Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.3.3
5.3.3 Art. 10b Wet VPB 1969
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305617:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 6 (Verslag), p. 281.
Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 17 (Nota), p. 56. Hierbij zij aangetekend dat BNB 2001/161c* pas na de introductie van de IB 2001 is gewezen. Tijdens de parlementaire behandeling van de IB 2001 was de wetgever daarom niet alleen bevreesd dat de waarde van het conversierecht ten tijde van de uitgifte van de obligatie in aftrek zou kunnen komen op de winst. Dezelfde angst bestond ten aanzien van de waardemutaties van het conversierecht. Kamerstukken II 1999-2000, 26 728, nr. 27 (derde NvW), p. 17.
In het wetsvoorstel IB 2001 was aanvankelijk geen bepaling in de vennootschapsbelasting opgenomen met betrekking tot converteerbare obligaties en warrantleningen. Dat leidde tot de vraag vanuit de Tweede Kamer of de jurisprudentie waarin was beslist dat de waarde van het conversierecht voor de vennootschapsbelasting niet in aftrek kwam, zijn belang zou verliezen.1 Op grond van de Wet IB 2001 wordt de particuliere houder van een converteerbare obligatie immers in de inkomstenbelasting betrokken op grond van een forfaitair rendement van 4% van de waarde van zijn obligatie. De staatssecretaris meende dat het inderdaad denkbaar was dat de Hoge Raad tot de conclusie zou komen dat het conversierecht op forfaitaire wijze in de heffing wordt betrokken. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de vennootschap de kosten die samenhangen met het conversierecht, wel ten laste van het resultaat kan brengen.2 Dit mogelijke gevolg wenste de wetgever niet te accepteren. Daarom werd een wettelijke regeling voor converteerbare obligaties en warrantleningen opgenomen in art. 10b Wet VPB 1969.
De regeling beoogde te voorkomen dat de uitgever van een converteerbare obligatie de waarde van het conversierecht van zijn winst kon aftrekken. In art. 10b, lid 1, Wet VPB 1969 werd daarom bepaald dat slechts bedragen in aftrek kwamen die waren overeengekomen als periodieke rente, anders dan in de vorm van aandelen of een recht om aandelen te verwerven in het kapitaal van de belastingplichtige of met hem verbonden lichamen. De jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van de converteerbare obligaties werd hiermee gecodificeerd. Voor de LIONS hield art. 10b Wet VPB 1969 echter een koerswijziging in. Een vergoeding van rente in de vorm van aandelen in de debiteur of een met hem verbonden vennootschap was niet langer aftrekbaar.
Ten aanzien van de warrantleningen werd de praktijk van voor 2001 gecontinueerd. Art. 10b, lid 3, Wet VPB 1969 bepaalde dat de waarde van de warrants op het tijdstip waarop de lening was aangegaan in aftrek kwam naast de periodieke rente. Het verschil in behandeling dat zich in dit opzicht voor 2001 voordeed tussen de converteerbare obligatie en de warrantlening bleef dus bestaan.