Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.8
IV.5.8 Conclusie
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460353:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. IV.5.3.
Onder omstandigheden is een meer geobjectiveerde toets mogelijk, namelijk als er krachtens verkeersopvatting een onrechtmatige daad aan de leidinggevende kan worden toegerekend. Par. IV.5.4.
Zie hieromtrent par. IV.5.6, IV.5.7 en IV.2.2.3 onder het kopje ‘omvangsfase’.
Zie over deeldrijverschap par. III.5.4.3.
Zie par. II.3.4.
In par. IV.2.2.3 onder het kopje ‘Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van 6:162 BW’ ga ik kort in op de omvangsfase van de schadevergoedingsactie.
Zie par. IV.2.8.
Par. IV.2.6.4.
In deze zin ook Karapetian 2019, p. 45, 48, 59 en 220 en Verstijlen 2013.
Voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende op grond van onrechtmatige daad moet worden voldaan aan de vereisten van artikel 6:162 BW. In deze paragraaf heb ik de vijf constitutieve vereisten van artikel 6:162 BW besproken, waarbij ik handvatten heb gegeven voor de beantwoording van vragen die zich aandienen wanneer een leidinggevende op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk wordt gesteld tot schadevergoeding wegens een milieuovertreding. Ik zal de vereisten en handvatten in deze conclusie niet herhalen, ik volsta met enkele algemene opmerkingen.
Allereerst kan op basis van de bestudering van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden op grond van onrechtmatige daad worden geconcludeerd dat deze aansprakelijkheidsvorm een persoonlijk karakter heeft. De leidinggevende wordt aangesproken op een eigen onrechtmatige daad, wat in ieder geval betekent dat de geschonden milieunorm persoonlijk moet zijn gericht tot de aangesproken leidinggevende en dat de leidinggevende zelf handelt of nalaat op een manier die wordt verboden door de milieunorm.1 Deze normschending moet bovendien persoonlijk aan de leidinggevende kunnen worden toegerekend, en daarvoor is in principe schuld vereist.2 Daarnaast moet er in beginsel een noodzakelijk verband bestaan tussen de normschending van de leidinggevende en de schade die de benadeelde op hem wenst te verhalen op grond van artikel 6:162 BW.3 Aan de hand van een bespreking van de vereisten van de onrechtmatige daad heb ik laten zien dat er bij deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake is van secundaire, kwalitatieve aansprakelijkheid voor milieuovertredingen van de rechtspersoon of van ondergeschikten.
Ten tweede wil ik in deze conclusie nogmaals de aandacht erop vestigen dat veel (geschreven en ongeschreven) milieuverplichtingen niet alleen zijn geadresseerd aan de rechtspersonen waarbinnen milieurelevante activiteiten worden verricht, maar (juist) ook aan de natuurlijke personen met zeggenschap over die activiteiten. Inrichtinggerelateerde voorschriften zoals vergunningen en algemene regels uit de Wet milieubeheer zijn in de praktijk de belangrijkste bron van milieuverplichtingen. Leidinggevenden die kunnen worden aangemerkt als ‘drijver van de inrichting’ zijn – naast de exploiterende rechtspersoon – normadressaat van deze inrichtinggerelateerde voorschriften. Let wel, op grond van de zeggenschapstoets die wordt gehanteerd voor drijverschap kan niet iedere leidinggevende worden aangemerkt als drijver. Bovendien strekt het drijverschap zich soms slechts uit over ‘het eigen deel’ van de activiteiten binnen de inrichting.4 Voor inrichtinggerelateerde voorschriften geldt de vuistregel dat personen met feitelijke zeggenschap over de milieurelevante activiteiten binnen een inrichting, in principe ook verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van de regels die betrekking hebben op die activiteiten.
Een belangrijke kanttekening die hierop volgt (in het verlengde van mijn eerste opmerking), is dat een verplichting hebben iets anders is dan een verplichting schenden. Telkens moet worden bezien of de leidinggevende materieel gezien verantwoordelijk is voor de normschending. Heeft de leidinggevende zelf (al dan niet met hulp of door middel van anderen) in strijd gehandeld met de verbodsbepaling? Had de leidinggevende moeten ingrijpen bij een dreigende normschending? Dit zijn vragen die ook spelen in het strafrecht, en ik heb betoogd dat de strafrechtelijke daderschapsvormen relevant zijn voor- en behulpzaam zijn bij de beantwoording van deze vragen. Voor het antwoord op de vraag of een leidinggevende een milieuvoorschrift heeft geschonden zijn in het bijzonder de toerekeningscriteria uit het IJzerdraad-arrest van belang: 1) kon de leidinggevende over de verboden gedraging beschikken en 2) heeft hij de gedraging aanvaard? In de strafrechtelijke literatuur zijn deze IJzerdraad-criteria verder uitgekristalliseerd, en kennis van deze criteria geeft ook houvast voor de beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevende functionarissen.5
Sommige milieuverplichtingen zijn snel geschonden: een openstaande branddeur, een vergeten melding of verlichting die niet wordt uitgezet kunnen strikt genomen al ‘strijd met een wettelijke plicht’ opleveren en dus tot het oordeel leiden dat de leidinggevende onrechtmatig heeft gehandeld. Dus ondanks de drempels die zijn ingebouwd in de toets om te beoordelen of er sprake is van strijd met een wettelijke plicht – waarbij de leidinggevende pas onrechtmatig handelt als hij alle bestanddelen van het voorschrift vervult of op strafbare wijze deelneemt aan de milieuovertreding – zal de leidinggevende soms (door nalaten) ‘kleine onrechtmatige daadjes’ begaan. Maar zoals ik eerder heb opgemerkt, is een onrechtmatige daad in de enge zin van het woord6 op zichzelf onvoldoende voor aansprakelijkheid tot schadevergoeding. Zoals ook blijkt uit de bespreking van de andere vereisten van artikel 6:162 BW (toerekenbaarheid, relativiteit, schade, en causaal verband) en de voorbeelden die ik daarbij gebruikt heb, zullen kleine fouten van leidinggevenden niet snel leiden tot schadevergoedingsplichtigheid. Zelfs als die aansprakelijkheid tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW kan worden gevestigd, zal de omvang van de aansprakelijkheid voor ‘kleine onrechtmatige daadjes’ beperkt blijven: de hoogte van de schadevergoeding zal lichter uitvallen naarmate het verwijt lichter is en/of het verband tussen de fout en de schade indirecter.7 Kortom, in de systematiek van artikel 6:162 BW zoals ik deze heb geschetst kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (in de enge zin van het woord) zónder dat de leidinggevende voor persoonlijke aansprakelijkheid voor de schadelijke gevolgen hoeft te vrezen. Om deze reden is het voor de beoordeling van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden van belang verder te kijken dan alleen de onrechtmatigheidstoets; alle stappen van artikel 6:162 BW en afdeling 6.1.10 BW moeten worden doorlopen.
Ik heb getracht om de vereisten voor het vestigen van de aansprakelijkheid – in lijn met de lezing die over het algemeen wordt gegeven aan artikel 6:162 BW – als een stappenplan weer te geven. Elke stap belicht een andere dimensie van de aansprakelijkheid, en het totaal zorgt dat de milieuschade van een derde alleen voor vergoeding in aanmerking komt als daar een goede reden voor is. Alles moet verbonden zijn: de leidinggevende en de gedraging (toerekenbaarheid), de gedraging en de norm (onrechtmatigheid), de norm en de benadeelde (relativiteit), de schade van de benadeelde en de normschending (causaliteit en schade). Elk verband heeft zijn eigen ratio en zijn eigen deelvereisten, en dit maakt voor partijen een scherpe en gestructureerde discussie over de milieuaansprakelijkheid van de leidinggevende mogelijk. In dat kader is het hier nog goed om de hier voorgestane benadering te contrasteren met hoe de milieuaansprakelijkheid van bestuurders zou verlopen binnen de ernstig verwijt-doctrine. In het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden zou deze doctrine verschillende praktische en dogmatische problemen opleveren. Ik noem er een aantal.
Het eerste probleem komt in de ernstig verwijt-doctrine al om de hoek kijken bij de vraag of de ernstig verwijt-maatstaf überhaupt toepasselijk is: heeft de bestuurder bij het plegen van de milieuovertreding (bijvoorbeeld het achterwege laten van herstelmaatregelen na een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.2 Wm) gehandeld in zijn taakvervulling als bestuurder, of als professionele beroepsbeoefenaar? Dit is geen makkelijke vraag, zeker niet nu er binnen de ernstig verwijt-doctrine nog geen consensus bestaat over de maatstaf die moet worden toegepast om vast te stellen wanneer een bestuurder in hoedanigheid handelt.8
Aannemende dat de ernstig verwijt-maatstaf moet worden toegepast, dan biedt de maatstaf in milieugevallen weinig houvast voor de beantwoording van de vraag óf er sprake is van een ernstig verwijt.9 Het leerstuk is namelijk vooral ingericht op de aansprakelijkheid van bestuurders voor het lichtzinnig aangaan van verplichtingen namens de rechtspersoon en de benadeling van de crediteuren van de rechtspersoon, en de handvatten die in dat kader zijn ontwikkeld zijn niet toepasselijk op noch behulpzaam bij de beoordeling van de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende. Sterker nog, de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf ontneemt het zicht op de (milieu)norm die juist een centrale rol zou moeten spelen in de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder.10
Het secundaire karakter van de bestuurdersaansprakelijkheid in de ernstig verwijt-doctrine maakt de beoordeling er niet makkelijker op, omdat in de aansprakelijkheidsrelatie tussen de bestuurder die een milieuovertreding pleegt en de benadeelde dan ook de rechtspersoon een rol speelt (zij het een onbestemde rol). De omweg via de rechtspersoon knelt bovendien met het persoonlijke karakter van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.
Zo zijn er nog andere problemen die kunnen worden vermeden door de milieuaansprakelijkheid van bestuurders en andere leidinggevenden te beoordelen aan de hand van de gewone onrechtmatige daad. De gewone vereisten van de onrechtmatige daad maken een scherpere en meer gestructureerde discussie mogelijk. Waar de ernstig verwijt-maatstaf veranderlijk en algemeen is, kent de gewone onrechtmatige daad een verzameling cumulatieve en limitatieve vereisten, waarbij ieder vereiste voor dit gevalstype een concretere invulling kent. Voor de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder is geen omweg via de rechtspersoon nodig, maar staan de eigen verplichtingen en het eigen doen en laten van de bestuurder centraal. Ook is in artikel 6:162 BW een aantal drempels ingebouwd die voorkomen dat de eiser meer kan vorderen dan hem toekomt. Ik hoop dat de bespreking van de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad wegens een milieuovertreding van leidinggevenden in deze paragraaf illustreert dat de gewone vereisten van artikel 6:162 BW een gedetailleerd, praktisch en rechtvaardig kader kunnen opleveren voor de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.