Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.1.4
4.1.4 Begin van de 21e eeuw: standaardisering en beteugeling rechtsgevolgen
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616705:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu.
Kort nadien werden in HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2011:AA9372, NJ 2001/307 m.nt. De Hullu, vergelijkbare uitgangspunten en regels geformuleerd betreffende ontnemingszaken.
‘Bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding’, aldus de HR onder 3.5.
In zijn noot bij dit arrest schrijft De Hullu hierover: ‘Dit, wellicht door Straatsburgse rechtspraak geïnspireerde type compensatie past echter minder goed in het strafproces waarin het OM een verdachte vervolgt dan in een procedure waarin een burger de Staat beschuldigt. Het komt mij in zulke gevallen waarachtiger voor om te zeggen dat sanctievermindering in redelijk niet nodig of mogelijk is.’
De Hullu wijst erop dat de vraag of en in hoeverre een bepaalde verdachte daadwerkelijk heeft geleden onder de dreigende strafvervolging naar de achtergrond verschuift.
In zijn overzichtsarrest van oktober 20001 formuleerde de Hoge Raad de uitgangspunten en regels waarop zijn rechtspraak betreffende overschrijding van de redelijke termijn in gewone strafzaken2 destijds was gebaseerd. Hij overwoog daarvoor aanleiding te zien in de onduidelijkheid die in de praktijk bestond over de vraag wanneer sprake is van een schending van de redelijke termijn en welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden. Ook ging hij nader in op de strekking van dit door art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR gewaarborgde recht. Naast de bescherming van de verdachte tegen het langer dan redelijk moeten leven onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging, nopen ook andere factoren tot een voortvarende afhandeling van strafzaken. De Hoge Raad noemt in dat verband de preventieve werking van berechting en bestraffing, maar ook de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit, en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van bijvoorbeeld getuigen.
Het overzichtsarrest bood een gedetailleerd beoordelingskader dat veel houvast gaf aan de feitenrechter. Voor de verschillende fasen van het strafproces werd aangegeven wanneer in beginsel sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn. Wat betreft het rechtsgevolg van termijnoverschrijding werd eens te meer benadrukt dat niet-ontvankelijkverklaring alleen in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt.3 Wanneer de feitenrechter dit rechtsgevolg toepast, gelden daarvoor, juist vanwege dit uitzonderlijke karakter, zware motiveringseisen, hetgeen een nauwsluitende controle door de Hoge Raad mogelijk maakt. Regel is compensatie door strafvermindering, zij het dat de Hoge Raad in marginale gevallen zelf met constatering van de schending volstaat.4 Ook werd het belang van het voeren van verweer in feitelijke aanleg benadrukt.
In zijn noot onder dit arrest schreef De Hullu dat wanneer de rechtspraak min of meer is uitgekristalliseerd een door de hoogste rechter ‘geautoriseerd’ en stelselmatig overzicht daarvan bijzonder welkom is. Dat bevordert de rechtseenheid en stimuleert in alle fasen van het geding een goed en tegelijkertijd efficiënt debat tussen de procespartijen. De standaardisering (door gefixeerde deeltermijnen en tarieven voor strafvermindering in cassatie) leidt tot een zekere abstrahering en objectivering van de ratio van het redelijke termijnvereiste,5 maar die stap achtte De Hullu praktisch en realistisch. Ook vestigde hij de aandacht erop dat door de Hoge Raad (die cursiveerde dat het om zijn huidige rechtspraak over dit onderwerp ging) niet naar eeuwigheidswaarde is gestreefd en dat dit inherent is aan het onderwerp en aan de rechterlijke normering daarvan. Door de openheid die door de Hoge Raad is betracht wordt, aldus De Hullu, de discussie over de wijze waarop invulling is gegeven aan die rechterlijke normering gestimuleerd.