Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.5.4
7.5.4 Gevolgschade: niet-nakoming van overeengekomen verplichting
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583949:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Xynopoulou 2013, p. 170: “Der Vertragszweck ergibt sich nicht durch die Zusammensetzung der einzelnen subjektiven Zwecke der Parteien. Vertragszweck ist vielmehr der durch beide Parteien vereinbarte und zum Gegenstand des Vertrags gemachte Zweck, der auch in dem Zweck des einen Vertragsteils bestehen kann, der jedoch durch den anderen anerkannt und übernommen worden ist. Dann nimmt er einen objektiven Charakter an.”
Zie hierover ook Lankhorst 1992b, p. 95, 96.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 190 (T.M.).
Vgl. Kramer 2008, p. 277. “[T]he application of the test of contractual remoteness [i.e. schadetoerekening] is really a determination (through the usual process of contextual interpretation) of the scope of the responsibility impliedly undertaken by the promisor, (…) no other explanation makes sense of the law either descriptively or as a justification.”
Zie over dit gedachtegoed § 2.2.2. In nr. 423 bespreek ik nader dat ook in andere rechtsstelsels dit gedachtegoed wordt gebruikt om het beschermingsbereik van contractuele normen te bepalen.
Hof Arnhem 1 maart 2011, NJF 2011/188 (J./Executive Home Rentals).
Zie over de toerekenbaarheid van andere schadeposten nader nr. 466.
Vgl. Kramer 2017, p. 304 “[T]he reasonable contemplation test will sometimes give the wrong answer, and questions of remoteness will ultimately be determined by other factors than reasonable contemplation (…) In other words, the parties will sometimes assume responsibility for losses that are unlikely to occur, or not assume responsibility for losses that are likely (or not unlikely) to occur.”
OLG Frankfurt, BeckRS 2011, 14474.
Dat geen aansprakelijkheid bestaat voor schade waartegen met de contractuele norm niet beoogd is te beschermen, werk ik nader uit in § 8.5.
Rb. Den Haag 25 april 2012, NJF 2012/260.
Hof 's-Hertogenbosch 14 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:21 (Gispro).
Vgl. analoog het door Valk geconstateerde verschijnsel van ‘dynamische uitleg’ waarbij door ontwikkelingen na totstandkoming van de overeenkomst de aan de overeenkomst te geven uitleg verandert, zie Schelhaas & Valk 2016, p. 28 e.v.
Bepaling welke gevolgschade beoogd wordt te voorkomen
370. Het beschermingsdoel van een overeengekomen verplichting, laat zich, evenals de inhoud ervan, bepalen door de uitleg van de overeenkomst waarbij de gemeenschappelijke bedoeling van contractspartijen een centrale rol speelt.
Ter bepaling van het doel van een overeengekomen verplichting is, enerzijds, nodig te beschouwen welke voordelen de schuldeiser met de prestatie beoogde te verkrijgen en/of welke nadelen de schuldeiser met de prestatie beoogde te vermijden. Wanneer de schuldeiser immers niet voornemens was de prestatie te gebruiken ter verkrijging van bepaalde voordelen of ter vermijding van bepaalde nadelen, valt niet in te zien waarom dat wel het doel van de verplichting zou zijn. Het vaststellen van de enkele subjectieve bedoeling van de schuldeiser is voor de bepaling van het doel van de verplichting echter niet voldoende. Ook van belang is, anderzijds, of en in welke mate deze bedoeling bij de schuldenaar bekend was dan wel redelijkerwijze bekend had dienen te zijn. Net zoals bij de bepaling van de inhoud van een verplichting uit overeenkomst de bedoelingen en uitingen van partijen op elkaar betrokken dienen te worden, dient bij de bepaling van het doel van de verplichting het perspectief van de schuldeiser en het perspectief van de schuldenaar in samenhang in aanmerking genomen te worden.1 Aan de hand van het voorgaande kan de Haviltex-maatstaf worden toegespitst op de bepaling van het doel van een overeengekomen verplichting. Een werkbare maatstaf is mijns inziens dat het bij de bepaling van dat doel aankomt op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hebben begrepen en mochten begrijpen over de voordelen die de schuldeiser met de prestatie beoogde te verkrijgen en/of de nadelen die de schuldeiser met de prestatie beoogde te vermijden.
Op vergelijkbare wijze diende volgens het driemanschap, blijkens zijn toelichting bij wat tegenwoordig art. 3:40 BW is, de strekking van een rechtshandeling bepaald te worden:2 “De strekking ener rechtshandeling wordt bepaald door de ook voor anderen te voorziene gevolgen en kenbare motieven der rechtshandeling. (…) Bij een overeenkomst moeten de gevolgen aan beide partijen kenbaar zijn; het motief moet dat van beide partijen zijn of het motief van de ene partij moet om als strekking der overeenkomst te kunnen gelden, tenminste ook de wederpartij duidelijk kenbaar zijn. (…) De reden, waarom men de strekking der rechtshandeling niet in zuiver subjectieve zin mag opvatten, is dezelfde als waarom men bij de uitlegging van het door partijen verklaarde moet rekening houden met wat de wederpartij als bedoeld mocht aannemen.”3
Op deze manier wordt voor de toetsing van het vereiste normatieve verband en daarmee voor de toerekening van de door een wanprestatie veroorzaakte schade van belang hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst konden voorzien.4 Op deze manier keert het gedachtegoed van Pothier terug in het kader van de door de geschonden norm beoogde bescherming en daarmee ook bij de schadetoerekening.5
371. Dat de vaststelling van het doel van een overeengekomen verplichting op deze wijze een rationeel en concreet hulpmiddel biedt bij het toetsen of een toereikend normatief verband bestaat tussen een wanprestatie en de daardoor veroorzaakte schade, laat zich door de volgende zaak illustreren.
Een expat verhuurt via een professioneel bemiddelingsbureau zijn woning in Nederland. Anders dan overeengekomen, voert het bemiddelingsbureau geen deugdelijk onderzoek uit naar de financiële positie en geschiedenis van een aspiranthuurder. Nadat de woning aan deze aspiranthuurder is verhuurd, vestigt deze een wietplantage in de woning die grote schade aan de woning toebrengt. Wanneer de expat schadevergoeding van het bemiddelingsbureau vordert, komt vast te staan dat wanneer wel een deugdelijk onderzoek zou zijn uitgevoerd, aan het licht zou zijn gekomen dat de huurder slechts een WAO-uitkering genoot die ruim onvoldoende was om de huur te betalen en daarnaast reeds lange tijd aanzienlijke schulden had. Het causale verband tussen de tekortkoming van het bureau en de schade was daarmee gegeven: op grond van deze gegevens zou de woning niet aan deze persoon zijn verhuurd.
Stond de schade, die in wezen veroorzaakt was door (kompanen van) de huurder, in voldoende normatief verband met de fout van het bemiddelingsbureau? Gerechtshof Arnhem6 oordeelde dat deze schade kon worden toegerekend op de grond dat, geparafraseerd, het risico dat een huurder een wietplantage in een woning zou vestigen een bekend en serieus risico was en hierom het beschermingsdoel van de overeengekomen onderzoeksverplichting van het bemiddelingsbureau redelijkerwijs zodanig begrepen dient te worden dat ook beoogd werd te beschermen tegen de verwezenlijking van dat risico. Het hof legde aldus eerst de overeenkomst uit om het doel van de verplichting tot het doen van het onderzoek vast te stellen. Vervolgens gebruikte het hof dat doel om de toerekening van veroorzaakte schade te funderen.7
De rol van voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van de schade
372. Bij de vaststelling van het doel van de overeengekomen verplichting volgens dit criterium, gaat het ook, maar niet uitsluitend, om de waarschijnlijkheid van schade van de schuldeiser bij het uitblijven van de normconforme prestatie van de schuldenaar.8 Enerzijds kan het doel van de norm klaarblijkelijk zijn ook tegen zeer onwaarschijnlijke schade te beschermen.
Een verzekeringsmakelaar krijgt de opdracht een verzekering af te sluiten die dekking biedt in het geval van brand aan een recent gebouwde woning. Indien de verzekeringsmakelaar dat nalaat, is de kans dat hierdoor schade ontstaat, enigszins afhankelijk van de omstandigheden van het geval, gering tot zeer gering. Ondanks deze geringe kans is helder dat met de verplichting juist beoogd is te bewerkstelligen dat degene die de opdracht heeft gegeven in het geval van brand de daardoor veroorzaakte schade op grond van de verzekeringsovereenkomst vergoed krijgt.
Anderzijds kan zelfs een behoorlijke mate van waarschijnlijkheid van bepaalde schade onvoldoende zijn om te concluderen dat met de verplichting beoogd is tegen die schade te beschermen, omdat met de verplichting beoogd werd een ander doel te dienen.
A huurde voor zijn huwelijksfeest een zaal voor 600 gasten. Twee dagen voordat het huwelijk zou plaatsvinden liet de verhuurder weten dat, anders dan overeengekomen, de zaal slechts berekend was op 400 personen. A had te weinig tijd om nog een andere gelegenheid te vinden, en zegde 200 van zijn gasten af. Na het huwelijk berekende A dat elke gast hem door de gegeven huwelijkscadeaus netto € 40 heeft opgeleverd. A vorderde 200 maal € 40 van de verhuurder. Deze vordering werd door Oberlandesgericht Frankfurt am Main afgewezen op de grond dat, samengevat, een huwelijksfeest niet tot doel heeft geld te verdienen aan de cadeaus van de gasten en de geschonden norm hierom niet tegen de schade zoals geleden beoogde te beschermen.9 De schade van A was op zichzelf wel als gevolg van de wanprestatie van B voorzienbaar. Legt men echter de verplichting om de zaal ter beschikking te stellen zodanig uit dat daarmee slechts een doel in de immateriële sfeer is gediend, dan volgt niet uit de verplichting dat de schade vergoed dient te worden.10 Overigens zou men het doel van de verplichting mijns inziens ook ruimer kunnen uitleggen, en in het bijzonder kunnen laten afhangen van mededelingen van de schuldeiser op dit punt en/of hoe men in het desbetreffende land of regio aankijkt tegen een huwelijksfeest en daarbij te geven cadeaus.
Als uitgangspunt kan wel dienen dat indien ten tijde van het aangaan van de overeenkomst behoorlijk waarschijnlijk is dat in het geval van wanprestatie bepaalde schade door de schuldeiser zal worden geleden, niet snel kan worden aangenomen dat niet beoogd is tegen die schade te beschermen: behoudens bijzondere omstandigheden valt immers niet in te zien waarom de schuldenaar zou mogen begrijpen dat niet bepaalde voorzienbare schade beoogd werd te voorkomen. Dat is dus ook wat in een motivering dient te worden uitgelegd, indien geoordeeld wordt dat de door de wanprestatie veroorzaakte schade niet in een toereikend normatief verband met die wanprestatie staat.
Een illustratie van een verplichting waarmee primair immateriële voordelen werden beoogd, maar de materiële voordelen zodanig voorzienbaar en wezenlijk waren dat ook het verkrijgen daarvan onder het doel van de norm werd geschaard, biedt de volgende zaak. Een illegale vreemdeling wendt zich tot het Haagse ‘Buro voor Rechtshulp’ om een verblijfsvergunning te verkrijgen onder de regeling Tijdelijke Regeling Witte Illegalen. Deze aanvraag moest worden ingediend in de periode van 1 oktober 1999 tot 1 december 1999. Het Buro laat na tijdig een vergunningsaanvraag te doen. Op grond van tekortschieten in de nakoming vordert de illegale vreemdeling onder meer inkomensschade van het Buro. Na vaststelling van het tekortschieten komt in de schadestaatprocedure de vraag aan de orde of, aangenomen dat de illegale vreemdeling een verblijfsvergunning zou hebben verkregen indien deze tijdig was aangevraagd, de inkomensschade kan worden toegerekend. Rechtbank Den Haag kende, mede gelet op de eigen schuld van de vreemdeling, inkomensschade toe ten belope van één jaar minimumloon.11 De rechtbank verwierp hiermee het – mede op het arrest Iraanse vluchtelinge12 geïnspireerde – verweer van het Buro dat deze verplichting gericht was op het mogelijk maken van legaal verblijf en niet op voordelen in de vermogenssfeer. Het ligt hier, anders dan in de hiervoor besproken huwelijkscasus, niet voor de hand dat het Buro de opdracht zodanig mocht begrijpen dat het de illegale vreemdeling in wezen uitsluitend te doen was om de immateriële voordelen van zo’n verblijfsvergunning.
Net als bij de bepaling van de inhoud van een overeengekomen verplichting, komt het bij de bepaling van het doel van een overeengekomen verplichting steeds aan op de omstandigheden van het geval. De voorzienbaarheid van schade die in dit verband een rol speelt, is de voorzienbaarheid van schade in abstracto en vooraf; niet ter zake doet of de schade zoals geleden voorzienbaar is of was.
Het moment waarnaar het doel wordt uitgelegd
373. Net zoals voor de bepaling van de inhoud van een verplichting uit overeenkomst de overeenkomst wordt uitgelegd naar het moment waarop deze werd gesloten, wordt ook het doel van zo’n verplichting bepaald naar dat moment. Mogelijk is echter dat het doel van een verplichting op een later moment voor de schuldenaar duidelijk wordt, bijvoorbeeld door het mededelen van dit doel door de schuldeiser bij de ingebrekestelling van de schuldenaar.
Aan een projectontwikkelaar werd door een tankstationhouder ‘een perceel bouwterrein’ verkocht. De tankstationhouder leverde niet tijdig. De projectontwikkelaar, die het perceel had doorverkocht, kon hierdoor ook niet tijdig leveren en werd daarom een boete verschuldigd aan zijn koper. Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat als de tankstationhouder niet wist van de doorverkoop van de grond en niet wist dat een (hoge) boete verbeurd zou worden in het geval van niet-tijdige levering, deze schade, hoewel duidelijk het gevolg van de tekortkoming, niet kan worden toegerekend.13 Stel nu dat de projectontwikkelaar de tankstationhouder bij ingebrekestelling ervan op de hoogte zou brengen dat het perceel is doorverkocht en dat bij niet-tijdige levering een boete verbeurd wordt. Mijns inziens wordt het doel van de verplichting door die mededeling geconcretiseerd zodat de verplichting ook beoogt te voorkomen het door de projectontwikkelaar verbeuren van de boete.
Enerzijds is het mogelijk dat door de informatie die de schuldenaar verkrijgt na het sluiten van de overeenkomst, maar nog voor het door hem presteren, wordt verduidelijkt welke voordelen de schuldeiser met de prestatie beoogt te verkrijgen en/of welke nadelen de schuldeiser met de prestatie beoogt te vermijden. Sprake is dan van een concretisering of nadere precisering van dit doel. Indien de concretisering van het doel heeft plaatsgevonden voordat de schuldenaar diende te presteren, dan is mijns inziens in beginsel het geconcretiseerde doel van de verplichting bepalend voor de reikwijdte van de aansprakelijkheid van de schuldenaar.14 Anderzijds is het mogelijk dat de schuldenaar na het sluiten van de overeenkomst, maar nog voor het door hem presteren, ermee wordt geconfronteerd dat de prestatie waartoe hij zich heeft verbonden, de belangen van de schuldeiser op geheel andere wijze dient, en de overeengekomen verplichting daarom geheel andere risico’s meebrengt, dan hij aanvankelijk veronderstelde en redelijkerwijze mocht veronderstellen. Geen sprake is dan van een concretisering van het aanvankelijk meer in abstracto gegeven doel van de verplichting; sprake is dan van een mismatch. Het kan mijns inziens dan onredelijk zijn om bij de vaststelling van het doel van de verplichting met deze latere informatie rekening te houden. De schuldenaar heeft zich immers tot iets anders verbonden. Dit klemt met name waar de schuldeiser veel grotere belangen heeft bij het door de schuldenaar presteren dan waarmee de schuldenaar ten tijde van het sluiten van de overeenkomst mee rekening kon en diende te houden.
De volgende, tentatieve en mogelijk nog te verfijnen toets kan mijns inziens worden gebruikt om te bepalen of het doel van een verplichting zich door later door de schuldenaar verkregen informatie concretiseert dan wel sprake is van een mismatch. Indien zich laat vaststellen dat de verplichting de belangen van de schuldeiser op een andere wijze dient dan de schuldenaar bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te weten, en de schuldenaar de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien hij hiermee bekend zou zijn geweest, kan mijns inziens de werkelijke wijze waarop de verplichting het belang van de schuldeiser dient in beginsel niet het doel van de verplichting bepalen. Wanneer – andersom – de overeenkomst evengoed en op in wezen dezelfde voorwaarden tot stand zou zijn gekomen en de schuldenaar ook overigens niet relevant anders zou hebben gehandeld (bijvoorbeeld een verzekering zou hebben afgesloten) indien de schuldenaar had geweten op welke wijze de verplichting de belangen van de schuldeiser dient, dan acht ik in beginsel mogelijk dat de werkelijke wijze waarop de verplichting het belang van de schuldeiser dient, het doel van de verplichting bepaalt.