Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.5.2
3.5.2 Rechtszekerheid voor de niet-contractuele partij
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644909:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Niet alleen Van der Grinten en Gerbrandy kwamen tot deze conclusie in bovengenoemde teksten. Zo schreef Drion bijvoorbeeld in zijn noot onder het arrest Schaap-Stafmateriaal: “Juist met het oog op die rechtsgevolgen [de rechtsgevolgen van natrekking, toevoeging JCTF] kan men de vraag stellen, of het Hof in casu niet te ver is gegaan door allerlei installaties tot bestanddelen van de fabriek te verklaren, die hoogstens, indien geen eigendomsvoorbehoud was gemaakt, als hulpzaken, onroerend door bestemming, mochten worden beschouwd. Ik kan er het overwegend maatschappelijk belang niet van zien, dat de eigenaar van een fabrieksgebouw enkel door het plaatsen in zijn fabriek eigenaar wordt van bijvoorbeeld een losse pompinstallatie, die niet van hem was, ja wellicht ontvreemd was.” Hijmans van den Bergh stelde de vraag “of het wenselijk is talrijke credietmogelijkheden af te snijden door natrekking aan te nemen”.
De Hoge Raad stelde dat: “(…) aan den afwijkende wil van de betrokken personen in een bepaald geval geen beteekenis kan worden toegekend, nu het te doen is om de vaststelling van de zakenrechtelijke ten opzichte van een ieder intredende gevolgen van een dergelijke verbinding.”
Gerbrandy, DNV I en II (1957-1958); Brahn, Pitlo-bundel (1970).
Gerbrandy, DNV II (1957-1958), p. 23, voetnoot 4.
Voor roerende zaken gold bijvoorbeeld artikel 2014 OBW: “Met betrekking tot roerende goederen die noch in renten bestaan, noch in inschulden welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel. Niettemin kan degene die iets verloren heeft of aan wien iets ontstolen is, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaats gehad, het verlorene of gestolene als zijn eigendom terug vorderen van dengene in wiens handen hij hetzelve vindt, behoudens het verhaal van den laatstgemelde op dengenen van wien hij het bezit bekomen heeft, en onverminderd de bepaling van artikel 637.”
Zie bijvoorbeeld Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 520, voetnoot 11.
Noot Hijmans van den Bergh bij: HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal), p. 113.
Uit bovenstaande bloem(bollen)lezing komt een beeld naar voren dat in de literatuur onvrede heerste over hoe de rechtspraak oordeelde over de verbinding tussen twee of meer zaken. Wat uit de kritieken opvalt, was de mening van verschillende auteurs dat de rechterlijke uitspraken negatief uitpakten voor het handelsverkeer.1 Door snel natrekking aan te nemen werden partijen beperkt in de kredietmogelijkheden. Daarnaast stond natrekking op gespannen voet met een constructie die met name voor het handelsverkeer was bedacht, namelijk het eigendomsvoorbehoud. Dat voorbehoud ging teniet als de door de leverancier geleverde zaak een bestanddeel werd van een hoofdzaak.
Bovengenoemde bezwaren zijn echter net zo goed te gebruiken om aan te geven dat het handelsverkeer wél gebaat was bij het snel aannemen van natrekking. Een koper, die niet wist dat een onderdeel van de gekochte zaak onder eigendomsvoorbehoud was geleverd, kon een revindicatie om de oren krijgen, ingesteld door degene die zich zijn eigendom had voorbehouden. Een pandrecht bleek zich niet uit te strekken over een motor van de auto, omdat de motor onder eigendomsvoorbehoud was geleverd, terwijl de pandhouder ervan uitging dat de motor wél onder het zekerheidsrecht viel. Was hij hiervan op de hoogte geweest, dan had de pandgever een minder hoog bedrag kunnen lenen. In het Sleepboot Egbertha-arrest woog de Hoge Raad niet mee dat de partijen van Gelderen en Stork een eigendomsvoorbehoud overeen waren gekomen. Bij een andere afweging zou namelijk de rechtszekerheid van niet-contractuele partijen in het geding kunnen komen.2 Daarin zit het pijnpunt. Hierboven is vermeld, dat de regels in het OBW over natrekking oorspronkelijk niet van dwingend recht waren. De Hoge Raad legde in de hier geciteerde overweging echter de natrekkingsregels wel uit als dwingend recht. Volgens hem traden de rechtsgevolgen van een dergelijke “verbinding” niet alleen in voor de contractspartijen, maar voor iedereen. Iemand die niet op de hoogte was van een eigendomsvoorbehoud, mocht er nog steeds op vertrouwen dat het gehele schip, inclusief motor, aan de eigenaar toekwam. Van deze dwingende regels van natrekking kon alleen afgeweken worden als de wet daartoe de mogelijkheid bood. Voor onroerende zaken was die mogelijkheid aanwezig, zoals bijvoorbeeld door het erkennen van een opstalrecht, maar voor roerende zaken was geen uitzondering gemaakt.
Hier werd tegenin gebracht dat de eigendomsverhouding wél afhankelijk kon zijn van de afspraken tussen partijen, juist in de gevallen waarin niet duidelijk was of een zaak was nagetrokken.3 Net zoals de wil van de partijen de rechtsgrond was bij de eigendomsoverdracht, was ook hier de wil van de partijen bepalend.
“Men zal wellicht zeggen: Ja maar dan [bij koop/verkoop, toevoeging JCTF] zit er ook de rechtshandeling van (zakenrechtelijke) levering tussen! Daargelaten dat die levering ook constituto possessorio en dus door enkele wilsovereenstemming kan plaatsvinden (die dan, in het algemeen, tegenover derden werkt) moet op die tegenwerping geantwoord worden: wanneer ik een roerend goed in de macht van een ander breng, dan beslist niets anders dan de wil van partijen of dat nu levering is of niet. In het ene en in het andere geval heeft dat werking tegenover derden.”4
Wat de werking die de wilsovereenstemming “in het algemeen” tegenover derden precies inhield werd niet toegelicht. Vermoedelijk hield “in het algemeen” in, dat derden te goeder trouw werden beschermd.5 Het belangrijkste argument tegen partijautonomie was dat die in een zakenrechtelijk systeem niet wenselijk was, aangezien de wil van partijen voor derden niet kenbaar hoefde te zijn.6 Een derde mocht niet de dupe worden van zijn onwetendheid over contractuele afspraken die tussen andere golden. Hij genoot daarom daartegen via de natrekkingsregels wettelijke bescherming.7