Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.2.b
VII.5.2.b De relatieve competentie
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382188:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De terminologie is gewijzigd ingevolge de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 582 (Wet organisatie bestuur en gerechten), in werking getreden op 1 januari 2002. Overigens moet de voorzieningenrechter tijdens de zitting wél worden aangesproken met 'president in kort geding', zie art. 11.7 Landelijk Procesreglement Kort gedingen.
Zie over de rechterlijke bevoegdheid § VI.3.1.
Zie voor de bevoegdheid van de rechter binnen wiens rechtsgebied de voorlopige voorziening moet worden getroffen: HR 23 november 1917, NJ 1918, p. 6; W 10202.
Zo voerde gedaagde aandeelhouder Booij bij de voorzieningrechter van de Rechtbank Utrecht het verweer dat de voorzieningrechter te Dordrecht bevoegd was, omdat hij in dat arrondissement woonde. Eiseres Pito had blijkbaar bij de specifieke regeling willen aanknopen, nu de vennootschap waarin de aandelen werden gehouden gevestigd was te Oudewater (arrondissement Utrecht). De Utrechtse rechter verklaarde zich inderdaad bevoegd en in hoger beroep stelde het Hof dat de incidentele grief in verband met art. 110 lid 3 Rv niet slaagt. Zie Hof Amsterdam 11 maart 2004, JOR 2004/190 (Pito/Booij), ro. 4.4-4.5 en noot Bulten sub 2.
Sinds 1 januari 2002 is de terminologie voor de bevoegde rechter gewijzigd 1 Het is niet langer de president van de rechtbank die in kort geding zetelt, maar de voorzieningenrechter. Dit is een aangewezen enkelvoudige kamer van de rechtbank, of, in hoger beroep, het hof.
In art. 2:336 lid 3 BW staan voor de geschillenregeling twee bijzondere bevoegdheidsregels. In eerste aanleg is niet de rechter van de woonplaats van de gedaagde aandeelhouder bevoegd, maar de rechter van de woonplaats van de vennootschap.2 In hoger beroep moet men naar de OK en derhalve niet naar het 'gewone' hof. Deze afwijkende competentieregels gelden niet voor het kort geding. De relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter is niet apart in de wet geregeld. De gewone regels zijn van toepassing. Een eiser heeft een keuze: óf hij volgt de regeling van de relatieve bevoegdheid die geldt voor dagvaardingsprocedures (art. 99-110 Rv), óf hij kiest voor de rechter ter plaatse waar de gevraagde voorziening moet worden uitgevoerd.3 Dit laatste biedt de kans aan te knopen bij de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap, de op grond van art. 2:336 lid 3 BW bevoegde rechter. De gedaagde aandeelhouder kan de competentie van de voorzieningenrechter betwisten en stellen dat hij in het arrondissement waar hij woont gedagvaard moet worden. Indien de voorzieningenrechter zich echter bevoegd verklaart, dan rest de gedaagde aandeelhouder berusting. Art. 110 lid 3 Rv bepaalt dat geen hogere voorziening is toegelaten tegen de bevoegdverklaring.4 In hoger beroep is het 'gewone' gerechtshof bevoegd, en niet de OK.