlandse nationaliteit:
“13. Eiser heeft gesteld dat hij voordat hij werd aangesteld bij het EOB in Nederland van februari 1988 tot en met augustus 2004 bij het EOB in München heeft gewerkt, aldaar voor de functie bij het EOB in Nederland is geworven en daarom voor wat betreft de vrijstelling gelijk gesteld moet worden met een werknemer van het EOB in Nederland met een andere dan de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank overweegt dat het gegeven dat eiser vóór zijn aanstelling bij het EOB in Nederland niet in Nederland woonde, niet wegneemt dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft behouden en daarmee de band met Nederland heeft behouden, ook tijdens zijn verblijf buiten Nederland. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en is ingezetene van Nederland. Eiser is niet vanuit het buitenland naar Nederland gezonden en is geen buitenlands belastingplichtige. Het aanvullend verdrag beoogt een uniforme regeling te treffen voor diegenen die vanuit het buitenland naar Nederland worden gezonden om alhier te werken voor internationale organisaties die in Nederland een vestiging hebben, een en ander overeenkomstig het verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, en die, met name vanwege hun nationaliteit, in de zendstaat belastingplichtig blijven (vergelijk Hof Den Haag 21 juli 2010, nr. BK-09/00815, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN5781).”
2.6
De Rechtbank achtte heffing over belanghebbendes box 3 inkomen evenmin in strijd met art. 45 VwEU omdat de box 3 grondslag geen onderdeel is van zijn arbeidsvoorwaarden, maar voortvloeit uit los daarvan staand privé sparen of beleggen:
“14. Eiser heeft, onder verwijzing naar het Bosman-arrest rechtsoverweging 96, een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 45, tweede lid, (…) (VwEU) en artikel 7 van de Verordening [nr. 492/2011 van het Europees parlement en de raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;7.PJW]. Dit beroep faalt.
Het bepaalde in artikel 45, tweede lid, VwEU waarborgt het vrije verkeer van werknemers en verbiedt elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Het verkrijgen van inkomen uit sparen en beleggen is geen onderdeel van arbeidsvoorwaarden, maar een gevolg van een zelfstandige activiteit van de spaarder/belegger. Het belasten van het inkomen uit sparen en beleggen is daarom niet strijd met artikel 45, tweede lid, VwEU.
15. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente tot een te hoog bedrag is berekend.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.”
Het Gerechtshof Den Haag8.
2.7
Ook bij het Hof was in geschil of belanghebbendes box 3 inkomen in de heffing van inkomstenbelasting kan worden betrokken.
2.8
Het Hof heeft belanghebbendes beroep op art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR verworpen, zich baserende op HR BNB 2011/251 en de in dat arrest aangehaalde kamerbrief (Kamerstukken II 2004/05, 30 178, nr. 1, p. 10-11; zie 7.4 van de bijlage). Weliswaar verschilt belanghebbendes situatie van die van de belanghebbende in HR BNB 2011/251 omdat hij (i) vanuit het buitenland is aangeworven en (ii) een zodanig hoge rang heeft dat hij niet onder art. 37(2) maar onder art. 34 Verdrag van Wenen valt, dat, anders dan art. 37(2), onderdanen van de ontvangende staat niet uitsluit, maar dat acht het Hof niet doorslaggevend omdat verschil (i) belanghebbendes bijzondere band met Nederland niet wegneemt en verschil (ii) niet relevant is omdat dat diplomaten vrijwel nooit onderdaan zijn van de ontvangende staat:
“6.12. (…) bepaalt artikel 38, lid 1, van het Verdrag van Wenen dat, behalve voor zover een ontvangende staat aanvullende voorrechten en immuniteiten verleent, de diplomatieke ambtenaar die onderdaan is van (of duurzaam verblijf houdt in) de ontvangende staat, in die staat slechts immuniteit van rechtsmacht en onschendbaarheid ten aanzien van officiële handelingen verricht in de uitoefening van zijn functie geniet.
6.13.
In overeenstemming met (…) artikel 38 van het Verdrag van Wenen stelt artikel 33, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 als voorwaarde voor de belastingvrijstelling van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen dat zij geen Nederlander zijn (en niet duurzaam verblijf houden in Nederland). Naar Nederlands nationaal recht komen dus alleen personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, in aanmerking voor de privileges van artikel 34 van het Verdrag van Wenen.
6.14.
Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat het strookt met het Verdrag van Wenen - en daarmee met het uniforme beleid voor internationale organisaties - dat ingevolge artikel 10, lid 6, van de Zetelovereenkomst alleen privileges worden verstrekt aan personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten (en niet duurzaam verblijf houden in Nederland).
6.15.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 juli 2011 [HR BNB 2011/251; zie onderdeel 8.2 van de bijlage; PJW] geoordeeld dat zowel de uitzondering in artikel 37, lid 2, van het Verdrag van Wenen als die in artikel 10, lid 6, van de Zetelovereenkomst wordt verklaard door “de band die deze personen hebben met de ontvangende staat, en die rechtvaardigt dat deze staat die personen in de belastingheffing betrekt”. De band van Nederlandse onderdanen met Nederland vormt volgens de Hoge Raad derhalve een voldoende rechtvaardiging voor belastingheffing van deze categorie werknemers van internationale organisaties. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden dat hij vanuit het buitenland is aangeworven en eerst door zijn komst naar Nederland - evenals andere vanuit het buitenland aangeworven EOB-medewerkers zonder de Nederlandse nationaliteit - binnenlands belastingplichtig is geworden, kunnen naar 's Hofs oordeel niet afdoen aan het bestaan van die band. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen en de zeer ruime beoordelingsvrijheid die op fiscaal gebied aan de wetgever/verdragsluiter toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 (…) (IVBPR) en artikel 14 (…) (EVRM) gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen, heeft het door de Hoge Raad in het arrest van 8 juli 2011 geoordeelde evenzeer te gelden voor de categorie medewerkers van internationale organisaties, waartoe belanghebbende behoort, die vanwege hun rang niet (via artikel 10, lid 2, van de Zetelovereenkomst) onder artikel 37, lid 2, maar (via artikel 10, lid 1, letter b, van de Zetelovereenkomst) onder artikel 34 van het Verdrag van Wenen vallen.
6.16.
Van een verboden discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM of artikel 26 IVBPR is derhalve geen sprake.”
2.9
Daarna was het geschil beperkt tot de toepassing van EU-recht. Het Hof achtte art. 18 VwEU (algemeen verbod op discriminatie naar nationaliteit) niet van toepassing omdat het specifieke verbod ex art. 45 VwEU op het belemmeren van het grensoverschrijdende verkeer van werknemers in de EU van toepassing was. Het Hof achtte art. 45 VwEU geschonden door de uitsluiting van Nederlanders in art. 10(6) Zetelovereenkomst, die volgens hem omgekeerde discriminatie naar nationaliteit inhoudt die niet als puur interne aangelegenheid kan worden beschouwd:
“6.20. Anders dan de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat het vrije verkeer van werknemers niet beperkt is tot belastingmaatregelen die specifiek verband houden met de arbeidsvoorwaarden, zoals het loon. Artikel 45 VWEU staat geheel in het algemeen eraan in de weg dat een lidstaat grensoverschrijdende werknemers zwaarder belast. Zij ondervinden dan immers financieel nadeel wanneer zij in Nederland arbeid gaan verrichten, waardoor sprake is van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers. Zie bijv. (…) HvJ EU 14 februari 1995, zaak C-279/93 (Schumacker), ECLI:EU:C: 1995:31 (persoonlijke aftrekken en tegemoetkomingen), HvJ EU 16 oktober 2008, zaak C-527/06 (Renneberg), ECLI:EU:C:2008:566 (hypotheekrenteaftrek voor een in het buitenland gelegen woning), en HvJ EU 26 april 2007, zaak C-392/05 (Alevizos), ECLI:EU:C:2007:251 (belastingvrijstelling bij invoer van persoonlijke goederen door particulieren). De onderhavige uitzondering op het toekennen van privileges (…) aan medewerkers van het EOB is een maatregel die specifiek bepaalde categorieën personen treft die bij het EOB in dienst treden. Het Hof is van oordeel dat een dergelijke belastingmaatregel, ook al heeft deze met name gevolgen voor het inkomen uit sparen en beleggen, onder de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt, aangezien zij het gebruik van het vrije verkeer van werknemers kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken.
6.21.
Met de onderhavige regeling in de Zetelovereenkomst verleent Nederland (…) onder meer een vrijstelling van inkomstenbelasting over het inkomen uit sparen en beleggen, op voorwaarde dat deze werknemers niet de Nederlandse nationaliteit hebben. De maatregel leidt er dus toe dat vanuit het buitenland aangeworven EOB-werknemers die geen Nederlands onderdaan zijn, worden bevoordeeld ten opzichte van eveneens uit het buitenland aangeworven EOB- werknemers die wel Nederlands onderdaan zijn. (…). Belanghebbende valt (…) - louter op grond van zijn nationaliteit - niet het privilege van artikel 34 van het Verdrag van Wenen ten deel, waardoor bij hem de (…) rendementsgrondslag wel in aanmerking wordt genomen. Hiermee is naar het oordeel van het Hof sprake van een beperking van het vrije werknemersverkeer en wel in de vorm van een zogenoemde omgekeerde discriminatie naar nationaliteit (discriminatie van eigen onderdanen).
6.22.
Weliswaar kan een onderdaan van een lidstaat in beginsel tegenover die staat geen beroep doen op de vrijheden van het VWEU, maar dat is anders indien die onderdaan gebruik heeft gemaakt van het recht zich vrij binnen de Unie te verplaatsen en daardoor ten opzichte van zijn staat van herkomst in eenzelfde positie verkeert als onderdanen van andere lidstaten die het recht van vrij verkeer genieten. Zie bijv. de arresten HvJ EU 7 februari 1979, zaak 115/78 (Knoors), ECLI:EU:C:1979:31, punt 24, HvJ EU 15 januari 1986, zaak 44/84 (Hurd), ECLI:EU:C: 1986:2, punt 54, en HvJ EU 23 februari 1994, zaak C-419/92 (Scholz), ECLI:EU:C:1994:62, punt 9. Belanghebbende valt onder deze laatste categorie, aangezien hij vanuit een andere lidstaat (Duitsland) in Nederland is gaan wonen en werken. Derhalve verbiedt artikel 45, lid 2, VWEU ook omgekeerde discriminatie op grond van nationaliteit in deze grensoverschrijdende situatie, indien deze ertoe leidt dat onderdanen van Nederland op ongerechtvaardigde wijze worden benadeeld ten opzichte van onderdanen van andere lidstaten die eveneens gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer.
6.23.
Aan het in 6.22 gegeven oordeel doet niet af dat belanghebbende een werknemer is van een internationale organisatie, aangezien ook een dergelijke werknemer volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU onder het vrije werknemersverkeer valt, en evenmin dat de rechtspositie van belanghebbende speciaal is geregeld in de Zetelovereenkomst. Het Hof wijst op hetgeen is overwogen in het arrest HvJ EU 16 februari 2006, zaak C-137/04 (Rockler), EU:C:2006:106:
[zie onderdeel 8.7 van de bijlage; PJW]
6.24.
Het Hof wijst er ten slotte op dat de in het vierde lid van artikel 45 VWEU opgenomen uitzondering voor betrekkingen in overheidsdienst (…) niet van toepassing is. Belanghebbende valt als werknemer van het EOB immers, anders dan diplomaten, niet onder (…) die bepaling, nog daargelaten dat een werknemer die eenmaal tot de overheidsdienst van een lidstaat is toegelaten, de toepassing van de leden 1 tot en met 3 van artikel 45 VWEU niet kan worden ontzegd (zie het al genoemde arrest Alevizos, punt 69-70 en de daar aangehaalde jurisprudentie).”
2.10
2.11
Gegeven de wide margin of appreciation voor Staten bij de toepassing van het volkenrechtelijke discriminatieverbod ex de artt. 14 EVRM en 26 IVBPR, kan de ‘bijzondere band met Nederland’ het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst weliswaar rechtvaardigen, maar die rechtvaardiging geldt niet bij de toepassing van de EU-verkeersvrijheden, gegeven dat EU-nationaliteit binnen de EU niet zozeer een ‘bijzondere band’ met één lidstaat inhoudt, maar vooral EU-burgerschap. Het Hof heeft daarom de andere door de Staatssecretaris gestelde rechtvaardigingen onderzocht. De Nederlandse wens om zijn concurrentiepositie als vestigingsplaats voor internationale organisaties te bevorderen is volgens het Hof geen dwingende reden van algemeen belang die het in art.10(6) Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid naar nationaliteit kan rechtvaardigen:
“6.27. De doelstelling van het onderscheid (…) tussen personen met en zonder de Nederlandse nationaliteit, is terug te voeren op kabinetsbeleid voor internationale organisaties uit 2005 [zie onderdeel 7.4 van de bijlage; PJW]. Blijkens dit (…) beleid wenste het kabinet ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland (…) eén uniforme behandeling van de medewerkers van hier te lande gevestigde internationale organisaties. In dat kader is besloten het personeel van internationale organisaties in te delen in twee categorieën (het hoogste personeel en het overig personeel) en deze de privileges toe te kennen die ingevolge het Verdrag van Wenen aan ambassadepersoneel in elk van beide categorieën toekomen. Het Verdrag van Wenen zondert eveneens personen die onderdaan zijn van de ontvangende staat, van privileges uit.
6.28.
Het Hof is van oordeel dat de bevordering van de internationale concurrentiepositie van Nederland als vestigingsplaats voor internationale organisaties niet kan bijdragen aan de rechtvaardiging van het door de onderhavige regeling gemaakte onderscheid. (…) het streven naar een uniforme behandeling van het personeel van alle in Nederland gevestigde organisaties, (…) (kan) niet een tussen werknemers van internationale organisaties met dan wel zonder de Nederlandse nationaliteit gemaakt onderscheid (…) rechtvaardigen. Naar het oordeel van het Hof kan het gemaakte onderscheid dan alleen geoorloofd zijn indien de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de beperking van de privileges in het Verdrag van Wenen tot diplomatiek personeel dat geen onderdaan is van de ontvangende staat, de daarvan afgeleide beperking van de door Nederland toegekende fiscale privileges aan personeel van internationale organisaties in het algemeen en die in de Zetelovereenkomst in het bijzonder, kan rechtvaardigen.”
2.12
Het Hof heeft vervolgens onderzocht of de Nederlandse wens om aan te sluiten bij de internationaal ontwikkelde praktijk inzake privileges voor diplomaten, het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst kan rechtvaardigen. Hij heeft daartoe onderzocht op welke gronden Nederland de privileges van eigen onderdanen die voor internationale organisaties werken beperkt, en heeft die gronden vergeleken met de gronden voor de beperking, in het Verdrag van Wenen, van voorrechten en immuniteiten tot diplomatiek personeel dat geen onderdaan is van de ontvangststaat. Hij heeft geconcludeerd dat in die gronden geen rechtvaardiging voor het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst is te vinden:
“6.29. In dit verband moet in de eerste plaats worden onderzocht wat de achtergrond is van het toekennen van fiscale privileges aan werknemers van internationale organisaties in het algemeen en, meer in het bijzonder, aan werknemers van het EOB.
6.29.1.
In de literatuur worden de volgende gronden genoemd voor het verlenen van fiscale vrijstellingen aan werknemers van internationale organisaties in het algemeen (het Hof verwijst naar de literatuur die de A-G aanhaalt in zijn conclusie van 9 november 2016, nr. 16/00971, ECLI:NL:PHR:2016:1129, punt 4.62 tot en met 4.67):
i. een ongehinderd functioneren van de internationale organisatie vereist dat haar werknemers hun functie onafhankelijk van elk nationaal gezag kunnen vervullen. (…);
ii. de gelijkheid van de lidstaten van de internationale organisatie, uit wier bijdragen de salarissen worden betaald, (…). Die gelijkheid zou worden ondermijnd wanneer de staaf waar de internationale organisatie is gevestigd, een bijzonder voordeel zou kunnen genieten door belasting te heffen over de salarissen. Belastingheffing over de salarissen zou voorts betekenen dat de bijdragen verhoogd zouden moeten worden, waardoor de kosten voor de lidstaten omhoog zouden gaan;
iii. het is in het belang van de internationale organisatie dat haar werknemers een gelijke beloning ontvangen. Voorkomen moet worden dat de diverse staten van herkomst uiteenlopende bedragen aan belasting heffen over de salarissen van de werknemers.
6.29.2. (…).
Blijkens artikel 8 van het EOV verleent het EOV de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de taken van de werknemers. In artikel 19 van het Protocol is tot uitdrukking gebracht dat de in het Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten niet zijn ontworpen om de medewerkers van het EOB een persoonlijk voordeel te verlenen, maar uitsluitend om een ongehinderd functioneren van de EOO en volledige onafhankelijkheid van degenen aan wie de voorrechten en immuniteiten zijn verleend, te garanderen. Ingevolge artikel 16 van het Protocol zijn de salarissen van de werknemers van het EOB onderworpen aan een interne belastingheffing ten gunste van de EOO.
6.29.3.
In de memorie van toelichting bij de Nederlandse goedkeuringswet van het Protocol is over de strekking van de voorrechten en immuniteiten het volgende opgemerkt [zie onderdeel 7.1 van de bijlage; PJW].
6.29.4.
Naar het oordeel van het Hof kan de strekking van de voorrechten en immuniteiten verleend aan werknemers van internationale organisaties in het algemeen en van het EOB in het bijzonder, de vrijstelling van nationale inkomstenbelasting over het van de internationale organisatie genoten salaris verklaren, ook ten aanzien van onderdanen van de staat waar de internationale organisatie is gevestigd. Het belang van een goed en onafhankelijk functioneren van een internationale organisatie als het EOB vergt immers onafhankelijkheid ten opzichte van alle lidstaten van die organisatie, zodat de onafhankelijke functie- uitoefening ook gewaarborgd dient te zijn ten aanzien van dier werknemers die de nationaliteit van de gaststaat bezitten. Het is evenwel de vraag of die strekking tevens in de weg staat aan het belasten door de gaststaat van ander inkomen en (inkomsten uit) het vermogen van de betrokken werknemers. Het is niet buiten twijfel dat de vermogensrendementsheffing een onafhankelijke functie-uitoefening van een in die heffing betrokken werknemer van het EOB zou kunnen belemmeren of zou kunnen leiden tót een ongerechtvaardigd voordeel voor Nederland dan wel anderszins van invloed zou zijn op de verdeling van de financiële lasten van de EOO over de lidstaten. Wanneer dit niet het geval is, vormt de achtergrond van de fiscale privileges evenmin een verklaring voor het beperken van de vrijstelling van inkomstenbelasting over het onderhavige inkomen uit sparen en beleggen tot EOB-werknemers zonder de Nederlandse nationaliteit. Uitgaande van de veronderstelling dat die strekking ook een dergelijke vrijstelling vergt, valt naar 's Hofs oordeel niet in te zien dat dit alleen zou gelden ten aanzien van werknemers zonder de nationaliteit van de gaststaat, en niet evenzeer voor werknemers met de nationaliteit van de gaststaat; zie hierna onder 6.31.3.
6.30.
Vervolgens moet worden bezien wat de achtergrond is van de in het Verdrag van Wenen aan personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen toegekende privileges.
6.30.1.
De ratio van de privileges voor (personeel van) diplomatieke vertegenwoordigingen is te waarborgen dat deze vertegenwoordigingen hun functie ongestoord en efficiënt kunnen uitoefenen. Het Hof wijst op hetgeen de preambule van het Verdrag van Wenen hierover vermeldt:
“Beseffend dat het doel van deze voorrechten en immuniteiten niet is personen te bevoorrechten, doch te verzekeren dat diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers der staten doelmatig functioneren”.
6.30.2.
In de memorie van toelichting bij de Nederlandse goedkeuringswet van het Verdrag van Wenen is met betrekking tot de toekenning van privileges en immuniteiten aan personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen het volgende opgemerkt: [zie onderdeel 7.2 van de bijlage; PJW].
6.30.3.
Denza (…) schrijft over de rechtvaardiging van fiscale privileges verleend aan diplomaten in artikel 34 van het Verdrag van Wenen en het verschil met personeel van internationale organisaties: [zie onderdeel 9.4 van de bijlage; PJW].
6.30.4.
Over de reden voor de in artikel 38, leden 1 en 2, van het Verdrag van Wenen opgenomen uitzonderingen van privileges en immuniteiten voor onderdanen van de ontvangende staat en personen die daar duurzaam verblijf houden, schrijft Denza (blz. 5-6) het volgende: [zie onderdeel 9.5 van de bijlage; PJW].
6.30.5.
Het Hof leidt uit de preambule van het Verdrag van Wenen (6.30.1) en de memorie van toelichting bij de Nederlandse goedkeuringswet van het Verdrag van Wenen (6.30.2) af dat een belangrijke doelstelling van de privileges voor diplomaten is te waarborgen dat zij hun functie kunnen uitoefenen in onafhankelijkheid van de ontvangende staat. Daarnaast liggen blijkens de in 6.30.3 en 6.30.4 geciteerde literatuur aan die privileges kennelijk mede ten grondslag het principe dat staten ook in fiscale zin elkaars soevereiniteit respecteren (de gaststaat heft geen belasting over het door de zendstaat aan diens diplomaten betaalde salaris) en de idee dat het de uitvoering vereenvoudigt wanneer diplomaten steeds aan het fiscale regime van hun zendstaat blijven onderworpen in plaats van aan een reeks van verschillende regimes van opeenvolgende gaststaten. Het effect van artikel 34 van het Verdrag van Wenen is in het algemeen dat een diplomaat fiscaal wordt behandeld alsof hij inwoner is gebleven van de staat van waaruit hij is uitgezonden, hetgeen wel wordt aangeduid als het beginsel van de fictieve woonstaat. Het beginsel van de fictieve woonstaat is ook in de Nederlandse wetgeving neergelegd en wel in de vorm van een woonplaatsfictie voor - kort gezegd - diplomaten met de Nederlandse nationaliteit. Ingevolge artikel 2.2, lid 2, aanhef en letter a, Wet IB 2001 wordt een Nederlander die in dienstbetrekking staat tot de Nederlandse staat, steeds geacht in Nederland te wonen indien hij is uitgezonden als lid van een diplomatieke, permanente of consulaire vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland. Het opnemen van een dergelijke woonplaatsfictie is ook gebruikelijk in belastingverdragen (…).
Diplomaten vertegenwoordigen hun eigen staat in het buitenland en zijn dan ook vrijwel altijd onderdaan van de zendstaat. Zoals is overwogen in 6.11, is het bijzonder ongebruikelijk dat diplomaten onderdanen van de ontvangende staat zijn, en staat artikel 8 van het Verdrag van Wenen in principe daaraan ook in de weg. Het bepaalde in artikel 38 van het Verdrag van Wenen op grond waarvan de diplomaat die onderdaan is van de ontvangende staat in beginsel geen fiscale privileges geniet, is verklaarbaar omdat bij deze categorie diplomaten de kans dat de privileges hun tot persoonlijk voordeel zouden strekken, groter is dan de kans dat zij blootgesteld worden aan politiek gemotiveerde intimidatie.
6.31.
Wanneer ten slotte de achtergrond van de privileges voor werknemers van internationale organisaties wordt vergeleken met die van de privileges voor diplomaten, komt het Hof tot de volgende bevindingen.
6.31.1.
De aan de diplomatieke privileges toegeschreven doelstellingen die bestaan uit het respecteren van de soevereiniteit van de zendstaat en uit overwegingen van uitvoerbaarheid bij diplomaten met opeenvolgende posten, hebben naar 's Hofs oordeel geen betekenis voor werknemers van internationale organisaties.
6.31.2.
De doelstelling die aan zowel de privileges voor werknemers van internationale organisaties als die voor diplomaten ten grondslag ligt, is het waarborgen dat de betreffende personen hun functie kunnen uitoefenen in onafhankelijkheid van de ontvangende staat. Daarvoor is met name nodig dat het van de internationale organisatie respectievelijk de zendstaat genoten salaris is vrijgesteld van inkomstenbelasting in de gaststaat, zodat wordt voorkomen dat de gaststaat met fiscale maatregelen enigerlei druk zou kunnen uitoefenen op de uitvoering van de taak van de internationale organisatie of de diplomatieke vertegenwoordiging. Dit betekent niet dat de salarissen door de betrokkenen onbelast worden genoten. In het geval van internationale organisaties zoals het EOB, worden de salarissen belast met een interne heffing door de organisatie zelf; bij diplomaten worden de salarissen belast in de zendstaat, alwaar zij fictief binnenlands belastingplichtig blijven.
6.31.3.
Voor zover die strekking ook in de weg zou staan aan het belasten door de gaststaat van ander inkomen - zoals voordelen uit sparen en beleggen - van de betrokken personen die op zijn grondgebied wonen, valt met betrekking tot werknemers van internationale organisaties niet in te zien dat dit alleen zou gelden ten aanzien van werknemers zonder de nationaliteit van de gaststaat. Een diplomaat vertegenwoordigt de staat waarvan hij (als regel) onderdaan is, in een andere staat en moet dus worden beschermd tegenover de fiscus van die vreemde staat. Een werknemer van een internationale organisatie - welke organisatie als zodanig niet aan een bepaalde staat verbonden is en onafhankelijk ten opzichte van alle lidstaten moet kunnen functioneren - kan willekeurig welke nationaliteit hebben en vertegenwoordigt de internationale organisatie ten opzichte van alle lidstaten. Hij moet dus tegen de fiscus van de gaststaat worden beschermd, ook als dat zijn eigen staat is (zie J.P.A. François, ‘Vrijdom van belastingen’, Nederlands tijdschrift voor internationaal recht, 1958, blz. 195-196; zoals geciteerd in punt 4.62 van de reeds aangehaalde conclusie ECLI:NL:PHR:2016:1129).
In dat verband is voorts van belang dat het hiervóór bedoelde, buiten de functie genoten inkomen waartoe de diplomatieke vrijstelling van inkomstenbelasting zich tevens uitstrekt, bij diplomaten uiteindelijk wel wordt belast en bij werknemers van internationale organisaties niet. Met betrekking tot diplomatiek personeel van ambassades geldt immers dat dergelijke inkomsten in de regel door hun zendstaat in de heffing worden betrokken. Werknemers van internationale organisaties worden daarentegen - anders dan waarvan de Rechtbank uitgaat in r.o. 13 van haar uitspraak - niet uitgezonden door een bepaalde staat maar door de organisatie zelf aangeworven en in dienst genomen, zodat er geen sprake is van een zendstaat waarin zij een fictieve woonplaats behouden en die deze inkomsten belast. Deze werknemers worden wanneer zij hun woonplaats verleggen naar de staat waar de betrokken internationale organisatie is gevestigd, in de regel aldaar binnenlands belastingplichtig. Een uitzondering geldt wanneer de lidstaten van een internationale organisatie overeenkomen dat de werknemers van die organisatie worden belast in de lidstaat waar zij hun fiscale woonplaats hadden ten tijde van hun indiensttreding bij de internationale organisatie. Een dergelijke woonplaatsfictie is opgenomen in artikel 13 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU (dat in artikel 12 alleen de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten van nationale belastingen vrijstelt). Deze woonplaatsfictie houdt in dat de betrokken EU-werknemers, ongeacht hun nationaliteit, bij wijze van fictie hun woonplaats behouden in de lidstaat waarin zij ten tijde van hun indiensttreding woonden. Ook het NAVO-Status Verdrag bevat in artikel X een woonplaatsfictie, maar die is van een andere orde nu zij alleen geldt voor personeel van een krijgsmacht of een civiele dienst in nationale publieke dienst van een staat, dat zich voor de uitoefening van de dienst op het grondgebied van een andere NAVO-lidstaat bevindt. Het gaat daarbij dus om personen met een zendstaat, die hun salarissen aan hen betaalt en waar zij in de regel binnenlands belastingplichtig blijven (vgl. artikel 2.2, lid 2, aanhef en letter b, Wet IB 2001).
Het EOV en het Protocol bevatten geen woonplaatsfictie. De toepassing van de voor diplomaten geldende vrijstelling op in Nederland wonende werknemers van het EOB die niet onder de uitzonderingen wegens nationaliteit en duurzaam verblijf vallen, heeft derhalve veelal tot gevolg dat die werknemers alleen wat betreft hun EOB-salaris onderworpen zijn aan belastingheffing (de interne heffing door het EOB), terwijl noch Nederland noch hun land van herkomst (waar zij immers niet meer binnenlands belastingplichtig zijn) het overige inkomen, zoals het inkomen uit sparen en beleggen, belast (vgl. de publicatie ‘Zetel akkoord? Eindrapport van de werkgroep Beleidskader werving en opvang internationale organisaties Interdepartementaal beleidsonderzoek, blz. 18 en 40; bijlage bij Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1). Overigens bevat de Nederlandse inkomstenbelasting evenmin een woonplaatsfictie op grond waarvan Nederlandse onderdanen die voor een internationale organisatie in het buitenland zijn gaan werken, steeds geacht worden in Nederland te wonen. Een dergelijke woonplaatsfictie geldt ingevolge artikel 2.2, lid 2, letters a en b, Wet IB 2001 alleen voor een tweetal situaties waarin Nederlanders die in dienst zijn bij de Staat, naar het buitenland worden uitgezonden.
6.31.4.
Naar het oordeel van het Hof kan de doelstelling van het ongehinderd functioneren van de internationale organisatie en haar functionarissen dan ook geen rechtvaardiging vormen voor het maken van onderscheid naar nationaliteit van de betrokken EOB- werknemer.
6.31.5.
De andere in 6.29.1 genoemde, aan de privileges voor werknemers van internationale organisaties ten grondslag liggende doelstellingen van de gelijkheid van de lidstaten van de internationale organisatie en het ontvangen van een gelijke beloning door de werknemers van het EOB, vereisen slechts een vrijstelling van het salaris en niet van ander inkomen, zoals het inkomen uit sparen en beleggen. Sterker nog, de vrijstelling van het inkomen uit sparen en beleggen zal er veelal toe leiden dat EOB-werknemers die inwoner van Nederland zijn maar niet de Nederlandse nationaliteit hebben, anders dan hun Nederlandse evenknieën niet over hun totale inkomen belasting betalen, hetgeen afbreuk doet aan de gedachte van een gelijk besteedbaar inkomen van de werknemers van het EOB. Een beperking van de vrijstelling van het inkomen uit sparen en beleggen tot werknemers zonder de Nederlandse nationaliteit kan door die doelstellingen derhalve evenmin worden gerechtvaardigd.
6.32.
Uit het hiervóór in 6.29 tot en met 6.31 overwogene volgt dat de doelstellingen die worden nagestreefd met de privileges in het Verdrag van Wenen voor diplomatiek personeel en die het daarin gemaakte onderscheid naar nationaliteit kunnen verklaren, naar 's Hofs oordeel geen toereikende verklaring bieden voor de daarvan afgeleide beperking van de door Nederland toegekende fiscale privileges aan personeel van internationale organisaties in het algemeen en die in de Zetelovereenkomst in het bijzonder. De doelstellingen die worden nagestreefd met de privileges voor werknemers van internationale organisaties in het algemeen en van het EOB in het bijzonder, bieden op zichzelf beschouwd evenmin een toereikende verklaring voor die beperking.
6.33.
Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat de omstandigheid dat met de regeling van de privileges in de Zetelovereenkomst is beoogd aan te sluiten bij de internationaal ontwikkelde praktijk ten aanzien van de privileges verleend aan diplomaten, geen dwingende reden van algemeen belang vormt voor het in die regeling gemaakte onderscheid op basis van nationaliteit.”
2.13
Tot slot heeft Hof geoordeeld dat het onderscheid naar nationaliteit evenmin kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten of door de wens om een internationaal aanvaarde praktijk te respecteren:
“6.34.2. De Zetelovereenkomst is een (met toepassing van artikel 25 van het Protocol gesloten) bilaterale overeenkomst tussen Nederland en de EOO, waarin Nederland als gaststaat het EOB een bijzondere positie toekent binnen de Nederlandse rechtsorde. Naar het oordeel van het Hof kan de toekenning door Nederland van fiscale privileges in de Zetelovereenkomst dan ook niet worden beschouwd als een verdeling van heffingsrechten tussen de lidstaten (als leden van de EOO), zodat deze grond reeds om die reden niet kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de discriminatie.
6.34.3.
Verder is naar het oordeel van het Hof niet evident dat de toekenning van privileges met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen aan werknemers van internationale organisaties berust op een internationaal aanvaarde praktijk. Uit het in 2005 door het kabinet vastgestelde beleid om werknemers van internationale organisaties in Nederland op uniforme wijze te behandelen ter bevordering van de Nederlandse concurrentiepositie als vestigingsplaats van internationale organisaties (zie 6.9), volgt niet dat het kabinet heeft beoogd aan te sluiten bij een met betrekking tot internationale organisaties algemeen gangbare praktijk. Het Hof wijst voorts op hetgeen Christiaanse in dit kader heeft geschreven [zie onderdeel 9.6 van de bijlage; PJW].
Indien sprake zou zijn van een internationaal aanvaarde praktijk, vergelijkbaar met de internationale praktijk ten aanzien van personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen, zou het voorts voor de hand liggen dat de desbetreffende werknemers van internationale organisaties, evenals diplomatiek personeel, een fictieve woonplaats in de staat van herkomst zouden behouden, hetgeen dan meebrengt dat deze werknemers aldaar belasting betalen over hun overige inkomsten. Dat is internationaal evenwel niet gebruikelijk.
6.34.5.
Het in de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid kan derhalve evenmin worden gerechtvaardigd door de noodzaak een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen.”
2.14
Het Hof heeft daarom belanghebbendes beroep gegrond verklaard.
3. Het geding in cassatie
3.1
De Staatssecretaris heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft afgezien van repliek. De belanghebbende heeft geen incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen ‘s Hofs afwijzing van zijn beroep op de discriminatieverboden van artt. 14 EVRM en 26 IVBPR.
3.2
De Staatssecretaris acht de artt. 18, 20, 21 en 45 VwEU, art. 10 van de Zetelovereenkomst, de artt. 8, 34, 37 en 38 van het Verdrag van Wenen, de artt. 5.1, 5.2, en 5.3 van de Wet IB 2001, en art. 39 AWR jo. artt. 33 en 34 UR AWR geschonden, doordat het Hof (i) geen acht heeft geslagen op belanghebbendes DV-status, en (ii) het uit art. 10(6) Zetelovereenkomst voortvloeiende verschil in belastingheffing over box 3 inkomen in strijd heeft geoordeeld met EU-recht en dat inkomen niet in de inkomstenbelasting over 2009 heeft betrokken. Ad (i) verwijst de Staatssecretaris naar de r.o. 11 en 12 van de Rechtbank.
3.3
De Staatssecretaris stelt onder verwijzing naar r.o. 32 van het Asscher-arrest van het HvJ EU (zie onderdeel 8.6 van de bijlage) dat het VwEU zich niet verzet tegen discriminatie van eigen onderdanen, mits zij niet belemmerd worden gebruik te maken van het vrije verkeer om in een andere lidstaat te verblijven of te reizen en mits of een vrijverkeerssituatie niet ongunstige wordt behandeld dan een binnenlandse situatie. De belanghebbende is volgens de Staatssecretaris niet vergelijkbaar met onderdanen van andere lidstaten die van hun recht op vrij verkeer gebruik hebben gemaakt. Hij verwijst naar het volgens hem juiste oordeel van de Rechtbank op dit punt op basis van belanghebbendes bijzondere band met Nederland.
3.4
Volgens de Staatssecretaris wordt de belanghebbende niet minder gunstig behandeld dan Nederlands onderdanen in een louter interne situatie. De belanghebbende werd bij zijn komst vanuit het Duitsland niet anders behandeld dan andere Nederlanders die bij het EOB werken. Voor onderdanen zoals de belanghebbende is er bij de aanvaarding van de dienstbetrekking bij het EOB dus geen belemmering van het recht van vrij verkeer omdat zij bij hun (terug)komst in Nederland net zo worden behandeld als andere Nederlanders. De Staatssecretaris verwijst naar de HvJ EU arresten Van Hilten-Van der Heijden9.en D’Hoop (zie onderdeel 8.5 van de bijlage), ten betoge dat Nederland geëmigreerde Nederlanders ongunstiger mag aanslaan dan geëmigreerde niet-Nederlanders, mits niet ongunstiger dan niet-geëmigreerde Nederlanders.
3.5
Neemt u desondanks een beperking van het vrije personenverkeer aan, dan betoogt de Staatssecretaris dat Nederland met de Zetelovereenkomst wilde aansluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk door de medewerkers van internationale organisaties in Nederland onderling gelijk te behandelen en gelijk met diplomaten, dus in overeenstemming met het Verdrag van Wenen. De niet-toekenning van niet-functionele fiscale privileges aan eigen onderdanen en DV-houders is een internationaal algemeen aanvaarde uitzondering op de vrijstellingen en immuniteiten. Onder verwijzing naar de HvJ-zaken Evans en Kadi (zie voor beide zaken onderdeel 8.8 van de bijlage) betoogt de Staatssecretaris dat aansluiting bij dit volkenrecht een dwingende reden van algemeen belang vormt.
3.6
De Staatssecretaris ziet ook een rechtvaardiging voor het onderscheid naar nationaliteit in de noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, welke noodzaak zijns inziens ook bestaat bij de toepassing van de Zetelovereenkomst, nu aan internationale organisaties, hoewel zij geen staat zijn, voorrechten en immuniteiten worden toegekend zoals die ook aan staten worden toegekend en de Zetelovereenkomst op fiscaal vlak vergelijkbaar is met een bilateraal belastingverdrag. Hij wijst in dat verband op het Gilly-arrest10.van het HvJ, dat fiscale aanknoping bij nationaliteit toestaat, evenals aansluiting bij het OESO-Model-belastingverdrag en de internationale fiscale praktijk, en opnieuw op het volkenrecht en het Verdrag van Wenen waardoor Nederland zich heeft laten leiden.
3.7
Bij verweer betoogt de belanghebbende dat de uitspraak van het Hof ter zake van het Europese recht juist is en voldoende gemotiveerd. Indien u anders oordeelt, verzoekt hij u een prejudiciële vraag aan het HvJ EU te stellen.
3.8
De belanghebbende meent dat de wens om Nederlanders aangesteld vanuit het buitenland en Nederlanders aangesteld vanuit Nederland gelijk te behandelen onverenigbaar is met het Europese recht omdat dit duidelijk géén gelijke gevallen zijn. Ook de zaken Van Hilten-van der Heijden en D’Hoop maken dat zijns inziens niet anders. Volgens hem is sprake van ongeoorloofde discriminatie naar nationaliteit als een Nederlander die na vele jaren verblijf in het buitenland voor een aanstelling terugkeert naar Nederland, ongunstiger wordt behandeld dan een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit het buitenland voor eenzelfde aanstelling naar Nederland komt. Het beoordelingsmoment is het moment van aanstelling. Zo’n onderscheid is bij grensoverschrijdende EU-werknemers nu juist niet toegestaan, aldus de belanghebbende.
3.9
Met het Hof meent de belanghebbende dat de voor het onderscheid naar nationaliteit aangevoerde rechtvaardigingen geen stand houden. De Staatssecretaris voert volgens hem in cassatie geen argumenten aan die ‘s Hofs oordeel over het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond in twijfel kan trekken.
3.10
De belanghebbende benadrukt dat het EOB geen EU-instelling is. EOB-medewerkers zijn niet belastingplichtig in een andere lidstaat, terwijl voor EU ambtenaren Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie geldt. De EOB-medewerkers zijn niet uitgezonden naar het EOB, maar in vaste dienst van het EOB, voor het merendeel tot aan hun pensioen.
3.11
De belanghebbende betwist ten slotte dat de litigieuze Zetelovereenkomst aansluit bij een internationaal ontwikkelde praktijk. Hij wijst daartoe op de regels voor immuniteiten en voorrechten van werknemers van internationale organisaties die België toepast in haar de zetelovereenkomsten met internationale organisaties: de fiscale vrijstelling voor overig inkomen geldt in de Belgische zetelovereenkomsten niet voor in België aangeworven personeel, ongeacht nationaliteit. Onderscheid wordt alleen gemaakt op basis van de verblijfplaats ten tijde van aanstelling, aldus de belanghebbende.
4. Behandeling van het middel
A. Toegang
4.1
Uit het beroepschrift in cassatie maak ik op dat de Staatssecretaris - mijns inziens terecht - niet betwist dat art. 45 VwEU van toepassing is op belanghebbendes geval. Wel betoogt hij dat de belanghebbende niet minder gunstig wordt behandeld dan een ingezetene van Nederland in een puur interne situatie, daarbij wijzende op HR BNB 2011/251 (zie 8.2 van de bijlage). U oordeelde in die zaak dat het onthouden van het box 3 privilege aan een EOB-medewerker met de Nederlandse nationaliteit die in Nederland was aangeworven geen discriminatie inhoudt in de zin van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR vanwege de bijzondere band met Nederland. Dat is echter niet de situatie van de belanghebbende, die immers niet in Nederland, maar in het buitenland (München) is aangeworven, nadat hij van zijn EU-verkeersrechten gebruik had gemaakt om duurzaam in een andere EU-lidstaat te gaan werken en wonen. Ik meen dat de vergelijking die de Staatssecretaris maakt met een puur interne situatie haaks staat op de erkenning dat art. 45 VwEU van toepassing is. De vergelijking met een interne situatie en met HR BNB 2011/251 is daarmee zinloos, nu in een puur interne situatie de EU-verkeersvrijheden uiteraard niet van toepassing zijn (en Nederland een wide margin of appreciation heeft), maar in belanghebbendes geval wél van toepassing zijn (terwijl daardoor géén wide margin of appreciation meer beschikbaar is). Anders gezegd: HR BNB 2011/251 is in casu irrelevant omdat die zaak, vanuit de verkeersvrijheden bezien, over een irrelevante, nl. puur interne situatie ging.
B. Discriminatie?
4.2
De Staatssecretaris meent dat geen sprake is van (omgekeerde) discriminatie naar nationaliteit die het vrije personenverkeer beperkt. Hij verwijst daartoe met name naar HvJ Asscher (zie 8.6 van de bijlage) en naar het oordeel van de Rechtbank.
4.3
Ik zie niet hoe Asscher het standpunt van de Staatssecretaris steunt. De door hem geciteerde r.o. 32 van dat arrest (zie 8.6 bijlage) steunt mijns inziens juist het standpunt van de belanghebbende. Asscher wijkt geenszins af van ‘s Hofs vaste Knoors11.-rechtspraak, maar bevestigt die juist: heeft een EU-burger eenmaal zijn recht van vrij verkeer uitgeoefend door naar een andere lidstaat te gaan, dan verkeert hij jegens zijn staat van herkomst in dezelfde positie als alle andere inwoners van zijn nieuwe verblijfstaat.
4.4
De zaak Van Hilten-Van der Heijden (zie onderdeel 8.11 van de bijlage) waarop de Staatssecretaris zich eveneens beroept, lijkt mij in casu irrelevant omdat hij niet gaat over de toepassing van de verkeersvrijheden bij terugkeer naar Nederland van een EU-burger die al een keer van zijn verdragsvrijheden gebruik had gemaakt door Nederland te verlaten, maar enkel over de toepassing ervan bij emigratie. Een lidstaat mag inderdaad eigen onderdanen die emigreren hetzelfde belasten als onderdanen die niet emigreren (dat is geen discriminatie), en hij mag ook niet-onderdanen die het land verlaten gunstiger behandelen dan onderdanen die het land verlaten omdat die niet-onderdanen daardoor niet gediscrimineerd worden. Dat daardoor onderdanen/emigranten ongunstiger worden belast dan niet-onderdanen/emigranten is in dit verband geen discriminatie omdat nationaliteit een neutraal aanknopingspunt voor belastingheffing is - aldus het HvJ EU in het eveneens door de Staatssecretaris aangehaalde HvJ-arrest Gilly (zie onderdeel 8.10 van de bijlage). Anders gezegd: in Van Hilten-Van der Heijden gaat het om een vergelijking tussen Nederlanders (dan wel niet-Nederlanders) die naar een andere lidstaat gaan en Nederlanders (dan wel niet-Nederlanders) die in Nederland blijven, terwijl het in ons geval om een Knoors-geval gaat, i.e. een Nederlander die al eerder van zijn verkeersvrijheden gebruik heeft gemaakt en vanuit die andere EU-lidstaat wil terugkeren naar Nederland en zich daarbij opnieuw op de verkeersvrijheden kan beroepen, dus om een vergelijking tussen een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat naar Nederland komt en een Nederlandse EU-burger die vanuit die andere lidstaat naar Nederland komt.12.
4.5
Ook de zaak d’Hoop waarop de Staatssecretaris wijst, kan zijn standpunt mijns inziens niet steunen. In die zaak ging het weliswaar, anders dan in Van Hilten-Van der Heijden, inderdaad om een terugkeerster naar de lidstaat van oorsprong, maar in die zaak constateerde het HvJ EU dan ook wel degelijk een ongerechtvaardigde schending van de EU-rechten van eigen onderdanen die het land eerder verlieten (in dat geval: om in een andere lidstaat te studeren).
4.6
Reeds in de zaak Knoors overwoog het HvJ EU dat de vestigingsvrijheid niet zo kan worden uitgelegd dat eigen onderdanen van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten als zij zich, door rechtmatig verblijf en vakbekwaamheidsverwerving in een andere lidstaat, ten opzichte van hun Staat van herkomst in dezelfde positie bevinden als alle andere personen (i.e. onderdanen van andere lidstaten) die de door het EG-Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten. In Asscher heeft het HvJ EU zijn vaste rechtspraak over discriminatie van eigen onderdanen aldus samengevat dat
“de vrijheid van vestiging weliswaar niet [kan] worden toegepast op zuiver interne aangelegenheden (…), doch dit neemt niet weg, dat de draagwijdte van artikel 52 van het Verdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat de eigen onderdanen van een bepaalde Lid-Staat van de toepassing van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten, wanneer zij zich, door hun handelwijze [i.e. EU-grensoverschrijding binnen de werkingssfeer van de verkeersvrijheden; PJW], ten opzichte van hun staat van herkomst in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten (zie, in die zin, (…) 115/78, Knoors, (…) C-61/89, Bouchoucha, (…) C-19/92, Kraus, (…) en (…) C-419/92, Scholz (…)).”
4.7
Een Nederlander die in een andere lidstaat heeft gewoond en gewerkt en die terugkomt naar Nederland om daar te wonen en te werken, verkeert verkeersvrijheidstechnisch dus in dezelfde positie als een onderdaan van die andere lidstaat die vanuit die andere lidstaat naar Nederland komt om te wonen en te werken, bijvoorbeeld bij het EOB.
4.8
Art. 10(6) Zetelovereenkomst behandelt deze gevallen echter niet gelijk: aan de immigrerende Nederlander wordt het box 3 privilege ex art. 10(2) Zetelovereenkomst in lid 6 ontzegd uitsluitend op grond van zijn Nederlandse nationaliteit, die echter – dat is de kern van de Knoors-rechtspraak – niet meer ter zake doet omdat de terug migrerende (ex)emigrant door zijn intra-EU-emigratie algemeen EU-burger is geworden jegens zijn oorspronkelijke staat van herkomst.
C. Rechtvaardiging?
4.9
De Staatssecretaris betoogt dat de Zetelovereenkomst aansluit bij een internationaal ontwikkelde praktijk en dat de uitsluiting van eigen onderdanen en DV-houders in art. 10(6) Zetelovereenkomst daarmee strookt. Doelstelling is het onafhankelijk functioneren van internationale organisaties, zulks in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
4.10
De herziening (‘stroomlijning’) in 2005 van de (fiscale) behandeling van personeel van internationale organisaties in Nederland werd ingegeven door ‘de internationale concurrentiepositie tussen vestigingsplaatsen voor internationale organisaties’ en beoogde aansluiting bij het regime voor diplomatiek personeel zoals voorzien in het Verdrag van Wenen, maar alleen voor ‘niet-Nederlanders (…) en personen die niet duurzaam verblijvend zijn in Nederland’ (zie 7.4 van de bijlage).
4.11
Het fiscale regime voor diplomatiek personeel is gebaseerd op drie uitgangspunten: (i) een soevereine staat belast niet een andere soevereine staat, (ii) diplomatiek personeel moet zijn functies onafhankelijk van de ontvangststaat kunnen uitoefenen, en (iii) het is praktischer en rechtszekerder dat diplomatiek personeel voortdurend aan slechts één belastingregime (van de zendstaat) is onderworpen dan aan opeenvolgende belastingregimes van de opeenvolgende staten waarnaar het wordt uitgezonden.
4.12
De belanghebbende is echter geen diplomatiek ambtenaar die onderworpen is gebleven aan de belastingheffing van enige zendstaat. Hij is inwoner van Nederland en daarmee onderworpen aan Nederlandse belastingheffing voor zover de Zetelovereenkomst die niet uitsluit. Hij is niet meer (fictief) inwoner van Zwitserland of Duitsland. De in 4.11 genoemde overwegingen (i) en (iii) voor diplomatiek personeel zijn dus niet van toepassing en kunnen dan ook geen rechtvaardiging opleveren voor de ongelijke behandeling van Nederlanders en niet-Nederlanders die voor internationale organisaties werken. Dan blijft over overweging (ii). Evenmin als het Hof zie ik echter hoe het onafhankelijk functioneren van EOB-personeel gediend zou zijn met een onderscheid in box 3 heffing tussen EOB-personeel met de Nederlandse nationaliteit en EOB-personeel met een niet-Nederlandse nationaliteit.
4.13
De Staatssecretaris wijst vervolgens op de Evans en Kadi-arresten (zie onderdeel 8.8 van de bijlage) waarin het HvJ EU oordeelde dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht dat deel uitmaakt van de EU-rechtsorde en dat de instellingen van de Unie bindt. Dat brengt de Staatssecretaris mijns inziens niet verder. Het volkenrecht waarnaar hij verwijst gaat over diplomaten en niet over werknemers van internationale organisaties zoals het EOB. Het volkenrecht (het Verdrag van Wenen) dwingt Nederland geenszins om dezelfde (uitsluitingen van) voorrechten en immuniteiten toe te passen op EOB-werknemers als op diplomatiek personeel. Het besluit daartoe is intern Nederlands beleid, hetgeen alleen al daaruit blijkt dat Nederland het vóór dat besluit - kennelijk zonder volkenrechtelijke bezwaren - anders had geregeld. Het volkenrecht dwingt Nederland evenmin om Nederlanders om personen met een duurzame band met Nederland te onderwerpen aan belastingheffing over box 3-inkomen.
4.14
Noch in de internationaal aanvaarde diplomatieke praktijk, noch in het volkenrecht ligt dus een dwingende reden van algemeen belang die een door art. 45 VwEU verboden discriminatie naar nationaliteit kan rechtvaardigen.
4.15
Dan resteert de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen lidstaten als mogelijke rechtvaardiging voor het onderscheid naar nationaliteit in art. 10(6) Zetelovereenkomst. De Staatssecretaris wijst in dat verband op (i) het Gilly-arrest van het HvJ, (ii) de internationale praktijk, (iii) het OESO-Model-belastingverdrag, (iv) het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en (v) het volkenrecht. Ik meen dat de verwijzingen (ii), (iv) en (v) wezenlijk een herhaling van eerdere argumenten zijn en daarom in zoverre het lot van die eerdere argumenten moet delen: het middel faalt in zoverre.
4.16
Het OESO-Modelverdrag en Commentaar is gezaghebbende soft law van regeringen bij de uitleg van identiek luidende bilaterale belastingverdragen, maar wat daar ook van zij, ook bilaterale belastingverdragen mogen niet in strijd luiden met de EU-verkeersvrijheden, tenzij daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. Het enkele feit dat dat OESO-Model mogelijk anders luidt dan het EU-recht voorschrijft, is uiteraard op zichzelf geen rechtvaardiging voor schending, door een EU-lidstaat, van primair EU-recht. Uit het Gilly-arrest (zien onderdeel 8.10 van de bijlage) valt dat dan ook niet af te leiden. Dat arrest zegt slechts dat het niet onredelijk is dat de lidstaten zich bij de onderlinge verdeling van hun heffingsbevoegdheden laten leiden door het OESO-Model en dat nationaliteit als aanknopingspunt voor fiscale jurisdictie-uitoefening daarbij niet verboden is omdat die op zichzelf objectief en neutraal is als aanknopingscriterium.
4.17
In ons geval is echter geen sprake van verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, maar van vrijstelling door één enkele lidstaat, Nederland. Het EOB noch enige andere staat of entiteit belast immers het box 3 inkomen van Nederlands ingezeten EOB-werknemers. Met het Hof meen ik daarom dat het onderscheid naar nationaliteit niet gerechtvaardigd kan worden door een – immers niet-bestaande - noodzaak van evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, noch tussen Nederland en het EOB. De Zetelovereenkomst kan wat box 3 inkomen betreft dan ook niet vergeleken worden met een bilateraal belastingverdrag: ter zake van dat inkomen kán geen dubbele belasting ontstaan en valt geen jurisdictie te verdelen, nu het EOB er geen enkele jurisdictie over uitoefent.
4.18
Geen van de aangevoerde gronden kan dus het door art. 45 VwEU en de Knoors-rechtspraak verboden onderscheid naar nationaliteit rechtvaardigen. U hoeft u daarom niet te verdiepen in de vraag of het onderscheid al dan niet evenredig is om die niet-bestaande rechtvaardiging te dienen of daartoe te ver gaat.
D. Conclusie
4.19
Voor gevallen zoals dat van de belanghebbende, die eerst gebruik gemaakt heeft van zijn EU-verdragsvrijheden om in een andere lidstaat te wonen en te werken en die vanuit die andere lidstaat wordt aangeworven door een in Nederland gevestigd onderdeel van een internationale organisatie (waarvoor hij al werkte in het buitenland) en daarom naar Nederland verhuist, doet een onderscheid naar Nederlanderschap in de desbetreffende Zetelovereenkomst met die organisatie dus niet ter zake: hij moet ingevolge de Knoors-rechtspraak van het HvJ EU hetzelfde behandeld worden als een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat naar Nederland komt om voor die organisatie te werken.
4.20
Ik merk op dat hierdoor inderdaad, zoals de Staatssecretaris signaleert, onderscheid ontstaat tussen Nederlanders bij internationale organisaties in Nederland, nl. tussen Nederlanders die geen gebruik hebben gemaakt van hun verkeersvrijheden en die (dus) in Nederland worden aangeworven door zo’n organisatie, en Nederlanders die wel hun EU-rechten gebruikt hebben en die (dus) vanuit een andere EU-lidstaat worden aangeworven. EU-rechtelijk zijn dat echter ook verschillende gevallen: het eerste is een intern geval binnen één lidstaat; het tweede niet. Ik merk daarbij op dat ook een niet-Nederlander die de DV-status heeft op het moment waarop hij in Nederland wordt aangeworven, het litigieuze privilege niet krijgt en dat in zoverre gelijkheid bestaat tussen enerzijds sedentaire Nederlanders en anderzijds niet-Nederlanders die door duurzaam verblijf in Nederland alvorens aangeworven te worden, vergelijkbaar zijn geworden met sedentaire Nederlanders. Of die gelijkstelling EU-rechtelijk stand houdt, is hier niet aan de orde, maar die vraag leent zich wellicht voor prejudiciële vraagstelling in een zaak waarin hij relevant is voor de beslechting van het geschil. Hetzelfde geldt voor het geval van een Nederlander die van zijn verkeersvrijheden gebruik heeft gemaakt door in een andere lidstaat te gaan werken en terugkeert naar Nederland om een gewone baan te aanvaarden maar binnen (bijvoorbeeld) een jaar overstapt naar het EOB of een dergelijke internationale organisatie: is die Nederlander nog steeds vergelijkbaar met een niet-Nederlander zonder DV-status (die status krijgt een niet-Nederlander immers niet binnen een jaar) of is hij door zijn remigratie en aanvaarding van eerst een gewone baan weer vergelijkbaar geworden met sedentaire Nederlanders?
4.21
Ik merk ten slotte op dat art. 33(1)(slot) juncto (4) UR AWR (zie onderdeel 4.2 van de bijlage) eventuele voorrechten van werknemers van internationale organisaties in Nederland voor de omzetbelasting, kansspelbelasting, motorrijtuigenbelasting en belasting op personenauto’s en motorrijwielen beperkt tot maximaal tien jaar na indiensttreding. Dit impliceert dat Nederland ervan uitgaat dat niet-Nederlanders die in het buitenland zijn aangeworven door een internationale organisatie na tien jaar duurzaam verblijf in Nederland hun beroep op het vrije werknemersverkeer – althans voor deze niet-inkomstenbelasting-privileges – verliezen: dat het beroep op art. 45 VwEU is uitgewerkt omdat zij zich na tien jaar ter zake van deze belastingen niet meer onderscheiden van ingezetenen die géén gebruik hebben gemaakt van hun EU-rechten en dus een intern geval zijn geworden. Of dat uitgangspunt standhoudt, lijkt mij eveneens een kwestie om aan het HvJ EU voor te leggen als zij zich voordoet.
5. Conclusie
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2019
HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03, na conclusie Léger, van Hilten-van der Heijden,ECLI:EU:C:2006:131, BNB 2006/194 met noot Van Vijfeijken, V-N 2006/14.22, NJ 2006, 427 met noot Mok. Zie 8.11 in de bijlage.
HvJ EG 7 februari 1979, zaak C-115/78, Knoors tegen Staatssecretaris van Economische Zaken, na conclusie Reischl, ECLI:EU:C:1979:31.
HvJ EU 15 januari 2015, C-179/13, Evans, na conclusie Wahl, ECLI:EU:C:2015:12, V-N 2015/11.16, NTFR 2015/1219 met noot Fijen.
HvJ EU 3 september 2008, gevoegde zaken C-402/05 P en C-415/05, Kadi en Al Bakaraat International Foundation/Raad en Commissie, na conclusie Poiares Maduro, ECLI:EU:C:2008:461.
Rechtbank Den Haag 12 februari 2018, nrs. SGR 17/5711, SGR 17/5712, SGR 17/5714, SGR 17/5715, SGR 17/5717, SGR 17/5718, SGR 17/5720, SGR 17/5721 en SGR 17/5722, ECLI:NL:RBDHA:2018:7378, de uitspaak is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Toevoeging PJW: Artikel 7 luidt:“1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.3. Hij kan eveneens op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de nationale werknemers het onderwijs in vakscholen en in de revalidatie- en herscholingscentra volgen.4. Bepalingen van collectieve of individuele arbeidsovereenkomsten of van enige andere collectieve regeling inzake het aanvaarden van arbeid, de tewerkstelling, de beloning, de overige arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden voor ontslag zijn van rechtswege nietig, voor zover daarin discriminerende voorwaarden worden vastgesteld of toegestaan ten opzichte van werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten.”
Gerechtshof Den Haag 13 maart 2019, nrs. BK-18/00473 tot en met BK-18/00481, ECLI:NL:GHDHA:2019:551, FutD 2019-0804 met annotatie van de redactie en NLF 2019/1060 met noot Verberk.
HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03, na conclusie Léger, van Hilten-van der Heijden, ECLI:EU:C:2006:131, BNB 2006/194 met noot van Vijfeijken, V-N 2006/14.22, NJ 2006, 427 met noot Mok. Zie 8.11 in de bijlage.
HvJ EG 12 mei 1998, zaak C‑336/96, Gilly, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, ECLI:EU:C:1998:221.
Zie onderdeel 8.4 van de bijlage.
Ik geef toe dat deze onderscheidingen in de rechtspraak van het HvJ EU niet steeds heel overtuigend zijn, maar men heeft ermee te werken.
Conclusie 08‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 8 oktober 2019 in de zaken met rolnummers 19/02014 en 19/02019.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 8 oktober 2019 in de zaken met rolnummers 19/02014 en 19/02019
1. Inleiding
1.1
De twee zaken waarbij deze bijlage gaat, gaan over de vraag of Nederland bevoegd is om het box 3-inkomen van werknemers van het Europese Octrooi Bureau (EOB) te Rijswijk te belasten. Art. 10(6) van de Zetelovereenkomst tussen Nederland en de Europese Octrooiorganisatie (EOO) van 27 juni 20061.onthoudt bepaalde daarin voorziene fiscale voorrechten en immuniteiten aan EOB-werknemers die Nederlander zijn of duurzaam verblijf houden in Nederland. In geschil is of dit voorbehoud hen fiscaal discrimineert doordat hun box 3-inkomen niet is vrijgesteld, anders dan bij niet-Nederlands personeel van het EOB (dat ook geen duurzaam-verblijf (DV)-status heeft), zulks in strijd met art. 14 EVRM, art. 26 IVBPR (discriminatieverboden) en/of art. 45 VwEU (vrij werknemersverkeer binnen de EU).
1.2
Bij verlening van voorrechten en immuniteiten aan personeel van in Nederland gevestigde internationale organisaties met een niet-Nederlandse nationaliteit maakt Nederland onderscheid tussen personeel dat bij aanvang van de werkzaamheden uit het buitenland komt en personeel dat bij aanwerving al duurzaam in Nederland verblijft. Aan de laatsten wordt de DV-status toegekend. Zij worden, net als Nederlanders, uitgesloten van bepaalde fiscale privileges, waaronder de beperking van de box 3-grondslag tot in Nederland gelegen onroerende zaken. Aldus ook de Zetelovereenkomst. Het peilmoment is het moment van aanwerving door de in Nederland gevestigde internationale organisatie, aldus HR BNB 2015/53.
1.3
Zaak 19/02019 gaat over een Nederlander die, nadat hij in 1997 vanuit het VK teruggekeerd was naar Nederland om voor het EOB te gaan werken, in 2002 zijn Nederlanderschap heeft opgegeven om Ier te worden. Hij kreeg daarop een identiteitsbewijs geprivilegieerden met als status ‘DV’. Die status had hij ook in het geschiljaar 2009. Hij heeft mede bezwaar tegen die DV-status, maar het Hof heeft zijn status daargelaten en is ervan uitgegaan dat hem het box 3-privilege is ontzegd omdat hij bij aanvang van zijn EOB-werkzaamheden in 1997 Nederlander was. De Staatssecretaris meent dat het Hof wél acht had moeten slaan op de DV-status.
1.4
Zaak 19/02014 gaat over een Nederlander die vanaf 1 september 2004 en ook in de geschiljaren 2006 t/m 2014 in Nederland woonde en werkte voor het EOB en die daarvóór van februari 1988 t/m augustus 2004 bij het hoofdkantoor van de EOO in München, Duitsland, had gewerkt.
1.5
De Inspecteur heeft in beide gevallen het gehele box 3-inkomen in de heffingsgrondslag begrepen omdat art. 10(6) Zetelovereenkomst de belanghebbenden volgens de Inspecteur uitsluit van de vrijstelling voor box 3-inkomen, nu zij Nederlander zijn of waren c.q. de DV-status hebben.
1.6
Het Hof heeft met verwijzing naar HR BNB 2011/251 geoordeeld dat de discriminatie-verboden van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR niet zijn geschonden omdat de bijzondere band tussen Nederlandse onderdanen en Nederland voldoende rechtvaardiging biedt voor Nederlandse belastingheffing ten laste van overig inkomen van Nederlandse werknemers van internationale organisaties.
1.7
Het Hof heeft vervolgens overwogen dat art. 45 VwEU (vrij werknemersverkeer) ook discriminatie van eigen onderdanen verbiedt als die ertoe leidt dat Nederlanders die hun Verdragsvrijheden hebben gebruikt en willen terugkeren naar Nederland ongerechtvaardigd worden benadeeld ten opzichte van onderdanen van andere lidstaten die hun recht op vrij verkeer uitoefenen om naar Nederland te komen. Het Hof zag geen EU-rechtelijk erkende rechtvaardiging voor het fiscale onderscheid tussen enerzijds niet-Nederlanders en anderzijds Nederlanders/DV-statushouders die hun EU-vrij-verkeersrechten hebben gebruikt door naar een andere EU-lidstaat te gaan en weer terug te keren.
2. Het EOO-Protocol en de EOB-Zetelovereenkomst
2.1
Art. 8 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (tekst 20072.) (Europees Octrooi Verdrag (EOV))3.bepaalt het volgende over voorrechten en immuniteiten:
“In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”
2.2
Art. 16 Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie (het EOO Protocol)4.bepaalt:
“1. Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.
2. Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het Europees Octrooibureau.”
2.3
Art. 19 EOO-Protocol bepaalt dat de voorrechten en immuniteiten niet strekken tot persoonlijke bevoordeling van EOB-medewerkers, maar uitsluitend tot verzekering van het onbelemmerd functioneren en de onafhankelijkheid van het EOB-personeel:
“1. De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.
2. (…).”
2.4
De Zetelovereenkomst5.is een bilaterale uitwerkingsovereenkomst op basis van art. 25 van het multilaterale EOO-Protocol. Art. 10 van de Zetelovereenkomst luidt:
“1 Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen,
a. in rang A5 en hoger, of
b. in rang A4, mits zij langer dan twee jaar in die rang zijn geweest en een basissalaris niet lager dan A5 periodiek 1 hebben, vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin aan beide eisen is voldaan
genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken.
2 Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die geen bedienend personeel zijn en die niet onder het bepaalde in het eerste lid vallen, genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken.
(…).
5 Dit artikel doet geen afbreuk aan regelingen in deze Overeenkomst of het Protocol.
6 Dit artikel is niet van toepassing op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland.”
2.5
De volgende interpretatieve verklaring is aan de Zetelovereenkomst toegevoegd:
“General specification
1. The Signatories note that with respect to the interpretation of Articles 9, 10 and 12 the regime specified in the letter to all international organisations of 27 June 2005 (DKP/DIO-2005/121)6.is generally applicable.
Specification regarding Articles 5, 9 and 10
2. It is the understanding of the Signatories that, with respect to the exemption of excise duty, the quotas, and any changes thereto, set by the Government for international organisations and diplomatic missions will apply.
Specification regarding Articles 9 and 10
3. It is the understanding of the Signatories that there is only one notion of ‘‘permanent residents’’ independent of whether reference is made to the Protocol or to the Vienna Convention.
3.1
Art. 8 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer bepaalt het volgende over nationaliteit (alleen de Chinese, Engelse, Franse, Russisiche en Spaanse texten zijn – gelijkelijk – authentiek):
“1. Members of the diplomatic staff of the mission should in principle be of the nationality of the sending State.
2. Members of the diplomatic staff of the mission may not be appointed from among persons having the nationality of the receiving State, except with the consent of that State which may be withdrawn at any time.
3. The receiving State may reserve the same right with regard to nationals of a third State who are not also nationals of the sending State.”
3.2
Art. 34 Verdrag van Wenen voorziet in fiscale vrijstelling van diplomaten in de ontvangststaat:
“A diplomatic agent shall be exempt from all dues and taxes, personal or real, national, regional or municipal, except
(a) indirect taxes of a kind which are normally incorporated in the price of goods or services;
(b) dues and taxes on private immovable property situated in the territory of the receiving State, unless he holds it on behalf of the sending State for the purposes of the mission;
(c) estate, succession or inheritance duties levied by the receiving State, subject to the provisions of paragraph 4 of Article 39;
(d) dues and taxes on private income having its source in the receiving State and capital taxes on investments made in commercial undertakings in the receiving State;
(e) charges levied for specific services rendered;
(f) registration, court or record fees, mortgage dues and stamp duty, with respect to immovable property, subject to the provisions of Article 23.”
3.3
Art. 37(2) Verdrag van Wenen bevat onder meer de voorrechten en immuniteiten van het administratieve en technische personeel van een diplomatieke zending in de ontvangststaat:
“1. (…).
2. Members of the administrative and technical staff of the mission, together with members of their families forming part of their respective households, shall, if they are not nationals of or permanently
resident in the receiving State, enjoy the privileges and immunities specified in Articles 29 to 35, except that the immunity from civil and administrative jurisdiction of the receiving State specified in paragraph 1 of Article 31 shall not extend to acts performed outside the course of their duties. (…).
(….).”
3.4
Art. 38 Verdrag van Wenen bepaalt dat een diplomatieke ambtenaar die onderdaan is van of duurzaam verblijf houdt in een staat slechts immuniteit van rechtsmacht en onschendbaarheid geniet voor officiële handelingen verricht in de uitoefening van zijn functie:
“1, Except insofar as additional privileges and immunities may be granted by the receiving State, a diplomatic agent who is a national of or permanently resident in that State shall enjoy only immunity from jurisdiction, and inviolability, in respect of official acts performed in the exercise of his functions;
2. Other members of the staff of the mission and private servants who are nationals of or permanently resident in the receiving State shall enjoy privileges and immunities only to the extent admitted by the receiving State. However, the receiving State must exercise its jurisdiction over those persons in such a manner as not to interfere unduly with the performance of the functions of the mission.”
4. De interne regelgeving inzake diplomaten en internationale organisaties
4.1
Art. 39 AWR bepaalt:
“In de gevallen waarin het volkenrecht, dan wel naar het oordeel van Onze Minister het internationale gebruik, daartoe noopt, wordt vrijstelling van belasting verleend. Onze Minister is bevoegd ter zake nadere regelen te stellen.”
4.2
Art. 33 Uitvoeringsregeling Algemene Wet inzake Rijksbelastingen 1994 (UR AWR) bevat de Nederlandse belastingvrijstelling voor diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van andere mogendheden en verklaart die vrijstelling ook van toepassing op personeel van internationale organisaties:
“1. Van de belastingen, genoemd in het derde lid van dit artikel zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 34, 36, 37 en 38, vrijgesteld de leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en, met uitzondering van honoraire consuls, de leden van consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, mits zij:
a. geen Nederlander zijn; en
b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland.
De vrijstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen c, d, e en f, worden ten aanzien van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel slechts verleend indien sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland ten hoogste tien jaren zijn verstreken.
2. De vrijstelling voor de in het eerste lid bedoelde personen vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bij hen inwonende gezinsleden en, onder voorwaarde van wederkerigheid, de bij hen in dienstbetrekking staande particuliere bedienden, mits zij:
a. geen Nederlander zijn; en
b. niet duurzaam verblijf houden in Nederland.
3. De in dit artikel bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot:
a. de inkomstenbelasting;
b. de loonbelasting;
c. de omzetbelasting;
d. de motorrijtuigenbelasting;
e. de belasting van personenauto's en motorrijwielen;
f. de kansspelbelasting.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen. (…) [gezinsleden].
5. (….) [omzetbelasting; wederkerigheidseis].”
4.3
Art. 2.2(2) Wet IB 2001 bepaalt, kort gezegd, dat uitgezonden Nederlandse diplomaten fiscaal onderworpen blijven in Nederland:
“2. Een Nederlander die in dienstbetrekking staat tot de Staat der Nederlanden, wordt steeds geacht in Nederland te wonen indien hij is uitgezonden:
a. als lid van een diplomatieke, permanente of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland; of
b. om in het kader van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, in een andere mogendheid werkzaamheden te verrichten.”
5. De volkenrechtelijke discriminatieverboden
5.1
Art. 14 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden8.(EVRM) luidt:
“Prohibition of discrimination
The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.”
5.2
Art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten9.(IVBPR) luidt:
“All persons are equal before the law and are entitled without any discrimination to the equal protection of the law. In this respect, the law shall prohibit any discrimination and guarantee to all persons equal and effective protection against discrimination on any ground such as race, colour, sex, language, religion, political or other opinion, national or social origin, property, birth or other status.”
6. Het EU-recht
6.1
Tussen 1 februari 2003 en 1 december 2009 luidden art. 17 en 18 Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschappen10.(EG)) als volgt:11.
“Artikel 17
1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.
artikel 18
1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
2. Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en dit Verdrag niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kan de Raad bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken. Hij neemt een besluit volgens de procedure van artikel 251.
3. Lid 2 is niet van toepassing op de bepalingen inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfstitels of andere daarmee gelijkgestelde documenten, noch op de bepalingen inzake sociale zekerheid of sociale bescherming.”
6.2
Vanaf 1 december 2009 luidt art. 18 VwEU als volgt:12.
“Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.”
6.3
Tot 1 december 2009 luidde art. 39 EG-Verdrag13.(vrij verkeer van werknemers) als volgt:
”1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,
a.in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
b. zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
c.in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
d. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen uitvoeringsverordeningen.
4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.”
6.4
Vanaf 1 december 2009 luidde art. 45 VwEU14.(vrij verkeer van werknemers) als volgt:
“1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,
a. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
b. zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
c. in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
d. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen.
4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.”
6.5
Art. 13 Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen luidde tussen 1 juli 1967 en 1 december 2009:15.
“Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke door de Raad op voorstel van de Commissie worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen onderworpen aan een belasting ten bate van de Gemeenschappen op de door hun betaalde salarissen, lonen en emolumenten.
Zij zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen betaalde salarissen, lonen en emolumenten.”
6.6
Art. 12 Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (EU-Protocol) luidt vanaf 1 december 2009:16.
“Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordeningen en na raadpleging van de betrokken instellingen worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door hun betaalde salarissen, lonen en emolumenten.
Zij zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten.”
6.7
Art. 14 EG-Protocol luidde tussen 1 juli 1967 en 1 december 2009:
“De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de Staat van de fiscale woonplaats, welke zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de Staat waar zij zich gevestigd hebben als in de Staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde Staat, indien deze lid is van de Unie. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.
De roerende goederen welke toebehoren aan de in de vorige alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de Staat van verblijf, worden in die Staat vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de Staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde Staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.
De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.”
6.8
Art. 13 EU-Protocol luidt vanaf 1 december 2009:
“De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Unie vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de Staat van de fiscale woonplaats, welke zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Unie, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Unie gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de Staat waar zij zich gevestigd hebben als in de Staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde Staat, indien deze lid is van de Unie. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen.
De roerende goederen welke toebehoren aan de in de vorige alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de Staat van verblijf, worden in die Staat vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de Staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde Staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.
De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel.”
7. Parlementaire geschiedenis
7.1
De MvT bij de Rijkswet tot goedkeuring van het EOV17.vermeldt over de strekking van de voorrechten en immuniteiten in het EOO-Protocol:18.
“De feitelijke aanwezigheid van vestigingen van een internationale organisatie op het grondgebied van een of meer der aan die organisatie deelnemende staten brengt mede, dat de wetgeving dier staten van toepassing is op die vestigingen en het bij hen werkzame personeel. Om daaruit voortvloeiende moeilijkheden te vermijden worden aan dergelijke organisaties bepaalde voorrechten en immuniteiten toegekend. Dit kan geschieden door afspraken tussen gastheerland en organisatie of ook, zoals hier, door een speciaal Protocol tussen alle aan de organisatie deelnemende landen.
De strekking der toegekende voorrechten en immuniteiten is niet meer dan te waarborgen, dat de organisatie haar werkzaamheden onbelemmerd kan verrichten. De strekking is dus niet de aantrekkelijkheid tot dienstverband bij de organisatie te vergroten. Een en ander wordt duidelijk gemaakt door artikel 19, dat op de Europese Octrooiorganisatie de verplichting legt de voorrechten en immuniteiten op te heffen, wanneer zij de loop van het recht in de weg staan en met hun opheffing de belangen der Organisatie niet worden geschaad. De inhoud der toegekende voorrechten en immuniteiten komt overeen met wat te dezen thans gebruikelijk is.”
7.2
De MvT bij de Nederlandse wet19.tot goedkeuring van het boven (onderdeel 3) geciteerde Verdrag van Wenen vermeldt over de privileges en immuniteiten van personeel van diplomatieke vertegenwoordigingen:20.
“De opstellers van het verdrag hebben tegen elkaar afgewogen enerzijds het belang van de zendstaat, gelegen in de ongehinderde vervulling van de functie van de zending waarvoor het toekennen van voorrechten en immuniteiten een noodzakelijke voorwaarde vormt en anderzijds het belang van de ontvangende staat, die zijn rechtsorde door die voorrechten en immuniteiten niet verstoord wil zien en ieder die zich op zijn grondgebied bevindt dezelfde behandeling wil geven. Dit heeft er met name toe geleid dat de voorrechten en immuniteiten die door het Verdrag zijn toegestaan zeer specifiek en nauw zijn omschreven.”
7.3
Tijdens de parlementaire behandeling van de goedkeuring van het Verdrag van Wenen hebben de Ministers van Buitenlandse Zaken, Justitie en Binnenlandse Zaken en de Staatssecretarissen van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgemerkt dat het na de Tweede Wereldoorlog niet meer is voorgekomen dat andere landen diplomaten met de Nederlandse nationaliteit hebben benoemd om hen jegens Nederland te vertegenwoordigen:21.
“Artikel 8 (nationaliteit van diplomatiek personeel)
Nederland heeft nog nooit een persoon met alleen de nationaliteit van de ontvangende staat tot lid van het diplomatiek personeel van een zending benoemd. Wel zijn voorbeelden bekend van benoemingen van personen die naast de Nederlandse nationaliteit de nationaliteit van de ontvangende staat bezaten. Sedert de tweede wereldoorlog is het niet meer voorgekomen dat door andere landen in Nederland diplomaten werden benoemd die de Nederlandse nationaliteit hebben.”
7.4
Bij brief van 27 juni 2005 heeft de minister van buitenlandse zaken het kabinetsstandpunt over het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) “Beleidskader Werving en Opvang Internationale Organisaties” aan de Tweede Kamer doen toekomen en daarbij opgemerkt dat bij personeel van internationale organisaties onderscheid zal worden gemaakt tussen twee categorieën (voetnoten niet opgenomen):22.
“Het kabinet heeft besloten tot een uniforme en gelijke behandeling van alle medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd. Daarbij wordt het hoogste personeel van een internationale organisatie gelijkgesteld aan diplomaten met gelijke rang van een ambassade en het overig personeel met administratief en technisch personeel van een ambassade. Op hen zijn de overeenkomstig bij die rangen behorende immuniteiten en (fiscale) privileges van toepassing. Hiermee wordt een adequaat en goed uit te voeren regime voor alle internationale organisaties gecreëerd, dat zich kan meten met de internationale concurrentie.
(…)
Voor de internationale organisaties zelf zijn de privileges en immuniteiten gelijk. Zij stellen de internationale organisatie in staat om haar werkzaamheden ongehinderd en onafhankelijk van het gastland uit te voeren.
Met betrekking tot de gesignaleerde problematiek van ongelijke behandeling van dezelfde categorieën personeel bij de verschillende internationale organisaties die reeds in Nederland zijn gevestigd, heeft het kabinet op grond van de internationale concurrentiepositie tussen vestigingsplaatsen voor internationale organisaties besloten nu nog bestaande verschillen tussen personeel van IO’s op te heffen. Er komt een algehele stroomlijning naar categorieën personeel die volgens de internationale classificatie en registratie worden onderscheiden, te weten: het hoogste personeel van een internationale organisatie zal worden gelijkgesteld aan diplomaten met gelijke rang van een ambassade en het overig personeel zal worden gelijkgesteld aan het administratief en technisch personeel van een ambassade en waar van toepassing met het bedienend personeel van een ambassade. Hierbij zal worden aangesloten bij het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961). Het gaat dan om niet-Nederlanders werkzaam bij een internationale organisatie en personen die niet duurzaam verblijvend zijn in Nederland.
Bijgevolg gelden als standaard voor de privileges en immuniteiten voor het personeel van alle IO’s de voorzieningen zoals deze in het algemeen voor ambassade personeel gelden.
8. Rechtspraak
De Hoge Raad
8.1
Ook de belanghebbende in de zaak HR BNB 2011/15323.was een EOO-functionaris. De vraag was of voor de berekening van de aftrekdrempel buitengewone uitgaven ex art. 6.24 Wet IB 2001 ook zijn vrijgestelde EOO-inkomen meetelde. U meende van wel:
“3.5.4. De bewoordingen van deze bepaling [Art. 16(1) Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de EOO; PJW] geven geen grond om aan te nemen dat zij zo ruim moeten worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde salarissen en emolumenten ook buiten aanmerking dienen te blijven in een geval als het onderhavige, waarin de draagkracht van de functionaris dient te worden vastgesteld met het oog op een persoonsgebonden aftrek, die in mindering komt op de belasting die deze functionaris is verschuldigd over zijn overige inkomsten, waarop de vrijstelling niet van toepassing is.
3.5.5.
Ook de strekking van artikel 16 van het [EOO-; PJW] Protocol geeft geen aanleiding om aan deze bepaling een zo ruime uitleg te geven. Uit artikel 19 van het Protocol volgt dat voorrechten en immuniteiten, waaronder de hier bedoelde belastingvrijstelling, door het Protocol worden verleend in het belang van de Organisatie. Het belang van een goed en onafhankelijk functioneren van een internationale organisatie vergt niet dat aan een belastingvrijstelling als de onderhavige - in afwijking van de bewoordingen van de desbetreffende regeling - die ruime uitleg wordt gegeven.
3.5.6.
Het in 3.5.4 en 3.5.5 overwogene sluit aan bij de uitleg die de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2002, genoemd in onderdeel 3.4, heeft gegeven aan artikel 13 van het Protocol betreffende de Voorrechten en Immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (Trb. 1965, 130, hierna: het EG-Protocol). De tekst van artikel 13 van het EG-Protocol komt vrijwel geheel overeen met de tekst van de vrijstellingsregeling in artikel 16 lid 1, tweede volzin, van het Protocol. De strekking van beide vrijstellingen stemt verder zozeer overeen dat er met het oog daarop onvoldoende aanleiding bestaat voor een verschillende uitleg.
3.5.7.
Het voorgaande brengt mee dat de Hoge Raad is teruggekomen van zijn arrest van 15 december 1999, nr. 35038, LJN AA4206, BNB 2000/58.”
8.2
HR BNB 2011/25124.betrof een in Nederland aangeworven EOB-werknemer met de Nederlandse nationaliteit. De vraag was of hij fiscaal net zo moest worden behandeld als niet-Nederlandse EOB-werknemers die als buitenlands belastingplichtig werden aangemerkt, waardoor bij hen de box 3-grondslag was beperkt tot in Nederland gelegen onroerende zaken.25.Nederland verleende belastingplichtigen zoals de belanghebbende dezelfde voorrechten en immuniteiten als die van administratief en technisch personeel van een ambassade (zie 3.3 hierboven). Voor dat personeel geldt het box 3-grondslagvoorrecht alleen als het niet de Nederlandse nationaliteit heeft, noch duurzaam in Nederland verblijft. U overwoog:
“5.3.1. Het beleid berust op overeenkomstige toepassing van artikel 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 159, hierna: het Verdrag). Hiermee wordt vooruitgelopen op de inwerkingtreding van een daarmee overeenstemmende regeling in de Overeenkomst van 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage (Trb. 2006, 155, hierna: de Overeenkomst).
5.3.2.
Ingevolge artikel 37, lid 2, van het Verdrag gelden diplomatieke voorrechten en immuniteiten in de ontvangende staat, waaronder fiscale voorrechten, ook voor leden van het administratieve en technische personeel van een diplomatieke zending. Daarop wordt een uitzondering gemaakt indien deze personen onderdaan zijn van de ontvangende staat of daar duurzaam verblijf houden. Deze uitzondering kan worden verklaard door de band die deze personen hebben met de ontvangende staat, en die rechtvaardigt dat deze staat die personen in de belastingheffing betrekt.
5.3.3.
Bij de Overeenkomst is in 2006 een overeenkomstige regeling getroffen voor personeel dat in Nederland werkzaam is bij het Europees Octrooibureau. De totstandkoming van deze regeling vloeit voort uit beleid dat het kabinet in 2005 heeft vastgesteld ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland. In het kader van dat beleid heeft het kabinet besloten de medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd op uniforme wijze te behandelen. Daarbij is beoogd aan te sluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk (Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11). Die uniforme behandeling houdt in dat het hoogste personeel van een internationale organisatie eenzelfde behandeling krijgt als diplomaten met gelijke rang van een ambassade, en dat het overige personeel gelijkgesteld wordt met administratief en technisch personeel van een ambassade, onder meer met betrekking tot fiscale voorrechten.
5.3.4.
In artikel 10, lid 2, van de Overeenkomst is daartoe bepaald dat personeelsleden van het Europees Octrooibureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die – zoals belanghebbende – niet onder de regeling voor de hoogste functionarissen uit het eerste lid vallen en niet behoren tot het zogenoemde bedienend personeel, dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland overeenkomstig het Verdrag worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd.
Voor deze categorie personeelsleden gelden als gevolg daarvan fiscale voorrechten overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag, waaronder voorrechten met betrekking tot de heffing over voordelen uit sparen en beleggen, tenzij het gaat om personen die – zoals belanghebbende – onderdaan zijn van Nederland of in Nederland duurzaam verblijf houden. In artikel 10, lid 6, van de Overeenkomst is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. Daarmee kent die regeling eenzelfde beperking van de kring van personen die voor de fiscale vrijstellingen in aanmerking komen als artikel 37, lid 2, van het Verdrag. De verklaring voor deze beperking die hierboven in 5.3.2 is vermeld en die hier ook heeft te gelden, geeft een voldoende grondslag voor het oordeel dat het maken van het door belanghebbende aangevochten onderscheid in de Overeenkomst en in het hiervoor onder 3.1.5 voor 2005 gevoerde beleid niet van redelijke grond ontbloot is.
5.4.
Gelet op het hiervoor in 5.3 overwogene is van discriminatie geen sprake. Het middel van belanghebbende faalt daarom.”
8.3
In de zaak HR BNB 2015/5326.constateerde u dat Nederland bij verlening van voorrechten en immuniteiten aan personeel van het Europees Octrooi Bureau met een andere dan de Nederlandse nationaliteit onderscheid maakt tussen personeel dat bij aanvang van de werkzaamheden uit het buitenland afkomstig is en personeel dat bij die aanvang al duurzaam in Nederland verblijft. Aan laatstbedoeld personeel kent het Ministerie van Buitenlandse Zaken de status ‘duurzaam verblijf’ (DV) toe. DV-statushouders worden net als Nederlanders uitgesloten van een aantal fiscale privileges, waaronder de beperking van de box 3-grondslag tot in Nederland gelegen onroerende zaken. De vraag was of de belanghebbende, hoewel Nederlander, toch dat fiscale privilege toekwam omdat hij anders ongunstiger zou worden belast dan niet-Nederlandse collega’s die ten tijde van hun aanwerving noch Nederlander, noch DV-statushouder waren, maar inmiddels zo lang bij het EOB werkzaam waren dat zij duurzaam in Nederland verbleven. U oordeelde echter dat het beoordelingsmoment het moment van aanwerving is:
“2.3.2. Artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst bepaalt, voor zover hier van belang, dat personeelsleden van het EOB in de rang van belanghebbende dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen. In het zesde lid is bepaald dat dit artikel 10 niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland.
2.3.3.
De Zetelovereenkomst is totstandgekomen in het kader van het beleid om medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd op uniforme wijze te behandelen, waarbij is beoogd aan te sluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk (Kamerstukken II 2004/05, 30 178, nr. 1, blz. 10-11).
2.3.4.
Bij het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan personeel met een andere dan de Nederlandse nationaliteit pleegt een onderscheid te worden gemaakt tussen personeelsleden die bij de aanvang van hun werkzaamheden uit het buitenland afkomstig zijn en personeelsleden die op dat tijdstip reeds duurzaam in Nederland verblijven. Aan laatstbedoelde categorie wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken de zogenoemde DV-status toegekend (vgl. HR 6 juni 2008, nr. 41769, ECLI:NL:HR:2008:BD3159, BNB 2008/211, en HR 6 juni 2008, nr. 43788, ECLI:NL:HR:2008:BD3187, BNB 2008/212). Die categorie wordt voor de toepassing van een aantal voorrechten op gelijke wijze behandeld als Nederlandse onderdanen.
2.3.5.
De onder 2.3.4 bedoelde regeling voor diplomatieke ambtenaren wordt op overeenkomstige wijze toegepast in de Zetelovereenkomst. Ook daarbij geldt, zoals bij diplomatieke ambtenaren waaraan artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst refereert, dat de beoordeling of een personeelslid van het EOB in de zin van die bepaling duurzaam in Nederland verblijf houdt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beoordeeld, en wel naar de situatie ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden voor het EOB.
2.3.6.
Belanghebbendes opvatting dat hij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van buitenlandse collega’s die inmiddels zo lang bij het EOB werkzaam zijn dat zij duurzaam in Nederland verblijven, berust derhalve op een misvatting omtrent de betekenis van het begrip duurzaam verblijf bij de toepassing van regelingen die gelden voor diplomatieke ambtenaren, waarnaar artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst verwijst. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake. Ook de daarop gerichte klacht faalt daarom.
(…).”
Het Hof van Justitie van de EU
8.4
De zaak Knoors27.betrof een Nederlander die in België woonde en daar sinds 1970 een centrale verwarmingsbedrijf, een loodgietersbedrijf en een waterfittersbedrijf dreef. Hij wilde deze activiteiten voortzetten in Nederland. Daarvoor was een vergunning ex art. 15(1) Vestigingswet Bedrijven 1954 van de Kamer van Koophandel vereist. Zijn verzoek daartoe werd afgewezen door de staatssecretaris van Economische zaken, omdat hij niet de door de Nederlandse wet vereiste vakbekwaamheidsbewijzen bezat. Volgens de staatssecretaris was Knoors geen “begunstigde” in de zin van art. 4(1)(a) Richtlijn nr. 64/427.28.Het Hof van Justitie overwoog eerst dat art. 3 van die richtlijn wederzijdse erkenning inhoudt:
“10 Meer in het bijzonder houdt deze richtlijn rekening met de moeilijkheden voortvloeiende uit de omstandigheid dat in sommige Lid-Staten een stelsel van vrije toegang tot en uitoefening van de betrokken werkzaamheden bestaat, terwijl andere Lid-Staten voor de toelating tot bepaalde beroepen min of meer strikte voorwaarden stellen die het bezit van een diploma van vakbekwaamheid inhouden.
11 Om de door deze ongelijkheid ontstane moeilijkheden op te lossen, bepaalt artikel 3 van de richtlijn dat wanneer in een Lid-Staat de toegang tot een der in de richtlijn genoemde werkzaamheden of de uitoefening daarvan afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde bekwaamheden “… deze Lid-Staat als voldoende bewijs van die kennis en die bekwaamheid de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheden in een andere Lid-Staat (beschouwt)".
12 Dit artikel geeft voorts nauwkeurig aan wat onder „daadwerkelijke uitoefening" van een beroep moet worden verstaan, door met name minimumtijdvakken vast te stellen gedurende welke dit beroep moet zijn uitgeoefend.”
Het HvJ oordeelde vervolgens dat de vrijheid van vestiging geen omgekeerde discriminatie (van eigen onderdanen) meer toelaat als een onderdaan – kort gezegd - door gebruik te maken van zijn gemeenschapsrechten vergelijkbaar is geworden met andere EG-onderdanen: de vestigingsvrijheid mag niet zo worden uitgelegd dat eigen onderdanen van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten wanneer zij zich, doordat zij rechtmatig in een andere lidstaat hebben verbleven en daar een vakbekwaamheid hebben verworven die door het gemeenschapsrecht wordt erkend, ten opzichte van hun staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die de door het gemeenschapsrecht verzekerde rechten en vrijheden genieten:
“24 Weliswaar kunnen de verdragsbepalingen op het gebied van de vestiging en de dienstverlening niet worden toegepast op zuiver interne situaties van een Lid-Staat, doch dit neemt niet weg dat de verwijzing in artikel 52 naar „onderdanen van een Lid-Staat" die zich „op het grondgebied van een andere Lid-Staat" wensen te vestigen niet aldus mag worden uitgelegd dat eigen onderdanen van een bepaalde Lid-Staat van het genot van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten wanneer zij zich, doordat zij rechtmatig op het grondgebied van een andere Lid-Staat hebben verbleven en daar een vakbekwaamheid hebben verworven die door het gemeenschapsrecht wordt erkend, ten opzichte van hun Staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten.”
8.5
Het HvJ EG heeft (ook) in de zaak D’Hoop29.geoordeeld dat een EG-burger die van zijn EG-verkeersvrijheid gebruik heeft gemaakt, in beginsel ongeacht nationaliteit aanspraak kan maken op dezelfde behandeling als andere EG-burgers die zich in dezelfde situatie bevinden:
“28 Deze hoedanigheid van burger van de Unie dient de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten te zijn en verleent degenen onder hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag aanspraak op een gelijke behandeling rechtens (arrest van 20 september 2001, Grzelczyk, C-184/99, Jurispr. blz. I-6193, punt 31).
(…).
30 Aangezien een burger van de Unie in elke lidstaat recht heeft op dezelfde behandeling rechtens als de onderdanen van deze lidstaat die zich in dezelfde situatie bevinden, zou het in strijd zijn met het beginsel van het vrije verkeer indien hij in de lidstaat waarvan hij onderdaan is, minder gunstig kon worden behandeld dan wanneer hij geen gebruik zou hebben gemaakt van de door het Verdrag verleende rechten inzake vrij verkeer.
(…).
40 Het antwoord op de vraag dient dus te luiden, dat het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een lidstaat weigert aan een van zijn onderdanen, een student op zoek naar een eerste dienstbetrekking, wachtuitkeringen toe te kennen op de uitsluitende grond dat deze student zijn middelbare studie in een andere lidstaat heeft voltooid.”
8.6
In de zaak Asscher30.heeft het HvJ EG zijn rechtspraak over ongunstiger (fiscale) behandeling van migrerende eigen onderdanen als volgt samengevat:
“32. Volgens vaste rechtspraak kunnen de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging weliswaar niet worden toegepast op zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat, doch dit neemt niet weg, dat de draagwijdte van artikel 52 van het Verdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat de eigen onderdanen van een bepaalde Lid-Staat van de toepassing van het gemeenschaps-recht worden uitgesloten, wanneer zij zich, door hun handelwijze, ten opzichte van hun staat van herkomst in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten (zie, in die zin, arresten van 7 februari 1979, zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399, r. o. 24; 3 oktober 1990, zaak C-61/89, Bouchoucha, Jurispr. 1990, blz. I-3551, r. o. 13; 31 maart 1993, zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. 1-1663, r. o. 15, en 23 februari 1994, zaak C-419/92, Scholz, Jurispr. 1994, blz. I-505).”
8.7
Dit geldt ook voor werknemers van internationale organisaties. Het HvJ EG overwoog in de zaak Rockler31.als volgt:
“14. Volgens vaste rechtspraak valt iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers en die in een andere lidstaat dan zijn woonstaat een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, binnen de werkingssfeer van artikel 48 [thans 45; PJW] van het Verdrag (arresten van 12 december 2002, De Groot, C 385/00, Jurispr. blz. 111819, punt 76; 2 oktober 2003, Van Lent, C 232/01, Jurispr. biz. I 11525, punt 14, en 13 november 2003, Schilling en Fleck-Schilling, C 209/01, Jurispr. blz. 1 13389, punt 23).
15. Voorts zij eraan herinnerd dat een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen de hoedanigheid van migrerend werknemer bezit. Het is immers eveneens vaste rechtspraak dat een gemeenschapsonderdaan die in een andere lidstaat dan zijn land van herkomst werkt, zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 48, lid 1, van het Verdrag niet verliest doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult, ook al zijn de voorwaarden van zijn toelating en verblijf in het land van tewerkstelling speciaal geregeld in een internationale overeenkomst (arrest van 15 maart 1989, Echternach en Moritz, 389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723, punt 11; reeds aangehaald arrest Schilling en Fleck-Schilling, punt 28, en arrest van 16 december 2004, My, C 293/03, Jurispr. blz. I 12013, punt 37).
16. Bijgevolg kunnen aan een werknemer die onderdaan is van een lidstaat, zoals Rockier, niet de rechten en sociale voordelen worden onthouden die voor hem voortvloeien uit artikel 48 van het Verdrag (reeds aangehaalde arresten Echtemach en Moritz, punt 12, en My, punt 38).”
8.8
In onder meer de zaak Evans32.heeft het HvJ EU uiteengezet dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht:
“35. (…) zij eraan herinnerd dat het recht van de Unie moet worden uitgelegd gelet op de relevante regels van volkenrecht, dat deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie en de instellingen van deze laatste bindt (zie in die zin arresten Racke, C‑162/96, EU:C:1998:293, punten 45 en 46, alsook Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 291).
In het arrest Kadi33.waarnaar het Hof verwijst, had hij had overwogen:
“291 (…) dat de bevoegdheden van de Gemeenschap in overeenstemming met het volkenrecht moeten worden uitgeoefend ((…) Poulsen en Diva Navigation, punt 9, en Racke, punt 45). Bovendien heeft het Hof in hetzelfde punt van het eerste van deze arresten gepreciseerd dat een krachtens deze bevoegdheden vastgestelde handeling moet worden uitgelegd – en haar werkingssfeer moet worden afgebakend – met inachtneming van de relevante regels van het volkenrecht.
292 Verder heeft het Hof geoordeeld dat de Gemeenschap zich bij de uitoefening van de in de artikelen 177 EG en 181 EG vastgestelde bevoegdheden inzake samenwerking en ontwikkeling dient te houden aan de verbintenissen die in het kader van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties zijn onderschreven (arrest van 20 mei 2008, Commissie/Raad, C‑91/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
8.9
De zaak Scholz34.betrof een Duitse die door haar huwelijk de Italiaanse nationaliteit had verkregen en wier zeven jaren in Duitse overheidsdienst niet werden meegeteld door de Universiteit van Cagliari bij een concorso voor restaurantmedewerkers, hoewel (wel) punten werden toegekend voor dienstjaren in Italiaanse overheidsdienst. Het HvJ oordeelde:
“8 Met betrekking tot het onderhavige geval moet om te beginnen worden opgemerkt, dat het feit dat verzoekster de Italiaanse nationaliteit heeft verkregen, geen invloed heeft op de toepassing van het non-discriminatiebeginsel,
9 Iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere Lid-Staat heeft uitgeoefend, valt immers, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, onder de werkingssfeer van voormelde bepalingen.
10 (…).
11 (…) moet worden vastgesteld, dat de weigering om het tijdvak van werkzaamheden die verzoekster in overheidsdienst van een andere Lid-Staat heeft verricht, in aanmerking te nemen bij de toekenning van extra punten met het oog op haar plaatsing op de definitieve lijst, een indirecte discriminatie vormt waarvoor geen rechtvaardiging bestaat. “
8.10
De zaak Gilly35.betrof een echtpaar dat in Frankrijk woonde. De man bezat de Franse nationaliteit en de van oorsprong Duitse vrouw had door haar huwelijk ook de Franse nationaliteit verworven. De vrouw werkte in Duitsland en wenste toepassing van het Duitse gesplitste tarief voor gehuwden, maar als niet-ingezetene van Duitsland werd zij daar belast als ongehuwde. Het HvJ oordeelde over de toepasselijkheid van het vrij verkeer van werknemers:
“20 Ter terechtzitting heeft de Franse regering zich op het standpunt gesteld, dat mevrouw Gilly in Frankrijk niet de rechten heeft uitgeoefend die artikel 48 van het Verdrag haar verleent, aangezien zij werkzaam is in haar staat van herkomst, te weten Duitsland.
21. Dienaangaande volstaat het te beklemtonen, dat mevrouw Gilly door haar huwelijk de Franse nationaliteit heeft verworven en dat zij haar beroepswerkzaamheden uitoefent in Duitsland, terwijl zij in Frankrijk woont. In deze omstandigheden moet zij in laatstgenoemde staat worden beschouwd als een werknemer die van zijn recht op vrij verkeer, zoals gewaarborgd door het Verdrag, gebruik maakt om een beroep uit te oefenen in een andere lidstaat dan waarin hij woont. De omstandigheid dat zij de nationaliteit van de staat van tewerkstelling heeft behouden, doet in geen enkel opzicht af aan het feit dat betrokkene, van Franse nationaliteit, voor de Franse autoriteiten haar beroepswerkzaamheden uitoefent op het grondgebied van een andere lidstaat (zie in dezelfde zin arrest van 19 januari 1988, Gullung, 292/86, Jurispr. blz. 111, punt 12).
(…).
30 Ofschoon het nationaliteitscriterium als zodanig in artikel 14, lid 1, tweede zin, [van het belastingverdrag tussen Frankrijk en Duitsland; PJW] wordt gebezigd met het oog op de verdeling van de fiscale bevoegdheid, kunnen dergelijke onderscheidingen niet worden geacht, een door artikel 48 van het Verdrag verboden discriminatie op te leveren. Nu tot dusver op het niveau van de Gemeenschap geen unificatie- of harmonisatiemaatregelen, met name ter uitvoering van artikel 220, tweede streepje, van het Verdrag, zijn vastgesteld, zijn zij immers een uitvloeisel van de bevoegdheid van de overeenkomstsluitende partijen om, teneinde dubbele belastingen af te schaffen, de criteria ter verdeling van de heffingsbevoegdheid vast te stellen.
31 Met het oog op die verdeling van de fiscale bevoegdheid is het ook niet onredelijk, dat de lidstaten zich laten leiden door de internationale praktijk en het door de OESO opgestelde modelverdrag, waarvan in het bijzonder artikel 19, lid 1, sub a, in de versie van 1994, het beginsel van de betalende staat formuleert. Volgens de commentaren bij genoemde bepaling vindt dit beginsel zijn rechtvaardiging in de „regels van de internationale courtoisie en van de wederzijdse eerbiediging van de soevereiniteit van elke staat”, en „komt het voor in zoveel overeenkomsten tussen landen die zijn aangesloten bij de OESO, dat kan worden gezegd dat het reeds internationaal aanvaard is”.
8.11
De zaak Van Hilten-van der Heijden36.betrof een erflaatster met de Nederlandse nationaliteit, die binnen tien jaar nadat zij Nederland had verlaten - om in Zwitserland en later België te gaan wonen - was overleden. Naar Nederlands successierecht werd zij geacht nog steeds in Nederland te wonen, met het gevolg dat haar erven voor haar volledige nalatenschap werden aangeslagen (onder aftrek van door andere staten geheven successierechten). Het HvJ EU achtte dat niet in strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer:
“46. Door de nalatenschappen van onderdanen die hun woonplaats naar het buitenland hebben verlegd, op dezelfde wijze te belasten als die van onderdanen die in de betrokken lidstaat zijn blijven wonen, kan een dergelijke wetgeving immers eerstbedoelde onderdanen niet ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen vanuit een andere staat, noch laatstbedoelde onderdanen, zulks te doen vanuit die betrokken lidstaat in een andere staat, terwijl zij evenmin, ongeacht de plaats waar de betrokken zaken zich bevinden, de waarde kan verminderen van de nalatenschap van een onderdaan die zijn woonplaats naar het buitenland heeft verlegd. Daartoe is irrelevant, dat die wetgeving niet geldt voor onderdanen die sinds meer dan tien jaar in het buitenland wonen of die welke nooit in de betrokken lidstaat hebben gewoond. Aangezien zij enkel geldt voor onderdanen van die betrokken lidstaat, kan zij het kapitaalverkeer van onderdanen van andere lidstaten niet beperken.
47. Voorzover ingezetenen die onderdaan zijn van de betrokken lidstaat, ten gevolge van een nationale wetgeving als de litigieuze anders worden behandeld dan ingezetenen die onderdaan zijn van andere lidstaten, zij opgemerkt dat dergelijke – met de verdeling van de fiscale bevoegdheid samenhangende – differentiaties niet kunnen worden geacht discriminaties op te leveren die uit hoofde van artikel 73 B van het Verdrag verboden zijn. Bij gebreke van unificatie of harmonisatie op gemeenschapsniveau vloeien zij immers voort uit de bij de lidstaten rustende bevoegdheid, eenzijdig of in verdragen de criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen [zie in die zin, met betrekking tot artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG), arrest van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, Jurispr. blz. I‑2793, punt 30, en, met betrekking tot de artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 58 EG-Verdrag (thans artikel 48 EG), arrest van 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, Jurispr. blz. I‑6161, punt 57].
48. Bovendien heeft het Hof reeds eerder vastgesteld dat het met het oog op de verdeling van de fiscale bevoegdheid niet onredelijk is dat de lidstaten zich laten leiden door de internationale praktijk, met name de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opgestelde modelverdragen (zie arrest Gilly, reeds aangehaald, punt 31). In casu heeft de Nederlandse regering te kennen gegeven, dat de litigieuze wetgeving strookt met het commentaar op het modelverdrag inzake successie en schenking ter voorkoming van dubbele belasting (verslag van het comité voor sociale zaken van de OESO, 1982). Blijkens de commentaren bij de artikelen 4, 7, 9 A en 9 B van voormeld model vindt een dergelijke wetgeving haar rechtvaardiging in het streven, een vorm van belastingvlucht te voorkomen die erin bestaat dat een onderdaan van zijn lidstaat in het vooruitzicht van zijn overlijden zijn woonplaats verlegt naar een andere staat, waar de belasting lager is. Het commentaar preciseert dat dubbele belasting wordt vermeden (…).
(…).
9. Literatuur
9.1
Burgers heeft bij uw arrest HR BNB 2011/251 (zie 8.3 hierboven) het volgende aangetekend (ik laat voetnoten weg):
“2. (…). Met uitzondering van inkomsten uit onroerende zaken worden (…) vrijwel alle inkomsten uit sparen en beleggen van diplomatieke ambtenaren en daarmee gelijkgestelde ambtenaren van internationale organisaties, waaronder het EOB, vrijgesteld van inkomstenbelasting in box 3. De vrijstelling geldt echter krachtens art. 10, zesde lid, van de [Zetel-; PJW] overeenkomst van 27 juni 2006 niet voor personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland, hoewel de vaste commissie voor Europese zaken de Nederlandse regering in een verzoekschrift van 18 oktober 2004 kenmerk EU-04-17137.had verzocht om in een nieuwe zetelovereenkomst tussen het EOB en Nederland geen clausules op te nemen waardoor voor de belastingheffing op inkomen een onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlandse ambtenaren van het EOB en medewerkers van het EOB die niet de Nederlandse nationaliteit hebben.
3. Ook de gang naar de rechter mocht de Nederlandse ambtenaren van het EOB niet baten: Nederland mag de fiscale voorrechten onthouden aan ambtenaren van het EOB die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam in Nederland wonen. Reden is de band die deze personen hebben met de ontvangende staat, welke band rechtvaardigt dat deze staat die personen in de belastingheffing betrekt.
4. De in 2006 gewijzigde regelgeving mag voor in Nederland duurzaam verblijf houdende ambtenaren zoals belanghebbende gevoelsmatig onredelijk overkomen, nu zijn niet-Nederlandse collega’s – naar zijn zeggen – doorgaans in het geheel geen belasting betalen over het inkomen uit sparen en beleggen (…). Het fictievewoonplaatsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de in 2006 ingevoerde nieuwe regeling (en bijvoorbeeld ook aan art. 13 Protocol voorrechten en immuniteiten EU (voorheen art. 14 Protocol voorrechten en immuniteiten EG)) bewerkstelligt evenwel conform internationaal gebruik dat niet-Nederlandse werknemers van internationale organisaties geacht worden hun fiscale woonplaats te hebben behouden die zij hadden op het moment van indiensttreding bij het EOB. Of de zendstaat het inkomen in de heffing betrekt, is aan die staat.
5. De procedure betreft niet het belastingjaar 2006, maar het belastingjaar 2005 in welk jaar het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie nog geen artikel vergelijkbaar met art. 13 Protocol betreffende de Voorrechten en Immuniteiten EU kende. Belanghebbende verweert zich dan ook niet tegen de in 2006 ingevoerde nieuwe regeling, maar tegen het beleid van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in diens brief van 26 mei 2005 waarin deze aangeeft dat hij een in 2005 door het kabinet vastgestelde regeling ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland al in 2005 zal toepassen. Deze instructie zou, zo meent belanghebbende, onbevoegd zijn gegeven, omdat deze leidt tot een omgekeerde, dan wel verkapte discriminatie naar nationaliteit in de zin van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR waarvoor geen redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden gevonden. Het beleid begunstigt zijn niet in Nederland duurzaam verblijf houdende, c.q. niet de Nederlandse nationaliteit hebbende collega’s, met als resultaat effectief verschillende besteedbare inkomens. Tot en met 2004 werden deze inkomsten ook bij niet in Nederland wonende werknemers van de Europese Octrooiorganisatie in aanmerking genomen.
6. Hof en Hoge Raad verwerpen de zienswijze van belanghebbende, hetgeen niet verwonderlijk is, want zoals P. den Boer in zijn noot bij HR 7 juni 1972, nr. 16 786, BNB 1972/205* al schreef: ‘Het is … duidelijk dat een ambtenaar met neveninkomsten bij een nationale fiscus te biecht moet’. Voor de duurzaam in Nederland wonende Nederlander kan de door Den Boer bedoelde nationale fiscus alleen de Nederlandse fiscus zijn. Immers, de overeenkomsten waarin privileges en immuniteiten worden verschaft aan functionarissen van internationale organisaties gaan niet zo ver dat zij het heffingsrecht over het totale inkomen van haar ambtenaren aan de organisaties toekennen: alleen de door de organisatie betaalde salarissen en emolumenten zijn onderworpen aan een belasting ten gunste van de organisatie.
7. Hof en Hoge Raad motiveren hun beslissingen verschillend. Het Hof beslist eerst volgens het geijkte patroon dat niet voldaan is aan de eerste van de twee vereisten voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Er is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, en wel omdat belanghebbende niet vergelijkbaar is met de gevallen waarvoor het beleid is bedoeld: hij is niet uit het buitenland aangeworven en is geen buitenlands belastingplichtige. (…). Zonder afzonderlijk na te gaan of sprake is van gelijke gevallen constateert de Hoge Raad dat er gezien het doel van de uitzondering voldoende grondslag voor het gemaakte onderscheid is. Dat doel bestaat niet uit het bereiken van een uniforme regeling, maar uit het toekennen aan de ontvangststaat van het recht om personen die een band met deze staat hebben in de vorm van nationaliteit of duurzaam verblijf in de belastingheffing te betrekken.
8. (…).”
9.2
De redactie van V-N 2015/4.4 tekende bij uw arrest HR BNB 2015/53 (zie 8.4 hierboven) aan dat aan het onderscheid in de EOB-Zetelovereenkomst tussen Nederlanders en niet-Nederlanders een fictieve-woonplaatsbeginsel ten grondslag ligt:
“(…). Met uitzondering van inkomsten uit onroerende zaken, worden vrijwel alle inkomsten uit sparen en beleggen van diplomatieke ambtenaren en daarmee gelijkgestelde ambtenaren van internationale organisaties, waaronder het EOB, vrijgesteld van inkomstenbelasting in box 3. De vrijstelling geldt krachtens art. 10 lid 6 van de afzonderlijke [Zetel-; PJW] overeenkomst van 27 juni 2006 niet voor personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. Aldus is ook beslist in HR 8 juli 2011, nr. 10/03467, BNB 2011/251, V-N 2011/36.11. Het fictievewoonplaatsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de in 2006 ingevoerde nieuwe regeling, bewerkstelligt conform internationaal gebruik dat niet-Nederlandse werknemers van internationale organisaties geacht worden hun fiscale woonplaats te hebben behouden die zij hadden op het moment van indiensttreding bij het EOB. Of de zendstaat het inkomen in de heffing betrekt, is aan die staat. De Hoge Raad oordeelde reeds in HR BNB 2011/251 dat er, gezien het doel van de uitzondering, voldoende grondslag voor het gemaakte onderscheid is. Dat doel bestaat niet uit het bereiken van een uniforme regeling, maar uit het toekennen aan de ontvangststaat van het recht om personen die een band met deze staat hebben in de vorm van nationaliteit of duurzaam verblijf, in de belastingheffing te betrekken.”
9.3
De Redactie van FutD 2019/0804 wijst in haar commentaar op de thans te beoordelen Hofuitspraken op het contrast met een eerdere uitspraak uit 2016 van hetzelfde Hof Den Haag38., ook over een EOB-werknemer, maar met tegengestelde uitkomst omdat het om een Nederlander ging die géén beroep op art. 45 VwEU kon doen. Het cassatieberoep tegen die 2016-uitspraak is door u werd verworpen met toepassing van art. 81 Wet RO.39.Ik merk op dat dezelfde belanghebbende over dezelfde geschilpunten opnieuw procedeert ter zake van een later jaar; u zie de bij u aanhangige zaak 19/02953, waarin ik niet zal concluderen. De Redactie van FutD schrijft:
“In een uitspraak van Hof Den Haag van 19 oktober 2016 (zie FutD 2016-2765) ging het ook om de vraag of een werknemer van het EOB in Rijswijk met de Nederlandse nationaliteit was vrijgesteld van de box III-heffing. In die procedure beriep de belanghebbende zich vooral op schending van het gelijkheidsbeginsel. In artikel 10 van de Zetelovereenkomst is vastgelegd dat werknemers van het EOB dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen in Nederland, alsmede het administratief en technisch personeel van die vertegenwoordigingen, zoals geregeld in het Verdrag van Wenen. In lid 6 van artikel 10 staat echter dat het artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam in Nederland verblijf houden. Of er sprake is van duurzaam verblijf bepaalt het ministerie van Buitenlandse Zaken en wel naar het moment dat de werkzaamheden in Nederland een aanvang nemen. Juist door dat moment is zelden of nooit sprake van het etiket DV (duurzaam verblijf), ook al verblijft zo'n buitenlandse diplomaat vervolgens soms vele jaren in Nederland. Belanghebbende vond dat hij niet anders behandeld moest worden dan medewerkers die niet de Nederlandse nationaliteit hadden en die ten tijde van hun aanstelling niet in Nederland woonachtig waren, maar na verloop van tijd wel duurzaam in Nederland verbleven. Die medewerkers werden de voorrechten en immuniteiten namelijk wel deelachtig. Het Hof verwierp echter het betoog van de belanghebbende in die procedure, omdat hij niet "man en paard" kon noemen en daarmee niet voldeed aan de meerderheidsregel. Ook was geen sprake van begunstigend beleid van de inspecteur. De inspecteur had namelijk de kwalificatie door het ministerie van Buitenlandse Zaken maar te volgen en kon en mocht daar niet van afwijken. Daarbij verwees het Hof bovendien naar een arrest van 8 juli 2011 (zie FutD 2011-1629), waarin de Hoge Raad had beslist dat geen sprake was van (ongeoorloofde) discriminatie in het geval dat bij een werknemer van het EOB met de Nederlandse nationaliteit de voordelen in box III wél in aanmerking werden genomen, terwijl die voordelen bij een werknemer die geen onderdaan was van Nederland en hier ook geen duurzaam verblijf hield, buiten aanmerking bleven. Het tegen deze uitspraak van het Haagse Hof ingesteld cassatieberoep werd door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 Wet RO afgewezen. Duidelijker kan niet zou je zeggen.
Het is nu dan de grote vraag wat Hof Den Haag (in een andere samenstelling van raadsheren dan in die van de uitspraak van 19 oktober 2016) heeft bewogen om zo volstrekt anders te beslissen in de gevallen van X en Y [de belanghebbenden in de twee thans te beoordelen zaken; PJW]. Deze gevallen verschillen op het eerste oog namelijk niet van die uit de casus van de hiervoor besproken uitspraak. Ook X en Y hadden beiden de Nederlandse nationaliteit en moesten dus ook hun beroepen dan al niet afstuiten op het bepaalde in lid 6 van artikel 10 van de Zetelovereenkomst? Welnu, de gevallen van X en Y verschillen wel degelijk met die van de belanghebbende uit de uitspraak uit 2016, die we Z zullen noemen.
X en Y hadden om te beginnen een veel hogere rang dan Z. En dat is van belang. Artikel 10 van de Zetelovereenkomst maakt in de leden 1 en 2 namelijk onderscheid tussen personeelsleden die vergelijkbaar zijn met diplomatieke ambtenaren als bedoeld in artikel 34 van het Verdrag van Wenen (lid 1) en personeelsleden die vergelijkbaar zijn met administratief en technisch personeel als bedoeld in artikel 37 van het Verdrag van Wenen (lid 2). Z viel onder lid 2, maar X en Y vielen onder lid 1. Voor de toepassing van artikel 10, lid 6 van de Zetelovereenkomst is dat onderscheid niet van belang. Artikel 10 pretendeert echter aan te sluiten bij de bepalingen van het Verdrag van Wenen en in dat Verdrag is er wel degelijk een groot verschil tussen de gevallen die onder artikel 34 vallen en zij die onder artikel 37 vallen. Slechts voor de gevallen die onder artikel 37 vallen geldt een uitzondering op de immuniteit voor werknemers die de nationaliteit van de ontvangststaat hebben. De uitzondering van lid 6 van artikel 10 van de Zetelovereenkomst gaat dus duidelijk verder. Niettemin acht het Hof de uitzondering van artikel 10, lid 6 van de Zetelovereenkomst (uiteindelijk) in overeenstemming met artikel 38 van het Verdrag van Wenen dat een vrij algemeen geformuleerde uitzondering op immuniteiten bevat voor diplomatieke ambtenaren die onderdaan zijn van of duurzaam verblijf houden in de ontvangststaat. Mede gelet op het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juli 2011 [BNB 2011/251; zie 4.3 hierboven; PJW] beslist het Hof daarom dat van een discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM of artikel 26 IVBPR geen sprake is. Veel belangrijker is echter dat X en Y, anders dan Z, vóór hun indiensttreding bij het EOB in Rijswijk in het buitenland werkzaam waren en vanuit dat buitenland zijn aangeworven om bij het EOB in Rijswijk te gaan werken. Voor X was dat Duitsland en voor Y was dat het Verenigd Koninkrijk. Daarom beriepen X en Y zich op schending van artikel 45 en 18 van het VWEU. Artikel 45 gaat over het vrij verkeer van werknemers en artikel 18 verbiedt iedere discriminatie op grond van nationaliteit. Artikel 10, lid 6, van de Zetelovereenkomst bewerkstelligt dat vanuit het buitenland aangeworven EOB-werknemers die geen Nederlands onderdaan zijn, worden bevoordeeld ten opzichte van eveneens uit het buitenland aangeworven EOB-werknemers die wél Nederlands onderdaan zijn. In een uitvoerig en goed gemotiveerd betoog beslist het Hof dat dat onderscheid naar nationaliteit in strijd is met het EU-recht en ten aanzien van X en Y buiten toepassing moet blijven.”
9.4
Denza40.bespreekt de ratio van fiscale voorrechten voor diplomaten en meent dat de positie van werknemers van internationale organisaties anders is dan die van diplomatieke vertegenwoordigers omdat zij, anders dan diplomaten, niet onderworpen blijven aan de fiscale jurisdictie van een zendstaat en zichzelf eerder zullen vergelijken met hun collega’s bij die organisaties:
“Tax privileges were (…) justified on varying, though not incompatible grounds: first, that they derived from the principle that one sovereign does not tax another; secondly, that it was necessary to enable the diplomat to carry out his duties independently of the receiving State that he should be exempt from tax at least on goods and income connected with his work and residence in that State; and thirdly, that as a matter of administrative convenience - for revenue authorities as well as for diplomatic services - diplomats should be subject on a continuing basis to the tax regime of the sending State rather than to a succession of varying tax regimes in the States where they serve. All of these justifications were and remain sound reasons for tax exemption — and the second and third are helpful in explaining the exceptions to the general rule of exemption.
In considering the justification for the general exemption granted under Article 34 [Vienna Convention on Diplomatic Relations; PJW] it is important to note that the diplomat continues to be liable to taxation by the sending State. If the sending State levies tax at a high rate he may therefore be financially disadvantaged in comparison with non- privileged residents of the receiving State. He is not in an absolute sense ‘privileged’. The position is, of course, different for staff of international organizations who, though they may well pay tax to the organization which employs them, are usually exempt from being taxed on their emoluments by their State of nationality or origin (assuming that it is a Contracting Party to the relevant agreement on privileges and immunities). An important consideration in determining the tax treatment of officials of international organizations is the need for parity of take-home pay among staff of equal rank. This is not a relevant consideration in the case of members of diplomatic missions.”
9.5
Over art. 38(1) en (2) van het Verdrag van Wenen (onthouding van de privileges en immuniteiten aan onderdanen van de ontvangende staat en personen die daar duurzaam verblijven) schrijft Denza:41.
“Finally, Article 38 debarred from all privileges and immunities (beyond the minimum of immunity for diplomats in regard to their official acts) nationals and permanent residents of the receiving Sate. (...). Nationals and permanent residents of the receiving State are much less likely to be career diplomats and the justification for according them extensive tax and customs privileges as well as exemption from social security obligations is correspondingly weaker. In general, they are unlikely to be harassed for political motives. In their case the alternative remedies which to some extent compensate for immunity from jurisdiction - the possibility of action in the sending State or recourse to the sending State itself - are much less likely to be effective. So long as nationals and permanent residents of the receiving State are accorded immunity for their official acts, their effectiveness in carrying out their functions is safeguarded.
(...). In the latter four provisions [art. 31, 34, 37 en 38; PJW] (...), all of which relate to individual members of missions, the effect in most States was to decrease the privileges and immunities enjoyed by diplomats, other members of diplomatic missions, and their families. The unifying thread which ran through all these changes was the attempt to ensure, in the words of the Preamble of the Convention, ‘that the purpose of such privileges and immunities is not to benefit individuals but to ensure the efficient performance of the functions of diplomatic missions as representing States’. The functional approach was not regarded by those who prepared the Convention as merely an academic rationale - it guided them at every crucial point. The general effect was to tighten the protection given to the mission itself - its premises, communications, property, and archives. On the other hand, it reduced the occasions when privilege or immunity could be invoked in regard to essentially private activities of individuals, and it reduced the protection and privileges of junior members of the mission and of those who belonged to the receiving State. In these cases it was decided that possible abuse by mission staff of their privileges and immunities was more likely than their harassment for political motives.”
9.6 (
(Ook) Christiaanse42.schreef in 1960 al dat de gedachte veld won dat bij niet-diplomaten (werknemers van internationale organisaties) minder gevaar voor onafhankelijkheids-beperking bestaat als zij in de ontvangststaat aan inkomstenbelasting worden onderworpen voor hun overige (niet aan hun functie verbonden) inkomsten:
“Hoe ligt de situatie precies voor de hoogste ambtenaren? (...). Bij verschillende oudere verdragen is aan deze ambtenaren het fiscale regime van de diplomaten toegekend. Dit heeft tot gevolg gehad, dat de desbetreffende ambtenaren het recht hebben verkregen voor hun overige inkomsten in de zetelstaat fiscaal als niet-inwoner beschouwd te worden. In recente verdragen vindt de assimilatie met de diplomaten echter niet meer plaats. Dit is het geval bij de WEU, de EGKS en de EEG. (...). Dit wijst erop, dat de gedachte veld heeft gewonnen, dat er ook voor deze hoge ambtenaren geen gevaar bestaat, dat hun onafhankelijkheid in het gedrang komt, indien zij in de staat van hun fiscale woonplaats aan de i.b. worden onderworpen. De veronderstelling ligt inderdaad voor de hand, dat de assimilatie voor de “top” met de diplomaten bij de VN, de OEES, de NAVO en de RvE eertijds is geschied met het oog op de immuniteit van jurisdictie en enkele voorrechten van meer representatief belang. Min of meer automatisch is uit deze assimilatie de vergaande i.b.-vrijstelling voortgevloeid, zonder dat dit de uitdrukkelijke bedoeling was.”
9.7
Lenaerts en Van Nuffel43.constateren dat uit de Knoors-jurisprudentie van het HvJ EU blijkt dat lidstaten onderdanen die gebruik hebben gemaakt van hun vrijverkeersrecht niet (meer) omgekeerd mogen discrimineren (ik laat voetnoten weg):
Een grensoverschrijdende situatie bestaat zodra een werknemer of zelfstandige zijn of haar beroepswerkzaamheden op het grondgebied van een andere lidstaat uitoefent, heeft uitgeoefend of wil uitoefenen dan de lidstaat waarvan hij of zij onderdaan is of waarin hij of zij woont. Met het oog op de toepasselijkheid van het vrije verkeer van werknemers is het niet voldoende dat een arbeidsverhouding een louter potentieel grensoverschrijdend karakter heeft. (…).
Een lidstaat kan aan eigen onderdanen strengere vereisten opleggen dan aan onderdanen van andere lidstaten. Niettemin heeft het Hof in het Knoors-arrest verduidelijkt dat een lidstaat niet “omgekeerd” mag discrimineren tegen onderdanen die door gebruik te maken van de mogelijkheden op het gebied van vrije verkeer en vestiging, zich ten opzichte van hun staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die door de Verdragen verzekerde rechten en vrijheden genieten. Iedere Unieburger die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend, valt onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers of de vrije vestiging, ongeacht zijn of haar nationaliteit of woonplaats. (…).
9.8
Ook Pieter-Jan Kuijper e.a., The Law of the European Union,44.vermelden:
“4.2 Re-importation and strategic migration
A person, product or service in Member State A may benefit from the rules on free movement if activities are performed in Member State B, or if the product was in circulation in Member State B. If a Belgian national exercises his or her right of free movement by, say, exercising his profession in France, and later wishes to exercise that profession in Belgium, he or she is a beneficiary of Union rights. This is not an internal situation and he or she may exercise his or her profession in Belgium under the same conditions as a Frenchman who wishes to exercise that profession in Belgium.45.This case law has given rise to the application of re-importation or return constructions.46.In many cases a product, person or service may return to its home Member State after a stay in another Member State.”
9.9
Barnard47.merkt het volgende op over de mogelijkheid om de verkeersvrijheden tegen de eigen lidstaat in te roepen en het mogelijk resulterende onderscheid tussen twee soorten eigen onderdanen:
“Conversely, Union law can be invoked by nationals against their own Member State when they are exercising – or have exercised – their rights of free movement. This can be seen in Surinder Singh. In 1982 Mr. Surinder Singh, an Indian national, married a British citizen. From 1983 tot 1985 they lived in Germany, where Mrs Singh was employed on a part-time basis. This meant that under Union law she was a worker who was entitled to be joined by her spouse. In 1985 she returned tot he UK to run a business. The question was whether Mrs. Singh’s husband could join her in the UK under Union law. If the situation was considered wholly internal then domestic law only would apply, with the result that Mr Singh was likely to be refused entry. If, however, the situation was not considered to be wholly internal then Union law would apply and Mr Sing could enter and remain in the UK as the spouse of an EU migrant. The court opted for the second approach. It reasoned that a national like Mrs Singh might be deterred from exercising her Union law rights of free movement if, on returning to her state of origin (the UK), the conditions of entry or residence were not at least equivalent to those which she would enjoy on entering the territory of another stat (e.g., France), including the right to be accompanied by her spouse. In this way Singh serves to confirm the earlier case of Knoors, where the Court found that a Belgian-qualified Dutch plumber who had worked in Belgium was entitled to rely on his Union law rights to work in the Netherlands (his home state) using his Belgian qualification. The Court said that his position was “assimilated to that of another person enjoying their rights and liberties guaranteed by the Treaty“.
(…).
Cases like Saunders and Gauchard demonstrate that nationals cannot invoke the free movement provisions against their own Member States if they have not exercised their rights of free movement in some way. EU migrants (and nationals like Mrs Singh and Mr Knoors who have taken advantage of their Union law rights) may therefore enjoy more favourable treatment in the host state.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2019
Van 1977 tot 2007 luidde art. 8 EOV: “In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven, waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dit Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, op het grondgebied van de Verdragsluitende Staten de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.”
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973, Trb. 1975, 108. Dit Verdrag is voor Nederland in werking getreden op 7 oktober 1977 (zie Trb. 1977, 144). Art. 8 is met ingang van 13 december 2007 gewijzigd, zie Trb. 2013, 127.
Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie (Trb. 1976, 101).
Ik vermoed dat het om deze brief gaat: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30178-1.html#IDACACFB. Zie voor die brief onderdeel 7.4.
Vienna Convention on Diplomatic Relations, 18 april 1961, Trb. 1962,159.
Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms; Rome, 4 november 1950, Trb. 1951, 154.
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met bijlagen; Rome, 25 maart 1957, Trb. 1957, 91. De geconsolideerde versie van de Nederlandse tekst van het Verdrag, zoals deze luidt sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice op 1 februari 2003 is te vinden in Trb. 2003, 150.
Tekst zoals vermeldt in het Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten; met Protocollen en Verklaringen; Nice, 26 februari 2001, Trb. 2001, 47.
Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; (met Protocollen, Bijlagen, Slotakte en Verklaringen) Lissabon, 13 december 2007, Trb. 2008, 11.
Oorspronkelijk opgenomen in art. 48 Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Trb. 1957, 91. Lid 1 luidde toen: “Het vrije verkeer van werknemers wordt binnen de Gemeenschap uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode tot stand gebracht.” Bij Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten; met Protocollen, Bijlage en Verklaringen; Amsterdam, 2 oktober 1997, Trb. 1998,11 is lid 1 gewijzigd in de in onderdeel 6.3 geciteerde tekst. Bij Verdrag van Amsterdam is deze bepaling in art. 39 terecht gekomen.
Bij Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; (met Protocollen, Bijlagen, Slotakte en Verklaringen) Lissabon, 13 december 2007 Trb. 2008,11, is deze bepaling opgenomen in art. 45 VwEU.
Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; (met Protocollen, Bijlagen, Slotakte en Verklaringen) Lissabon, 13 december 2007 Trb. 2008, 11.
Rijkswet van 12 januari 1977 houdende goedkeuring van het Europees Octrooiverdrag, München 5 oktober 1973, en van het voornemen tot opzegging van de overeenkomsten betreffende de oprichting van een Internationaal Octrooibureau (IIB), Stb. 1977, 7.
Kamerstukken II 1975/76, 13 899 (R1013), nr. 3, p. 73.
Goedkeuring van het op 18 april 1961 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en daarbij behorende Protocollen, Trb. 1962, 101 en 159, Trb. 1984, 104.
Kamerstukken II 2004/05, 30178, nr. 1, p. 3 en 10.
Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 10/01513, ECLI:NL:HR:2011:BP2997, BNB 2011/153 met noot van de redactie, V-N 2011/9.9 met noot van de redactie en FutD 2011-0262 met noot van de redactie.
Hoge Raad 8 juli 2011, nr. 10/03467, ECLI:NL:HR:2011:BR0387, BNB 2011/251 met noot Burgers en V-N 2011/36.11.
Volledigheidshalve merk ik op dat in deze zaak ook in geschil was of het salaris dat de belanghebbende had genoten uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij het EOB in aanmerking moest worden genomen bij het berekenen van de drempel voor aftrek van buitengewone uitgaven als bedoeld in art. 6.24 Wet IB 2001. U oordeelde, onder verwijzing naar HR BNB 2011/153, dat dat het geval is.
Hoge Raad 9 januari 2015, nr. 13/05597, ECLI:NL:HR:2015:22, BNB 2015/53, V-N 2015/4.4 met noot van de redactie, Belastingadvies 2015/3.6 met wenk Ancuta, NTFR 2015/632 met noot Vrolijks, Belastingblad 2015/147 met annotatie van J.P. Kruimel.
HvJ EG 7 februari 1979, zaak 115/78, Knoors tegen Staatssecretaris van Economische Zaken, na conclusie Reischl, ECLI:EU:C:1979:31, Jur. 1979, p. 399.
Richtlijn nr. 64/427 van 7 juli 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be- en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC (Industrie en Ambacht) (PB 1964, blz. 1863).
HvJ EG 11 juli 2002, zaak C-224/98, Marie-Nathalie D'Hoop tegen Office national de l'emploi, na conclusie Geelhoed, ECLI:EU:C:2002:432.
HvJ EG 27 juni 1996, zaak C-107/94, Asscher, na conclusie Léger, ECLI:EU:C:1996:251, Jur. 1996, I-3089, BNB 1996/350 met noot J.A.G. van der Geld.
HvJ EG 16 februari 2006, zaak C-137/04, Rockler, ECLI:EU:C:2006:106.
HvJ EU 15 januari 2015, C-179/13, Evans, na conclusie Wahl, ECLI:EU:C:2015:12, V-N 2015/11.16, NTFR 2015/1219 met noot Fijen, .
HvJ EU 3 september 2008, gevoegde zaken C-402/05 P en C-415/05, Kadi en Al Bakaraat International Foundation/Raad en Commissie, na conclusie Poiares Maduro, ECLI:EU:C:2008:461,
HvJ EG 23 februari 1994. zaak C-419/92. na conclusie Jacobs, Scholz v. Opera Universitaria di Cagliari en Cinzia Porcedda, ECLI:EU:C:1994:62.
HvJ EG 12 mei 1998, zaak C‑336/96, Gilly, na conclusie Ruiz-Jarabo Colomer, ECLI:EU:C:1998:221.
HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03, na conclusie Léger, van Hilten-van der Heijden, ECLI:EU:C:2006:131, BNB 2006/194 met noot van Vijfeijken, V-N 2006/14.22, NJ 2006, 427 met noot Mok.
Zie ook de brief van 10 februari 2005 van de Minister van Buitenlandse zaken met kenmerk DKP/DIO-2005/16.
Hof Den Haag 19 oktober 2016, nr. BK-16/00207, ECLI:NL:GHDHA:2016:3314, FutD 2016-2765, NTFR 2017/67 met commentaar Alink.
HR 17 november 2017, nr. 16/05798, ECLI:NL:HR:2017:2885.
E. Denza, Oxford Commentaries on international law. Diplomatic law. Commentary on the Vienna Convention on Diplomatic Relations, New York: Oxford University Press Inc. 2008, p. 292-293. Ook het Hof verwijst naar deze 2008-editie. Er is ook een 2016-editie, en die bevindt zich ook (fysiek; niet digitaal) in de collectie van de bibliotheek van de Hoge Raad, maar een onbekend doch leergierig personeelslid van de Hoge Raad was kennelijk meteen zó verdiept in die 2016-versie dat hij/zij bij het lenen ervan heeft verzuimd een reglementair voorgeschreven leenkaart in te vullen. Ik hoop nu maar dat de geciteerde passages in de 2016-editie nog hetzelfde luiden.
Denza, t.a.p. 2008, p. 4-5.
J.H. Christiaanse, De inkomstenbelastingvrijstelling van internationale ambtenaren, Deventer: Kluwer 1960, p. 128.
Koen Lenaerts en Piet van Nuffel, Europees Recht, Intersentia: Antwerpen 2017, p. 160-161.
Pieter-Jan Kuijper e.a. (ed.), (voorheen Kapteyn/VerLoren van Themaat), The Law of the European Union, Alphen aan den Rijn: Wolters Kluwer 2018, p. 482.
Voetnoot in origneel: “Case 115/78, Knoors.”
Voetnoot in origineel: “Case C- 61/89, Bouchacha; Case C-370/90, Singh; Case C-291/05, Eind.”
C. Barnard, The Substantive Law of the EU. The Four Freedoms, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 208 -210.
Beroepschrift 07‑06‑2019
[- 7 JUNI 2019]
Kenmerk: 2019-0000092764
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 19/02014) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 maart 2019, nrs. 18/00473 t/m 18/00481, inzake [X] te [Z] betreffende de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 tot en met 2014.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 29 april 2019 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van de artikelen 18, 20, 21 en 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), artikel 10 van de Overeenkomst van 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie (hierna: EOO) betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in 's‑Gravenhage (hierna: EOB), (Trb. 2006, 155; hierna: de Zetelovereenkomst), de artikelen 8, 34, 37 en 38 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961, (Trb. 1962, 159; hierna: het Verdrag van Wenen), de artikelen 5.1, 5.2, en 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en artikel 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 33 en 34 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de uit artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst voortvloeiende verschillende behandeling wat betreft de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen in strijd is met het EU-recht, zodat het onderhavige inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende naar 's Hofs oordeel niet in de heffing van inkomstenbelasting over de onderhavige jaren dient te worden betrokken, zulks evenwel ten onrechte, zoals hieronder nader toegelicht.
Toelichting
Vooraf
Voor de vaststaande feiten en het rechtskader verwijs ik naar respectievelijk onderdeel 3 en de punten 6.1 tot en met 6.6 van de hofuitspraak.
Uit artikel 10, eerste en tweede lid, van de Zetelovereenkomst en de artikelen 34 en 37 van het Verdrag van Wenen volgt dat personeelsleden van het EOB die werkzaamheden in Nederland verrichten dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als diplomatiek, administratief en technisch personeel van de in Nederland gevestigde diplomatieke vertegenwoordigingen geniet overeenkomstig het Verdrag van Wenen. Dit betreft onder meer fiscale privileges zoals een vrijstelling van het inkomen uit sparen en beleggen (met uitzondering van in Nederland gelegen onroerende zaken).
In artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst is geregeld dat dit artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. Belanghebbende had op het moment van aanvaarding van zijn dienstbetrekking bij het EOB de Nederlandse nationaliteit, zodat hij onder genoemde uitzonderingsbepaling van artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst valt.
Geen verboden discriminatie in de zin van het EVRM en het IVBPR
In het arrest HR 8 juli 2011, nr. 10/03467, ECLI:NL:HR:2011:BR0387, (hierna: het arrest van 8 juli 2011) heeft de Hoge Raad de vraag of sprake is van discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM of artikel 26 IVBPR doordat inkomen uit sparen en beleggen van de belanghebbende in die zaak in aanmerking wordt genomen, terwijl dergelijk inkomen niet in aanmerking wordt genomen bij collega's van de belanghebbende werkzaam bij het EOB, die geen onderdaan zijn van Nederland en hier evenmin duurzaam verblijf houden, ontkennend beantwoord.1. Ik verwijs naar de door het Hof in de uitspraak geciteerde r.o. 5.3.1 e.v. van dit arrest.
Het Hof heeft in r.o. 6.7 tot en met 6.16 van de uitspraak naar mijn mening op goede gronden geoordeeld dat in casu evenmin sprake is van een verboden discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM of artikel 26 IVBPR: belanghebbende wordt derhalve niet op grond van zijn nationaliteit gediscrimineerd ten opzichte van personeelsleden van het EOB die evenals belanghebbende vanuit het buitenland zijn aangeworven en vervolgens in Nederland zijn gaan wonen, maar die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.
Ook geen verboden beperking in de zin van het EU-recht
Het Hof oordeelt in r.o. 6.18 tot en met 6:35 dat het in artikel 10 van de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid in strijd is met het EU-recht en ten opzichte van belanghebbende buiten toepassing moet worden gelaten. Het oordeel dat sprake is van een ongerechtvaardigde beperking van het vrije personenverkeer, in de vorm van omgekeerde discriminatie naar nationaliteit, getuigt mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting.
Uit de EU-rechtspraak volgt dat er slechts sprake is van discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties.2. Tevens volgt hieruit dat de vrijheden van het VWEU zich niet verzetten tegen het discrimineren door een lidstaat van diens eigen onderdanen, mits deze lidstaat de eigen onderdanen niet belemmert gebruik te maken van het vrije verkeer, om in een andere lidstaat te verblijven of te reizen of door een vrijverkeerssituatie te discrimineren ten opzichte van een binnenlandse situatie. In het arrest Asscher vat het HvJ EU de door het Hof in r.o. 6.22 van de uitspraak genoemde jurisprudentie als volgt samen (HvJ EU 27 juni 1996, C-107/94, ECLI:EU:C:1996:251):
- ‘32.
Volgens vaste rechtspraak kunnen de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging weliswaar niet worden toegepast op zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat, doch dit neemt niet weg, dat de draagwijdte van artikel 52 van het Verdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat de eigen onderdanen van een bepaalde Lid-Staat van de toepassing van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten, wanneer zij zich, door hun handelwijze, ten opzichte van hun staat van herkomst in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten (zie, in die zin, arresten van 7 februari 1979, zaak 115/78, Knoors, Jurispr. 1979, blz. 399, r. o. 24; 3 oktober 1990, zaak C-61/89, Bouchoucha, Jurispr. 1990, blz. I-3551, r. o. 13; 31 maart 1993, zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. 1-1663, r. o. 15, en 23 februari 1994, zaak C-419/92, Scholz, Jurispr. 1994, blz. I-505).’
Belanghebbende bevindt zich mijns inziens niet in een vergelijkbare positie als onderdanen van andere lidstaten die van het recht van vrij verkeer gebruik hebben gemaakt. De Rechtbank heeft naar mijn mening terecht geoordeeld dat belanghebbende vanwege zijn band met Nederland niet kan worden gelijkgesteld met andere medewerkers die vanuit het buitenland met een buitenlandse nationaliteit worden aangesteld bij het EOB (r.o. 14). Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dus van discriminatie is in casu geen sprake.
Het Hof oordeelt dat onderdanen van Nederland op ongerechtvaardigde wijze worden benadeeld ten opzichte van onderdanen van andere lidstaten. Belanghebbende wordt echter niet minder gunstig behandeld dan ingezetenen van Nederland in een louter interne situatie3.: hij wordt bij zijn komst vanuit Duitsland niet anders behandeld dan andere Nederlanders die bij het EOB werken. Er is uitgaande van deze vergelijking voor onderdanen met de Nederlandse nationaliteit, zoals belanghebbende, met andere woorden geen belemmering om het recht van vrij verkeer uit te oefenen omdat deze onderdanen bij hun (terug)komst in Nederland gelijk worden behandeld met andere Nederlanders. Laatstgenoemden komen immers op grond van artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst evenmin in aanmerking voor een vrijstelling van inkomen uit sparen en beleggen.
Ik wijs ook op de zaak Van Hilten-Van der Heijden (HvJ EU 23 februari 2006, C-513/03, ECLI:EU:C:2006:131), waarin Nederland geëmigreerde Nederlanders ongunstiger aansloeg in het successierecht dan geëmigreerde niet-Nederlanders. Het HvJ EU oordeelde dat het EU-recht zich niet verzet tegen de Nederlandse regeling waarbij de nalatenschap van een onderdaan van die lidstaat die is overleden binnen tien jaar nadat hij die lidstaat metterwoon heeft verlaten, wordt belast alsof die onderdaan in diezelfde staat was blijven wonen (onder aftrek van de door andere staten geheven successierechten). A-G Léger concludeerde in deze zaak (met weglating van de voetnoten):
- ‘71.
De litigieuze regeling is dus in overeenstemming met de huidige eisen van het gemeenschapsrecht, (…). Volgens deze rechtspraak mogen de lidstaten hun onderdanen die gebruik maken van de door het gemeenschapsrecht verleende verkeersvrijheden, geen ongunstigere behandeling geven dan die welke zij zouden genieten wanneer zij geen gebruik van deze vrijheden hadden gemaakt. Op fiscaal gebied is het de lidstaten derhalve verboden, belastingplichtigen die in een andere lidstaat, in loondienst of als zelfstandige, een economische activiteit gaan uitoefenen om daar diensten te verrichten of in het kader van de vrijheid van vestiging, ongunstiger te behandelen dan het geval zou zijn geweest wanneer zij hun activiteiten op het nationale grondgebied hadden uitgeoefend. Deze rechtspraak kan ook worden toegepast op de situatie van onderdanen van een lidstaat die gebruik maken van het aan hun hoedanigheid van burger van de Unie verbonden recht om in een andere lidstaat te reizen en te verblijven.
- 72.
Het thans geldende gemeenschapsrecht verplicht de lidstaat van herkomst echter niet om zijn onderdanen die gebruik maken van de hun door het Verdrag toegekende vrijheid om te reizen en te verblijven, een gunstigere behandeling te geven dan die welke zij zouden hebben genoten wanneer zij op het nationale grondgebied waren gebleven.(…).’
Zie ook het arrest HvJ EU 11 juli 2002, C-224/98 (D'Hoop), ECLI:EU:C:2002:432, waarin het HvJ EU overwoog:
- ‘30.
Aangezien een burger van de Unie in elke lidstaat recht heeft op dezelfde behandeling rechtens als de onderdanen van deze lidstaat die zich in dezelfde situatie bevinden, zou het in strijd zijn met het beginsel van het vrije verkeer indien hij in de lidstaat waarvan hij onderdaan is, minder gunstig kon worden behandeld dan wanneer hij geen gebruik zou hebben gemaakt van de door het Verdrag verleende rechten inzake vrij verkeer.’
Mocht sprake zijn van een beperking van het vrije personenverkeer is deze gerechtvaardigd
Indien het Hof de juiste vergelijkingsmaatstaf heeft gehanteerd en sprake is van een beperking van het vrije personenverkeer (omgekeerde discriminatie naar nationaliteit) komt de vraag op of deze beperking kan worden gerechtvaardigd. Het Hof heeft mijns inziens ten onrechte geoordeeld dat het in artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid naar nationaliteit niet kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
De Zetelovereenkomst is tot stand gekomen in het kader van het beleid om medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd op uniforme wijze te behandelen, waarbij is beoogd aan te sluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk (zie Kamerstukken II 2004/05, 30 178, nr. 1, blz. 10–11; het arrest van 8 juli 2011, r.o. 5.3.3 en HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22, r.o. 2.3.3). Zie ook Kamerstukken II 2005/06, Aanhangsel van de Handelingen, 723, p. 1538:
‘Met betrekking tot voorrechten en immuniteiten wordt In het volkenrecht onderscheid gemaakt tussen buitenlandse werknemers enerzijds en werknemers die de nationaliteit van het gastland hebben of daar duurzaam verblijven anderzijds. Dit verschil (…) vindt zijn basis mede in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Ook in andere landen wordt dit onderscheid gehanteerd.’
Nederland heeft evenals andere lidstaten die een volkenrechtelijke organisatie op hun grondgebied huisvesten, voor wat betreft bepaalde fiscale privileges in overeenstemming met het Verdrag van Wenen de kring van personen beperkt door eigen onderdanen of diegenen die er duurzaam verblijf houden uit te sluiten. Dit betreft een internationaal algemeen aanvaarde uitzondering voor onderdanen van de ontvangende staat. Doelstelling van de fiscale privileges is het EOB in volledige onafhankelijkheid te laten functioneren en niet om haar werknemers een gunst te verlenen of voordelen te gunnen. Het gegeven dat het strookt met het Verdrag van Wenen — en daarmee met het uniforme beleid voor internationale organisaties — dat ingevolge artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst alleen privileges worden verstrekt aan personen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten (en niet duurzaam verblijf houden in Nederland) (r.o. 6.14), vormt (ook) voor wat betreft het EU-recht een dwingende reden van algemeen belang. Deze dwingende reden is evenredig aan het door het volkenrecht rechtmatig nagestreefde doel.
Zie in dat kader bijvoorbeeld HvJ EU 15 januari 2015, C-179/13, (Evans), punt 35 e.v.:
- ‘35.
(…) Het recht van de Unie moet worden uitgelegd gelet op de relevante regels van volkenrecht, dat deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie en de instellingen van deze laatste bindt (zie in die zin arresten Racke, C-162/96, EU:C: 1998:293, punten 45 en 46, alsook Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punt 291).’
In het in dit citaat genoemde arrest HvJ EU 3 september 2008, C-402/05 en C-415/05 (Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie), EU:C:2008:461, is dit als volgt verwoord:
- ‘291.
Dienaangaande dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat de bevoegdheden van de Gemeenschap in overeenstemming met het volkenrecht moeten worden uitgeoefend (reeds aangehaalde arresten Poulsen en Diva Navigation, punt 9, en Racke, punt 45). Bovendien heeft het Hof In hetzelfde punt van het eerste van deze arresten gepreciseerd dat een krachtens deze bevoegdheden vastgestelde handeling moet worden uitgelegd — en haar werkingssfeer moet worden afgebakend — met inachtneming van de relevante regels van het volkenrecht.
- 292.
Verder heeft het Hof geoordeeld dat de Gemeenschap zich bij de uitoefening van de in de artikelen 177 EG en 181 EG vastgestelde bevoegdheden inzake samenwerking en ontwikkeling dient te houden aan de verbintenissen die in het kader van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties zijn onderschreven, (arrest van 20 mei 2008, Commissie/Raad, C 91/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).’
In r.o. 6.34.3 van de uitspraak oordeelt het Hof echter dat de toekenning van privileges met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen aan werknemers van Internationale organisaties niet berust op een internationaal aanvaarde praktijk. Dit oordeel acht ik niet in overeenstemming met het hiervoor genoemde arrest van 8 juli 2011 en met r.o. 6.14 van de Hofuitspraak. Het in de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid sluit aan bij hetgeen internationaal gebruikelijk is.
Hoewel een volkenrechtelijke organisatie geen staat is, zijn aan deze organisaties vele voorrechten en immuniteiten toegekend die ook aan staten zijn toegekend. Het in artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid kan mijns inziens tevens worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten te waarborgen. Ik meen dat deze rechtvaardigingsgrond in overeenkomstige zin heeft te gelden voor de Zetelovereenkomst, een bilaterale overeenkomst tussen Nederland en de EOO. Dit geldt in overeenkomstige zin voor de andere zetelovereenkomsten die Nederland heeft (of andere landen hebben) gesloten waarin een vergelijkbaar onderscheid is opgenomen; dit betreft ook zetelovereenkomsten met EU-organisaties (zie bijvoorbeeld recent artikel 17, zesde lid, van het Verdrag met het Europees Geneesmiddelenbureau)4..
Uit het arrest HvJ EU 12 mei 1998, C-336/96, ECLI:EU:C:1998:221, (Gilly), punt 53, volgt dat het feit dat de overeenkomstsluitende partijen met het oog op de onderlinge verdeling van de heffingsbevoegdheid verschillende aanknopingsfactoren kiezen, in het bijzonder de nationaliteit, als zodanig niet een door het Unierecht verboden discriminatie kan opleveren. Met het oog op die verdeling van de fiscale bevoegdheid is het volgens het HvJ EU dan ook niet onredelijk, dat de lidstaten zich laten leiden door de Internationale praktijk en het door de OESO opgestelde modelverdrag. In genoemde zaak ging het in het bijzonder om artikel 19 van het modelverdrag, welke bepaling is gebaseerd op regels van de internationale courtoisie en de wederzijdse eerbiediging van de soevereiniteit van elke staat en haar grondslag vond in het Verdrag van Wenen.5. Van een door het Unierecht verboden discriminatie is voor wat betreft artikel 10, zesde lid, Zetelovereenkomst kortom geen sprake nu Nederland zich bij deze Zetelovereenkomst heeft laten leiden door het Verdrag van Wenen en het in het volkenrecht voor (fiscale) privileges gebruikelijke onderscheid op basis van nationaliteit en duurzaam verblijf.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst verenigbaar met de verdragsbepalingen zoals opgenomen in het VwEU. Het Hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vrijstelling van het onderhavige inkomen uit sparen en beleggen.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 07‑06‑2019
Zie ook HR 9 januari 2015, nr. 13/05597, ECLI:NL:HR:2015:22 en HR 17 november 2017, nr. 16/05798, ECLI:NL:HR:2017:2885 (artikel 81, eerste lid, Wet RO).
Zie bijv. HvJ EU 14 februari 1995, C-279/93 (Schumacker), ECLI:EU:C:1995:31, punt 35.
Zie ook bijv. HvJ EU 15 september 2011, C-240/10 (Schulz-Delzers), ECLI:EU:C:1979:31.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Geneesmiddelenbureau betreffende de vestiging van het Europees Geneesmiddelenbureau, 's‑Gravenhage, 1 juni 2018, Trb. 2018, 71.
Zie punt 31 van genoemd arrest Gilly en de conclusie van A-G Ruiz-Jarabo Colomer, o.m. punt 41.