Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.5.1:II.3.5.1 Algemeen toetsingskader
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.5.1
II.3.5.1 Algemeen toetsingskader
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451963:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Opsporingsmethoden moeten in ieder geval doeltreffend zijn. Ik kies ervoor om als eerste de doeltreffendheid te behandelen omdat duidelijk moet zijn of, en zo ja in welke mate, een bevoegdheid zijn doel bereikt. Pas als dat geval is heeft de vraag nog relevantie of het doel op een efficiënte manier wordt bereikt.
Opsporingsmethoden worden voornamelijk ingezet ten behoeve van de waarheidsvinding. Dat kan onder andere plaatsvinden doordat de methode bewijs oplevert, dat startinformatie voor nader onderzoek verschaft, inzicht geeft in de wandelgangen van het slachtoffer of om een persoon te traceren. Om uiteindelijk te kunnen analyseren of het beoogde doel dat de methode ook daadwerkelijk wordt bereikt, is het voor de inzet van de opsporingsmethode noodzakelijk dat duidelijk is wat het precieze doel is. Ten eerste moet dat precieze doel dus worden geformuleerd.
Vervolgens moet worden bekeken of de methode die wordt ingezet valide is. Met andere woorden, de methode moet meten wat hij beoogt te meten. Daarnaast moeten de verkregen resultaten betrouwbaar zijn, dat wil zeggen dat het bewijs zonder meetfouten en consistent wordt gekregen (zodat het overeen moet komen met de werkelijkheid). Bij betrouwbaarheid gaat het om de beoordeling of toevallige, incidentele fouten in de meetmethode de resultaten beïnvloeden. Bij validiteit gaat het om de beoordeling of structurele fouten in de meetmethode voorkomen die de resultaten beïnvloeden.
Dit betekent dat moet worden onderzocht of de methode in het algemeen (zoals uit wetenschappelijk onderzoek blijkt) valide is en in normale omstandigheden betrouwbare resultaten oplevert. Voor de specifieke inzet in een opsporingsonderzoek houdt dit in dat moet worden beoordeeld of incidentele of structurele fouten de inzet hebben ‘besmet’.
Als een methode in beginsel effectief is, dient vervolgens te worden beoordeeld of de methode ook efficiënt is. De vraag is hoeveel middelen noodzakelijk zijn om het effectieve resultaat te verkrijgen. Het antwoord op deze vraag hangt af van de benodigde input en throughput. De duidelijkste en essentiële input voor elke opsporingsmethode zijn mankracht en vereiste goederen. Hoe arbeidsintensief een methode is, hangt mede af van het gebruik van technologische hulpmiddelen en of de aanwezigheid van mankracht voortdurend noodzakelijk is (vgl. het volgen van een verdachte te voet, te auto of via een GPS-tracker). De throughtputkosten zijn kosten die worden gemaakt om het proces naar behoren te laten functioneren. Andere karakteristieken die de kosten van het gehele proces beïnvloeden zonder directe invloed te hebben op het resultaat, zijn bijvoorbeeld het recht op een contra-expertise en rechtsmiddelen tegen de beslissing om een methode toe te passen. Als laatste kan het verkregen resultaat toekomstige kosten reducerend werken. Sommig persoonsgebonden bewijs, denk aan een DNA-profiel, kan ook in de toekomst worden gebruikt.
Samengevat betekent dit dat alle kosten die met de inzet van de methode zijn gemoeid op een rij moeten worden gezet om de effectiviteit te kunnen beoordelen. Vervolgens kan worden bekeken met welke kosten het geformuleerde doel in welke mate is bereikt.