Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.2.2
3.2.2 De liberale rechtsstaat
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460888:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Mill gaat het hierbij om de handelingsvrijheid oftewel de “burgerlijke of maatschappelijke vrijheid: de aard en de begrenzing van de macht die de samenleving rechtens kan uitoefenen over het individu” (Mill, p. 35).
“Een ieder heeft recht op een zo groot mogelijke vrijheid welke met die van anderen is te verenigen, met andere woorden, heeft recht op een gelijke vrijheid”, aldus Happé 1996, p. 10.
Schenk-Geers, p. 11, refereert aan Berlin die in dit verband spreekt over ‘negatieve vrijheid’.
Volgens Rousseau, p. 56, gaat het erom “een vorm van samenleven te vinden die met alle gemeenschappelijke kracht de persoon en de goederen van iedere deelgenoot verdedigt en beschermt, en waardoor ieder, in vereniging met allen, toch slechts aan zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als tevoren”. Een maatschappelijk verdrag (‘contrat social’) moet hiervoor de oplossing bieden.
Happé 1996, p. 11.
Ook wel wetmatigheidsbeginsel genoemd (zie Van Wijk/Konijnenbelt, p. 34 e.v.).
Franken e.a., p. 105 e.v..
Zie Schenk-Geers, p. 14. Zij verwijst naar Foqué die Hobbes, Bentham en Austin ziet als pure positivisten.
Niessen 2010, p. 50.
Dworkin, p. 17.
Rechtsbescherming is derhalve mede door hun toedoen geworden tot een belangrijk thema in de ontwikkeling van de liberale rechtsstaat. De vrijheid van burgers moest door middel van een stelsel van waarborgen worden beschermd tegen de overheid.1 Aan de overheid moest slechts zoveel macht worden overgedragen als voor het uitvoeren van een beperkt aantal opgedragen taken nodig was.2 Deze gewijzigde verhouding tussen burger en overheid vloeit voort uit een vernieuwd mensbeeld: de mens is een vrij en zelfstandig individu. De mate van vrijheid van de vrije en zelfstandige mens was in beginsel onbeperkt en werd slechts begrensd door de eventuele schade aan de vrijheid van de andere mens.3,4 Dit zogeheten ‘schadebeginsel’ houdt volgens Mill in dat “the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others”.
Het recht binnen de liberale rechtsstaat
Het hiervoor beschreven vrijheidsideaal moet derhalve zoveel mogelijk door de overheid worden gerespecteerd. Inbreuken op de individuele vrijheid moeten gerechtvaardigd kunnen worden en gebaseerd zijn op wetten (het zogeheten legaliteitsbeginsel). Kant omschreef het als volgt: “Eine Verfassung von der grössten menschlichen Freiheit nach Gesetzen, welche machen, dass jedes Freiheit mit der anderen ihrer zusammen bestehen kann, ist [...] eine notwendige Idee”.5 De staat had als ‘sole purpose’ de vrijheid en veiligheid van burgers te garanderen. Hierbij kon gebruik worden gemaakt van sancties indien gebleken was dat wetten niet werden nageleefd.
Het legaliteitsbeginsel6 vergrootte derhalve de voorspelbaarheid van het staatshandelen en zorgde voor rechtszekerheid voor de burger. Daarmee zijn het legaliteitsbeginsel en het daarmee samenhangende vrijheidsbegrip de twee belangrijkste elementen van de ontwikkeling van de liberale rechtsstaat. De bron van het recht is de wet en niets anders dan de wet. Wet = recht.
Overigens werd de voorgaande visie op de functie van de wet mede ondersteund door wat ook wel met de leer van de scheiding der machten wordt aangeduid (door sommigen omschreven als de Trias Politica). Montesquieu, die vaak in verband wordt gebracht met deze leer, onderscheidde een wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht. Uitgangspunt van deze triasleer was volgens sommigen dat door het scheiden van machten werd voorkomen dat te veel macht door een staatsorganisatie kon worden uitgeoefend. In de visie van Montesquieu kwam daarbij aan de wetgevende macht in hiërarchische zin de hoogste bevoegdheid toe, namelijk die van het bindend vaststellen van algemene rechtsregels. De rechter was volgens Montesquieu slechts ‘la bouche de la loi’, de spreekbuis (letterlijk: mond) van de wet. De uitvoerende macht was eveneens gebonden aan de wet. Zij voert de wetten slechts uit.7
Visie op recht: Rechtspositivisme
De hiervoor beschreven visie op recht in de liberale rechtsstaat wordt ook wel geduid als ‘rechtspositivisme’. Een rechtspositivist ziet het recht als een gesloten systeem, in die zin dat het ‘de gelding van een rechtsnorm uitsluitend terugvoert tot een andere bevoegdheid verlenende rechtsnorm’.8 Volgens de rechtspositivist ontstaat zo een scherp en formeel onderscheid tussen wat recht is en wat niet. Ethische normen liggen in de visie van de rechtspositivist niet ten grondslag aan het rechtstelsel, dat volgens de regels van de logica wordt geconstrueerd.9 Aan de wijze waarop ze tot stand komen, maakt hij het onderscheid tussen rechtsnormen en andere normen. Naar de mening van Dworkin zal volgens de rechtspositivist, in geval van een geschil waarvoor het geldend recht geen oplossing aandraagt, de rechter moeten beslissen aan de hand van niet-juridische criteria.10 Het is derhalve niet zo dat binnen het rechtspositivisme geen betekenis toekomt aan beginselen. Politieke of ethische uitgangspunten kunnen wel degelijk een richtsnoer zijn voor rechtsvormende organen en daarmee invloed uitoefenen op het positieve recht. Een politiek of ethisch beginsel is voor de rechtspositivist echter geen rechtsbeginsel.