De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.7.3.1:17.7.3.1 Art. 1 EP
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.7.3.1
17.7.3.1 Art. 1 EP
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367344:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer is een inmenging in het eigendomsrecht van de aandeelhouder. Dat deze inmenging is voorzien bij wet en het algemeen belang dient, is reeds uiteengezet in hoofdstuk 5. Blijft over de vraag of deze inmenging proportioneel is en de daarmee samenhangende vraag of sprake is van een ontneming of een onteigening.
De enkele overdracht aan de tijdelijke beheerder kwalificeert mijns inziens als regulering van eigendom.1 Ten eerste bestaat het verschil tussen de situatie vóór de aandelenoverdracht ten titel van beheer en de situatie erna er niet uit dat de oorspronkelijke aandeelhouder zijn bundel van rechten – wat een aandeel in essentie is2 – (nagenoeg) geheel verloren heeft, maar dat deze zijn gewijzigd. De omstandigheid dat deze rechten (grotendeels) niet meer bestaan jegens de vennootschap, maar jegens de tijdelijke beheerder, doet mij daarover niet anders denken, gezien de weinig formalistische benadering van het EHRM.3 De tweede reden waarom de enkele tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer mijns inziens als regulering kwalificeert, is dat het feit dat iemand van aandeelhouder tot certificaathouder verwordt niet tot gevolg heeft dat zijn rechten vis-à-vis de vennootschap dusdanig uitgehold worden dat deze zo goed als waardeloos geworden zouden zijn. Er is dus geen sprake van een de facto ontneming.
Voor de proportionaliteit van een regulering is niet vereist dat de aandeelhouder wordt gecompenseerd. Niettemin zal bij een beroep op art. 1 EP moeten worden beoordeeld of de getroffen aandeelhouder niet op disproportionele wijze opdraait voor het bereiken van het doel dat met de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening wordt nagestreefd.4 Daarnaast geldt dat in voorkomende gevallen wel degelijk sprake kan zijn van een ontneming. Of dat zo is, hangt in belangrijke mate af van de tertiaire gevolgen van de desbetreffende (onmiddellijke) voorziening, dus van de wijze waarop de tijdelijke beheerder gebruik maakt van de aan de aandelen verbonden bevoegdheden. Als de tijdelijke beheerder de aandelen overdraagt aan een derde5 of de vennootschap splitst en één van de aandeelhouders blijft (feitelijk) enkel met contanten achter,6 kan sprake van een onteigening.7 Voor de proportionaliteit van een dergelijke onteigening is in beginsel vereist dat de getroffen aandeelhouder wordt gecompenseerd.8