Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.2.4.5
3.2.4.5 Tussenconclusie
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS496222:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Dijk verdiepen advocaten zich regelmatig onvoldoende in de verschillende werkingsvormen van de redelijkheid en billijkheid (Dijk 2015).
Van Dunné 1971.
Niet in alle gevallen waarin in de huurwetartikelen de norm ‘redelijk’ of ‘billijk’ voorkomt, is sprake van een open norm. Zie bijvoorbeeld artikel 7:220 lid 3 BW, waarin is geregeld dat een renovatievoorstel redelijk wordt geacht indien minimaal 70% van de huurders wiens pand wordt gerenoveerd met het voorstel heeft ingestemd.
Deze situaties worden onder meer beschreven door Sieburgh (Asser/Sieburgh 6-III 2018/407).
De redelijkheid en billijkheid als overkoepelende open norm heeft drie verschillende uitwerkingen waar het om verbintenissen tussen partijen gaat: uitleg, aanvulling en beperking.1
De redelijkheid en billijkheid speelt een rol bij de uitleg van een overeenkomst, indien deze (deels) onduidelijk is. De rechter zal allereerst kijken naar de bedoeling van partijen, maar als dat geen oplossing biedt (bijvoorbeeld omdat de bedoeling niet bekend is of niet hetzelfde is bij de betrokken partijen), zal de voornoemde open norm worden ingezet om vast te stellen hoe de bedingen in de gesloten overeenkomst toegepast dienen te worden. We komen dan richting de ‘normatieve uitleg’ van Van Dunné (zie paragraaf 3.2.3).2
De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid is aan de orde wanneer zich een situatie voordoet waarin niet is voorzien in de overeenkomst tussen partijen of in de wet. Het kan leiden tot een niet eerder bestaande verbintenis en/of tot aanvulling van de rechtsgevolgen van een gesloten overeenkomst.
De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zal het minst aan de orde zijn, gelet op de terughoudendheid die rechters moeten betrachten bij toepassing ervan. Bij het hanteren van de beperkende werking wordt immers een overeengekomen of een wettelijke bepaling buiten werking gesteld. Dit is dusdanig strijdig met de rechtszekerheid (niet alleen het feit dat niet afgegaan kan worden op gemaakte afspraken dan wel de wettekst, maar ook het feit dat het instrument hier een open norm betreft), dat deze werking van de open norm terughoudend toegepast dient te worden, hetgeen in de wet is aangeduid met de term ‘onaanvaardbaar’.
Als intrinsieke huurrechtelijke open norm is de redelijkheid en billijkheid terug te vinden in artikel 7:269 BW. Zoals eerder aangegeven lijkt er geen verschil in de norm te zitten of het nu gaat om ‘de redelijkheid en billijkheid’ enerzijds of om de losstaande normen ‘redelijk(heid)’ of ‘billijk(heid)’ anderzijds. Door het codificeren van de intrinsieke huurrechtelijke normen, is het wel duidelijk dat in het geval van de desbetreffende artikelen getoetst moet worden of een bepaald aspect redelijk en/of billijk is.3 Hierop wordt nader ingegaan in het volgende hoofdstuk, dat gaat over de redelijkheid en billijkheid in het huurrecht.
Overigens kan zich ook de situatie voordoen dat verschillende aspecten van de redelijkheid en billijkheid samenvallen. Een meermaals in de literatuur gegeven voorbeeld betreft de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit kan gelijktijdig, wanneer een aanvullend verkregen recht voor een van beide partijen leidt tot een beperking van de rechten van de andere partij, of opvolgend, als de beperking van de rechten van een van beide partijen tot een leemte in een gesloten overeenkomst leidt en vervolgens aanvulling behoeft.4