Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/17.2.4.2:17.2.4.2 Conclusie Berger is juist
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/17.2.4.2
17.2.4.2 Conclusie Berger is juist
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS481181:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Berger 1992B, p. 610.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De conclusie van Berger dat de splitsing van een erf de overige mede-eigenaren niet regardeert komt mij dan, in beginsel, juist voor. In de woorden van Berger:
‘Vervreemder en verkrijger hebben nu samen (ieder voor de onverdeelde helft) de rechten en verplichtingen die tevoren alleen bij de vervreemder berustten. Zij kunnen, met inachtneming van een eventueel bestaande regeling van de gezamenlijke eigenaren, onderling uitmaken hoe de aan het erf verbonden rechten en verplichtingen worden verdeeld, zij het dat beiden tegenover hun mede-eigenaren aansprakelijk blijven voor de mandelige plichten.’1
Aanleunend tegen de tekst van art. 5:76 lid 1 zou gezegd kunnen worden:
‘Wanneer een erf wordt verdeeld, blijft de mandeligheid ten behoeve van ieder gedeelte bestaan.’
Vraagtekens kunnen gezet worden bij de zinsnede ‘ieder voor de onverdeelde helft’. Voorts zou de vraag gesteld kunnen worden of verzwaring van de ‘last’ op de mandelige zaak is toegestaan (zie de uitzondering genoemd in art. 737 BW (oud). Zelf zou ik er voor voelen verzwaring niet toe te staan, tenzij in de akte houdende de bestemmingsovereenkomst anders is overeengekomen.
Het lijkt mij overigens gewenst dat aan deze toestand, na lichamelijke verdeling, een einde moet kunnen komen in dier voege dat de eigenaren van de na splitsing ontstane erven ieder een eigen onverdeeld aandeel in de mandelige zaak verkrijgen dan wel een hunner het gehele onverdeelde aandeel.
Hoe valt een en ander te realiseren?