Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.2.1:3.2.2.1 De bepaling van klachtgerechtigden
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.2.1
3.2.2.1 De bepaling van klachtgerechtigden
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946121:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1985, 115. Zie hierover uitgebreider: hoofdstuk 2, paragraaf 4.3.
HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4831, r.o. 3.1-3.2 en ECLI:NL:PHR:2009:BG4831, paragraaf 10-14.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 495.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 419.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 437.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 496.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de aanwijzing van klachtdelicten behoort ook de aanduiding van klachtgerechtigden van oudsher tot het materieelrechtelijke deel van de regeling van klachtdelicten. De aanwijzing van de klachtgerechtigde geschiedt primair in art. 64 Sr. Daarin is bepaald dat in het geval dat een misdrijf alleen op klacht wordt vervolgd, degene tegen wie het feit is begaan klachtgerechtigd is. Dit is sinds de invoering van klachtdelicten in de Nederlandse rechtspleging steeds het uitgangspunt geweest, al is dit pas op 1 april 1985 in de wet verankerd.1 In art. 161 Sv is dan ook ten onrechte vermeld dat eenieder die kennis draagt van een strafbaar feit bevoegd is daarvan ‘aangifte of klachte’ te doen. Dat is niet het geval. In de toelichting op het ontwerp van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is vermeld dat de bepaling die dient ter vervanging van het huidige art. 161 Sv zich zal beperken tot de aangifte, waardoor de onjuiste suggestie wordt weggenomen dat eenieder een klacht kan indienen.2
Het uitgangspunt dat het klachtrecht toekomt aan degene tegen wie het feit is begaan, leidt in de regel tot weinig onduidelijkheid in de rechtspleging. Meestal is eenvoudig vast te stellen wie als slachtoffer van bijvoorbeeld diefstal of smaad heeft te gelden en dus als klachtgerechtigde is aangewezen. Hiervoor is in paragraaf 2.1.3.1 – in het kader van de terminologie bij het aanwijzen van klachtdelicten – echter erop gewezen dat in een aantal gevallen bij het aanwijzen van strafbepalingen als klachtdelict tevens is voorzien in een nadere aanduiding van de klachtgerechtigden. Het is bij die klachtdelicten de vraag of dit simpelweg een nadere invulling van het in art. 64 Sr verwoorde algemene criterium betreft of dat sprake is van een afwijking daarvan.
Die vraag speelt allereerst bij art. 273 Sr waarin, in relatie tot de schending van bedrijfsgeheimen, is bepaald dat vervolging uitsluitend plaatsheeft op klacht van het bestuur van de onderneming. De indruk kan ontstaan dat slechts sprake is van een nadere invulling van het algemene criterium, maar dat is niet het geval. Een zuivere invulling van art. 64 Sr brengt immers met zich dat de onderneming waarvan bedrijfsgeheimen zijn geopenbaard, heeft te gelden als klachtgerechtigde en niet slechts het bestuur van die onderneming. Bovendien gaat de (beperkende) aanduiding van het bestuur als klachtgerechtigde niet op voor alle gevallen waarin een rechtspersoon klachtgerechtigd is. Dit is door de Hoge Raad in 2009 bevestigd in een zaak waarin een rechtspersoon het slachtoffer was van afdreiging. De verdachte verweerde zich met de stelling dat – analoog aan art. 273 Sr – slechts het bestuur van de onderneming een klachtrecht toekomt en dat een rechtsgeldige klacht ontbrak nu een ander namens de onderneming aangifte had gedaan en een klacht had ingediend. De Hoge Raad gaat hierin niet mee en verwijst naar de conclusie van de advocaat-generaal Jörg waarin is vermeld dat de bevoegde organen van de rechtspersoon en de door haar daartoe schriftelijk gevolmachtigde personen klachtgerechtigd zijn. De bijzondere eis die voortvloeit uit art. 273 Sr wordt in art. 318 Sr (en alle andere klachtdelicten) niet gesteld.3 Dit betekent dat rechtspersonen het slachtoffer kunnen zijn van verschillende klachtdelicten, waarbij in het geval van een overtreding van art. 273 Sr uitsluitend het bestuur van de onderneming een klachtrecht toekomt, terwijl die beperking niet opgaat in het geval de rechtspersoon het slachtoffer is van een ander klachtdelict. In dergelijke gevallen kan de rechtspersoon zich niet alleen door het bestuur, maar ook door andere personen laten vertegenwoordigen bij het doen van een klacht. Art. 273 Sr bevat dus een bijzondere beperking op het algemene criterium dat in art. 64 Sr is verwoord.
Daarnaast zijn in art. 270 en 271 Sr – die zien op smaad(schrift) en het verspreiden van beledigende geschriften ten aanzien van een overledene – bepaalde nabestaanden als klachtgerechtigden aangeduid. Ook hier is de vraag of dit heeft te gelden als een invulling van of uitzondering op het algemene criterium dat het klachtrecht toekomt aan degene jegens wie het feit is gepleegd. In de toelichting op het Wetboek van Strafrecht uit 1886 zijn deze artikelen – naast schaking – bestempeld als uitzondering op het uitgangspunt dat uitsluitend de persoon tegen wie het feit is gepleegd het klachtrecht toekomt.4 De toelichting is echter niet eenduidig op dit punt nu deze eveneens inhoudt dat de strafbaarstellingen zijn gerechtvaardigd vanwege de opzettelijke aanranding van levenden en dat deze niet draaien om het al dan niet waarheidsgetrouwe oordeel over de overledene.5 In het kader van de invoering van art. 64 Sr stelde minister van Justitie De Ruiter ten aanzien van deze strafbepalingen dat de in die artikelen als klachtgerechtigde aangewezen personen ‘moeten worden beschouwd als degenen tegen wie het feit is begaan.’ Zijns inziens is geen sprake van een vertegenwoordigingsbevoegdheid en betreft het primair klachtgerechtigden die direct benadeeld zijn.6 Ik kan mij daar goed in vinden. Met name nu deze strafbepalingen zijn ingevoerd ter voorkoming van de aanranding van de eer van levenden en daaruit volgt dat zijzelf het slachtoffer zijn van deze strafbare feiten. Het aanduiden van de kring van nabestaanden aan wie een klachtrecht toekomt, kan dan ook worden begrepen als een nadere invulling van art. 64 Sr.
Art. 281 lid 2 Sr schrijft voor dat in het geval van schaking geen vervolging plaatsvindt dan op klacht, waarna in het derde lid de klachtgerechtigden zijn aangewezen. Indien sprake is van een minderjarige geschaakte zijn de geschaakte en degene wiens toestemming zij voor een huwelijk behoeft klachtgerechtigd. In het geval de geschaakte meerderjarig is, komt haarzelf en haar echtgenoot een klachtrecht toe. Ook ten aanzien van schaking speelt zodoende de vraag of dit een nadere invulling betreft van het in art. 64 Sr neergelegde criterium of dat daarvan wordt afgeweken. Minister De Ruiter stelde dat ook bij schaking de in het artikel genoemde klachtgerechtigden hebben te gelden als de personen jegens wie het feit is gepleegd en dat geen sprake is van een afwijking van art. 64 Sr.7 Ook dit komt mij juist voor. Zo blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de strafbepaling niet uitsluitend dient ter bescherming van de minderjarige, maar ook dient ter bescherming van de familie-eer.8 In die wetsgeschiedenis is zelfs vermeld dat het misdrijf ‘in de eerste plaats tegen ouders en voogden gepleegd’ wordt.9 Dit maakt dat de vader wiens toestemming niet is gevraagd en de achtergebleven echtgenoot als slachtoffer hebben te gelden, omdat de eer van hun familie door de schaking is aangetast.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het uitgangspunt van art. 64 Sr – dat het klachtrecht toekomt aan degene tegen wie het feit is begaan – nagenoeg onverkort wordt gehandhaafd ten aanzien van alle klachtdelicten. Bij art. 270, 271 en 281 Sr vindt een nadere aanduiding plaats van de personen die moeten worden beschouwd als de personen jegens wie de feiten zijn gepleegd en dientengevolge klachtgerechtigd zijn. Uitsluitend bij de schending van bedrijfsgeheimen is sprake van een afwijking van de norm door het klachtrecht niet toe te kennen aan de onderneming wier geheimen zijn geopenbaard, maar uitsluitend aan het bestuur van die onderneming.