Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.5.3
3.5.3 Enkele suggesties uit de literatuur om de onvrede weg te nemen
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644908:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten stelde overigens dat, nu het Ontwerp BW wel de mogelijkheid overwoog om een eigendomsvoorbehoud toe te kennen op bestanddelen van een zaak, deze mogelijkheid ook voor roerende zaken moest worden geboden. Nu dit niet het geval was, schreef hij daarover: “In het systeem van het ontwerp lijkt mij dit een inconsequentie.”
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 522.
Suijling V (1940), p. 64; Zie hierover ook: Pitlo (1982), p. 16.
Hijmans van den Bergh, AA/1954, p. 113, noot Schaap-Stafmateriaal.
Gerbrandy, DNV II (1957-1958), p. 23; Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 186.
Onder het OBW was het nog mogelijk om het eigendomsrecht te gebruiken als zekerheidsrecht.
Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 186.
Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 187.
Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 187.
Van der Grinten pleitte voor het niet snel aannemen van natrekking. Alleen als een onderdeel zorgde dat een zaak werd “gecompleteerd” of als een onderdeel niet zonder ernstige beschadiging kon worden afgescheiden van de zaak was dat onderdeel een bestanddeel. In zijn ogen waren dus de zaken aangebracht door Schaap geen bestanddelen van het fabrieksgebouw geworden. Of de motor die in sleepboot Egbertha was geplaatst een bestanddeel was hing af van de vraag of een schip zonder motor “volledig” was, aangezien de motor zonder ernstige beschadiging kon worden afgescheiden. Omdat Van der Grinten zelf aangaf dat hij in geval van twijfel eerder van een veelheid van zaken dan van een eenheid van een zaak uitging, ligt het voor de hand dat hij ook hier geen natrekking wilde aannemen. Hij wilde in ieder geval dat de omstandigheden van het geval beslissend waren. Daarbij had hij voor ogen dat de wet handvatten moest bieden om de geschillen te beslechten die uit deze omstandigheden voortvloeiden. Zo kon de wet mogelijkheden scheppen om natrekking in bepaalde gevallen te blokkeren, zoals ze dat bijvoorbeeld deed bij onroerende zaken. Een huis kon via het opstalrecht een afzonderlijke zaak blijven en werd dan niet nagetrokken door de grond. Deze mogelijkheid tot scheiding ontbrak bij roerende zaken. In het slot van zijn artikel merkte Van der Grinten op dat enkele, maar niet alle, oplossingen uit het oogpunt van juridische dogmatiek aanvaardbaar waren. Zo was Van der Grinten een tegenstander van het toestaan van een eigendomsvoorbehoud op een bestanddeel van een zaak. Deze mogelijkheid werd overwogen in het Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zij zou alleen gelden voor onroerende goederen.1 Bestanddelen hadden echter geen zelfstandigheid en daarop kon dus geen eigendomsvoorbehoud van toepassing zijn, aldus Van der Grinten.
“Zo past uit juridisch oogpunt slecht de oplossing, dat de éne zaak in haar bestanddelen aan verschillende eigenaren zou toebehoren; dit is juridische acrobatiek. Binnen de grenzen van hetgeen dogmatisch aanvaardbaar is, moet de oplossing worden gevonden door een analyse van hetgeen het maatschappelijk verkeer wenselijk doet zijn. Het is juist, dat de wet de oplossingen aangeeft en de wet het niet overlaat aan de rechter om naar de omstandigheden van het geval te beslissen. Vooral in het zakenrecht behoort de rechtszekerheid een grote plaats in te nemen. Rechtszekerheid kan in deze materie niet worden bereikt, indien niet wettelijke regels worden gesteld.”2
Van der Grinten was dus van mening dat de regels omtrent natrekking dwingendrechtelijke regels waren.
Anders dan Van der Grinten vonden bepaalde auteurs dat de regels omtrent natrekking niet golden, als ze zorgden voor een “onrecht” en dit onrecht niet kon worden gerechtvaardigd door het belang van de maatschappij.3 Zo was van natrekking volgens hen geen sprake als een verkrijger te kwader trouw een zaak verbond met zijn zaak. Als bijvoorbeeld van iemand een edelsteen was ontvreemd en deze vervolgens in een ring van de dief werd gezet, dan golden de regels van natrekking niet. In zo’n geval behield de bestolen eigenaar de eigendom van de edelsteen. Hier tegenin bracht Hijmans van den Bergh de beknopte stelling: natrekking is natrekking.4 Het gegeven dat een zaak gestolen was, maakt niet uit voor de beantwoording van de vraag of zij na de verbinding wel of niet een bestanddeel was.
De grote stelligheid waarmee de Hoge Raad aannam dat de regels van natrekking van dwingend recht waren, viel niet bij iedereen in goede aarde.5 Gerbrandy bijvoorbeeld was van mening dat van de regels van natrekking kon worden afgeweken. En net als Gerbrandy was ook Brahn deze mening toegedaan. Wel was Brahn van mening dat deze afspraak niet tegen derden te goeder trouw kon gelden. Ook hij stelde, evenals Van der Grinten, dat niet snel van “zaakseenheidsvorming” moest worden uitgegaan. Brahn gaf het voorbeeld waarin een motor van de een (B) onder eigendomsvoorbehoud werd geleverd aan de ander (A) en vervolgens in de auto van die ander werd gebouwd. Volgens het Egbertha-arrest was de motor nu een bestanddeel van de auto geworden en strekte het eigendomsrecht van A zich ook uit over de motor. Brahn breidde zijn casus uit. A had bijna al zijn roerende zaken, behalve de auto, in fiduciaire eigendom overgedragen aan de bank.6 Als A vervolgens failliet ging, dan was de bank separatist. B was echter concurrent schuldeiser. Brahn stelde dat in dit geval “werd afgeweken van de regel, dat gelijk behandeld dient te worden hetgeen in wezen gelijk is”.7 Brahn had er moeite mee dat B in dit geval niet en de bank wel de positie van separatist had. Het belang van het handelsverkeer en de rechtszekerheid konden dat verschil niet verklaren. Voor derden was immers niet zichtbaar dat de roerende zaken behalve de auto in fiduciaire eigendom waren overgedragen. Net zomin was het voor derden zichtbaar dat de motor onder eigendomsvoorbehoud was geleverd. Ditzelfde deed zich ook voor waarin iemand meubels in huurkoop kocht. Ook dan was het voor derden niet zichtbaar dat de huurverkoper nog eigenaar was van de meubels. Een oplossing van Brahn was om de fiduciaire eigendomsoverdracht af te schaffen, “dan kan ik er vrede mee hebben dat B slechts concurrent crediteur is.” Maar, zo vervolgde hij, dan bleef het geval waarin een woninginrichter die de meubels onder huurkoop verkocht separatist was “strijden met het zakenrechtelijke systeem, dat wij zeggen zo gaarne te willen beschermen”.8 Mocht geen afscheid genomen kunnen worden van de fiduciaire eigendomsoverdracht en het eigendomsvoorbehoud, dan was de oplossing volgens Brahn gelegen in het niet snel aannemen van natrekking.
“(…) in allerlei gevallen, waar thans op traditioneel bepaalde gronden een onwrikbare zaakseenheid en als gevolg daarvan een even onwrikbare eigendomseenheid wordt aangenomen, in het vervolg deze ‘eenheid’ kritischer dan thans te beschouwen, spoediger tot het verwerpen van zaakseenheid te concluderen en aan originaire eigendomsverkrijgingen als de natrekking geen al te grote werkingssfeer toe te kennen.”9
Tussenconclusie
Zowel uit de literatuur als uit de rechtspraak kwam naar voren dat de verkeersopvatting bepalend was voor de vaststelling of sprake was van natrekking. De regels van natrekking waren oorspronkelijk van regelend recht. Onder het eigendomsrecht van de hoofdzaak viel ook de nagetrokken zaak, tenzij partijen anders overeen waren gekomen en/of de vereniging een tijdelijke was. Dit betekende dat vereniging van zaken niet automatisch het tenietgaan van zakelijke rechten tot gevolg had. Onder invloed van de rechtspraak werden de natrekkingsregels steeds meer gezien als regels van dwingendrechtelijke aard. De reden hiervoor was dat dwingendrechtelijke natrekkingsregels beter aansloten bij de eisen gesteld in het handelsverkeer en bijdroegen aan de rechtszekerheid. Een vereniging van zaken had natrekking tot gevolg. De gerechtelijke uitspraken leidden in de literatuur tot onvrede, omdat de rechterlijke macht te snel natrekking zou aannemen. Dit had als gevolg dat zakelijke rechten (te) snel tenietgingen, hetgeen bijvoorbeeld ongunstig was voor de kredietverlening. Was na de vereniging een hoofdzaak aan te wijzen, dan gingen de zakelijke rechten van de nagetrokken zaak teniet. Het eindpunt van de levensduur van deze rechten leek daarmee bereikt. De onvrede in de literatuur kwam mede voort uit het feit dat de zakelijke rechten in bepaalde gevallen wel en in andere gevallen niet werden gehandhaafd, terwijl voor dat verschil geen verklaring te vinden was. Bij een fiduciaire eigendomsoverdracht, die dikwijls voor buitenstaanders onbekend was, bleven de zakelijke rechten bestaan, terwijl na een eenvoudige vereniging van zaken deze rechten tenietgingen met als belangrijkste argument dat de rechtszekerheid daarmee gediend was. Dat wrong. Gepleit werd daarom voor terughoudendheid bij het aannemen van natrekking. Was onduidelijk of hiervan sprake was, dan moest de rechter volgens de literatuur de voorkeur geven aan een veelheid van zaken.