Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.2.1
7.2.1 Uitzondering op de beperkte aansprakelijkheid
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403494:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo bepaalt de RMBCA: “[A] shareholder of a corporation is not personally liable for the acts or debts of the corporation except that he may become personally liable by reason of liable for his own acts or conduct.” Alle statelijke wetgevingen bevatten een vergelijkbare bepaling.
Hierna zal louter worden ingegaan op doorbraak van aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschap (corporation). Zoals aangegeven in hoofdstuk 4, kent het Amerikaanse recht ook andere rechtsvormen met beperkte aansprakelijkheid, waarvan met name de Limited Liability Company (LLC) erg populair is. Algemeen wordt aangenomen dat het doorbraak-leerstuk daarvoor ook geldt en geen andere inhoud heeft. Zie Westmeyer v. Flynn, 889 N.E.2d 671 (III.App.Ct. 2008): “We conclude that under Delaware law, the doctrine of piercing the corporate veil applies to a limited liability company. Just as with a corporation, the members of an LLC are not generally liable for the obligations of the LLC. However, under Delaware law, just as with a corporation, the corporate veil of an LLC may be pierced, where appropriate.” Bainbridge 2005 pleit tegen de toepassing van het leerstuk op de LLC, waarbij opmerking verdient dat Bainbridge een afschaffing van het gehele leerstuk voorstaat; dus ook voor kapitaalvennootschappen (zie Bainbridge 2001).
“‘Piercing the corporate veil’ refers to the judicially imposed exception to [the non-liability] principle by which courts disregard the separateness of the corporation and hold a shareholder responsible for the corporation’s action as if it were the shareholder’s own.” (Thompson 1991, p. 1036). “The doctrine of piercing the corporate veil is equitable in nature.” (Fletcher 2010, § 41.25). “The doctrines […] are the “safety valves” of an American corporate jurisprudence that still rests on a foundation of entity law.” (Blumberg 2010, p. 10-5).
Wormser 1912, p. 517.
Aan het leerstuk ‘doorbraak van aansprakelijkheid’ wordt in de Verenigde Staten veel aandacht besteed, zowel in de literatuur als in de jurisprudentie. Het doorbraakleerstuk is een in de rechtspraak ontwikkelde uitzondering op het uitgangspunt dat aandeelhouders niet aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap,1 op grond van beginselen van billijkheid (equity).2 De doorbraak dient als correctie in die gevallen waarin handhaving van de beperkte aansprakelijkheid zou resulteren in een ‘injustice’.3 Op basis van de toen beschikbare jurisprudentie vatte een auteur in 1912 de kern van het leerstuk als volgt samen:
“When the conception of corporate entity is employed to defraud creditors, to evade an existing obligation, to circumvent a statute, to achieve or perpetuate monopoly, or to protect knavery or crime, the courts will draw aside the web of entity, will regard the corporate company as an association of live, up-and-doing, men and women shareholders, and will do justice between real persons.”4
Het debat over de vraag of, en zo ja in welke gevallen aandeelhouders aansprakelijk dienen te zijn voor de schulden van de vennootschap, wordt tot op de dag van vandaag gevoerd. Aangezien het doorbraak-leerstuk een uitzondering behelst op de notie dat de aandeelhouders niet aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap, worden de standpunten van de verschillende auteurs in hoge mate ingegeven door hun beoordeling van de wenselijkheid van dat uitgangspunt van beperkte aansprakelijkheid. Kort gezegd bestaan in de Amerikaanse literatuur hierover twee noties. De eerste houdt in dat beperkte aansprakelijkheid een voorrecht is dat de wetgever aan burgers doet toekomen met het doel het publieke belang te bevorderen. Indien dit voorrecht wordt misbruikt of niet langer het publieke belang dient, bestaat daarom grond om het voorrecht vanwege een doorbraak van aansprakelijkheid terug te nemen. In de tweede notie, die uitgebreid is besproken in hoofdstuk 3, wordt de vennootschap economisch gezien als een contract tussen de bij haar betrokken personen en is de beperkte aansprakelijkheid niets anders dan een onderdeel van die ‘standaardovereenkomst’. De rechter dient daarom alleen in te grijpen indien er bij de totstandkoming van dat ‘contract’ iets is misgegaan. Beide noties zijn terug te vinden in de rechtspraak.