Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/4.2.3.3
4.2.3.3 Natuurlijke personen
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS492806:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijkbare zin A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 160 en N.H. de Vries en Rj. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Gouda Quint, onderdeel 7.0.2.b (supplement 224, november 1994).
A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 156, N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Gouda Quint, onderdeel 7.0.2.b (supplement 224, november 1994) en C.P.M. van Houte, Fiscale aspecten van omzetting van rechtspersonen, Elsevier Dossier, 2000, p. 21.
N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Gouda Quint, onderdeel 7.0.2.b (supplement 224, november 1994). Deze passage komt thans niet meer voor in de Cursus, iets waaruit ik overigens niet afleid dat de auteurs een andere mening zijn toegedaan. De opzet van de bespreking van art. 28a Wet VPB 1969 is in de Cursus namelijk gewijzigd in welk verband een analyse van concrete omzettingsvarianten, waaronder de omzetting van een stichting in een BV, is komen te vervallen.
In de woorden van HR 6 april 1930, B. 4726: de bedrijfsuitoefening moet tot het behalen van het voordeel in staat hebben gesteld.
Vergelijk hiervoor o.a. HR 5 december 1990, nr. 230, BNB 1991/103*.
Zie ook A.C. Rijkers, ‘F iscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 161.
Zie de aantekening op een in de publiciteit geraakte beschikking inzake een omzetting van een stichting in een BV, V-N 1995, p. 1233.
De Staatssecretaris van Financiën is het hiermee niet eens blijkens het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146, onderdeel 3c: zie uitgebreid par. 4.2.4.3 hierna.
Vergelijk A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 161.
De verkrijging van de volgestorte aandelen door een natuurlijke persoon in het kader van de omzetting van een stichting in een BV kan alleen met inkomstenbelasting worden belast indien de verkrijging toerekenbaar is aan een bron van inkomen.1
Een dergelijke toerekening ligt mijns inziens niet voor de hand. Dit omdat uit de in paragraaf 2.8.7.3 behandelde civielrechtelijke jurisprudentie kan worden opgemaakt dat aandelen die recht geven op het voormalige stichtingsvermogen (alsmede de vruchten daarvan) in beginsel slechts kunnen worden uitgegeven aan personen die in aanmerking kunnen komen voor een ‘ideële of sociale uitkering’ van de stichting. In een dergelijk geval lijkt de verkrijging van de aandelen het beste te passen in de privésfeer van de natuurlijke persoon. Weliswaar heeft de rechter de bevoegdheid om in een voorkomend geval op de voet van art. 2:18 lid 6 BW goed te keuren dat andere personen in aanmerking komen voor aandelen die recht geven op het voormalige stichtingsvermogen alsmede de vruchten daarvan, maar ik schat de kans daarop klein gelet op de drie in paragraaf 2.8.7.2 behandelde ‘volstortingsuitspraken’, te weten Rb. Arnhem 14 mei 1992, NJkort 1992, 45, p. 32-33, (Stichting Werkpool Nijmegen II), Rb. Zwolle 12 november 2003, nr. HARK03-61, JOR 2004/68(Stichting Het Gastouderbureau) en Rb. Zwolle 7 februari 2003, nr. 2003, nr. HARK02-78, JOR 2004/ 2 (BV Icare Thuiszorgwinkels Flevoland), alsmede vanwege de terughoudendheid van Rb. Rotterdam 18 februari 2002, nr. HAZA03-1324, JOR 2004/100(Optas Pensioenen) voor het geven van toestemming voor een zogenoemde ‘andere besteding’ (zie over deze uitspraak par. 2.8.7.2). Mocht zo’n geval zich toch voordoen, dan zal de toerekening aan een bron van inkomen sterk afhankelijk zijn van de feiten, waaronder de statutaire doelstelling van de stichting.
De bron ‘belastbare winst uit onderneming’ zoals opgenomen in afdeling 3.2 Wet IB 2001 is gelet op de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 de eerste bron die in aanmerking komt voor de toerekening van de aandelen. In de literatuur wordt het standpunt van de Staatsecretaris van Financiën onderschreven dat de verkregen aandelen als ondernemingswinst in de zin van art. 3.8 Wet IB 2001 kunnen worden belast.2 Volgens De Vries en De Vries is dat het geval indien ‘de omzetting zich voor hen [i.c. natuurlijke personen/ondernemers, JLS] in de sfeer van de onderneming heeft afgespeeld’.3 Het object van heffing is dan de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het omzettingstijdstip. In de ‘standaardsituatie’ waarin volgestorte aandelen worden toegekend aan personen behorend tot de ideële of sociale ‘uitkeringsdoelgroep’ van de stichting, acht ik het praktisch uitgesloten dat de aandelen als een voordeel uit onderneming kunnen worden beschouwd. De toerekening van een vermogenstoename aan de bron ‘winst uit onderneming’ geschiedt aan de hand van de vraag of de onderneming de oorzaak van het voordeel vormt.4 In dit verband verwijs ik naar HR 8 mei 1957, nr. 12.962, BNB 1957/196* waarin is beslist dat een Rode-Kruis-uitkering aan een landbouwer-waternoodslachtoffer geen bedrijfsbate vormde. De Hoge Raad overwoog:
‘dat niet elke tegemoetkoming in bedrijfsschade een bedrijfsbate vormt; dat dit met name niet het geval is, indien, zoals hier, aan zodanige tegemoetkoming het karakter van een schadeloosstelling ontbreekt, en zij afkomstig is van personen, voor wie zakelijk geen enkele grond bestond voor de schade in te staan of daarin bij te dragen, doch die uitsluitend uit vrijgevigheid tegenover den getroffene persoonlijk of – in geval van een algemene ramp – tegenover de slachtoffers in het algemeen tot hulpverlening worden gedrongen.’
Als ik dit arrest doortrek naar de situatie waarin een in een BV omgezette stichting volgestorte aandelen toekent aan personen uit de voormalige uitkeringsdoelgroep, lijkt van belastbaarheid van de aandelen als een voordeel uit onderneming doorgaans geen sprake. Bij deze toekenning van aandelen staan immers de personen voorop en ontbreken zakelijke motieven.
Voor belastbaarheid van de uitreiking van aandelen als loon ex art. 3.80 Wet IB 2001 juncto art. 10 lid 1 Wet LB 1964 is vereist dat er een overwegende causa is in de dienstbetrekking.5 Hetzelfde geldt met betrekking tot een werkzaamheid voor de belastbaarheid van de aandelen als resultaat uit overige werkzaamheden op de voet van art. 3.90 Wet IB 2001. Evenals het geval is voor de ondernemingsfeer, acht ik het in de ‘standaardsituatie’ waarin volgestorte aandelen worden toegekend aan personen behorend tot de ideële of sociale ‘uitkeringsdoelgroep’ van de stichting praktisch uitgesloten dat de aandelen als loon dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden in de heffing worden betrokken. Bovendien lijken bestuurders van de in een BV omgezette stichting per definitie niet in aanmerking te kunnen komen voor de verkrijging van volgestorte aandelen nu de stichting aan hen überhaupt geen uitkeringen mag doen, ook niet van een ideële of sociale strekking (zie art. 2:285 lid 3 BW). Slechts in de situatie waarin de rechter op de voet van art. 2:18 lid 6 BW toestemming geeft om aan de werknemers van de in een BV om te zetten stichting aandelen uit te geven die recht geven op (de vruchten van) het voormalige stichtingsvermogen, lijkt belastbaarheid van loon aan de orde te kunnen komen.6
Opmerkelijk is dat de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel 3b van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 de belastbaarheid van de verkregen aandelen als voordeel uit sparen en beleggen op de voet van art. 5.2 Wet IB 2001 niet noemt. Onder de Wet IB 1964 wees de bewindsman nog uitdrukkelijk op de mogelijkheid dat de verkrijging van de aandelen konden worden belast als inkomsten uit vermogen.7 Een dergelijke heffing onder de Wet IB 1964 was volgens de staatssecretaris afhankelijk van de voorafgaande rechtsbetrekking tussen de particulier en de om te zetten stichting. Indien uit de – door de Staatssecretaris van Financiën bedoelde – voorafgaande aan de omzetting bestaande rechtsbetrekking met de stichting een bezitting voortvloeit in zin van art. 5.3 Wet IB 2001, kan naar mijn mening thans worden gezegd dat de vermogenstoename in de vorm van de uitreiking van aandelen forfaitair is belast. Maar ook dit acht ik niet goed voorstelbaar in de ‘standaardsituatie’ waarin volgestorte aandelen worden toegekend aan personen behorend tot de ideële of sociale ‘uitkeringsdoelgroep’ van de stichting.
Omdat pas bij de verkrijging een aanmerkelijkbelangpositie kan ontstaan, kan de uitreiking van de aandelen geen inkomen uit aanmerkelijk belang vormen in de zin van art. 4.3 Wet IB 2001. Ten aanzien van de aanmerkelijkbelanghouder rijst dan de vraag wat de in aanmerking te nemen verkrijgingsprijs ex art. 4.21 Wet IB 2001 is van de met het stichtingsvermogen volgestorte aandelen. Omdat de aandelen pas op het omzettingstijdstip tot een aanmerkelijk belang kunnen gaan behoren, lijkt de verkrijgingsprijs op grond van art. 4.22 Wet IB 2001 te moeten gesteld op de waarde in het economische verkeer die op dat tijdstip daaraan kan worden toegekend, te weten de waarde in het economische verkeer van in de aandelen belichaamde aanspraak op het stichtingsvermogen. Consequentie van deze ‘step-up’ is dat de aandeelhouder door middel van een terugbetaling van het aandelenkapitaal op de voet van art. 4.13 lid 1 Wet IB 2001 het beklemde vermogen zonder heffing van inkomstenbelasting kan ontvangen. Mede gelet op de inbrengfictie ex art. 28a lid 1 onderdeel c juncto lid 2 Wet VPB 1969 dient mijns inziens óók ervan uit te worden gegaan dat voor fiscale doeleinden het voormalige stichtingsvermogen op de aandelen is gestort (zie par. 4.2.5.3 hierna).8 Met het voor de heffing van inkomstenbelasting onbelast kunnen toucheren van het beklemde vermogen dreigt overigens naar mijn mening géén (groot) heffingslek. Indien de stichting niet zou zijn omgezet in een BV, zou immers een van de stichting ontvangen uitkering in beginsel eveneens onbelast zijn voor de heffing van inkomstenbelasting. De step-up naar de waarde in het economische verkeer geldt naar mijn mening los van het feit of de uitgereikte aandelen overigens in de heffing van inkomstenbelasting zijn betrokken als winst, loon, resultaat of inkomen uit sparen en beleggen. Belastbaarheid van de uitgereikte aandelen op basis van andere bronnen van inkomen, zoals periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit eigen woning, acht ik niet mogelijk.9