Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.2.6:4.2.2.6 Conclusie
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.2.6
4.2.2.6 Conclusie
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443803:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de hiervóór besproken zaken blijkt dat de overheid onder omstandigheden de positieve verplichting heeft om ter voorkoming van een toekomstige aantasting concrete handelingen te verrichten. Uit die zaken volgt bovendien dat het kan gaan om toekomstige aantastingen van de door artikel 2evrm beschermde belangen, maar ook om toekomstige aantastingen van de door artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen. Verder blijkt daaruit dat de aard van de vereiste concrete handelingen divers is. Het kan bijvoorbeeld gaan om het installeren van een ventilatiesysteem voor de gecontroleerde afvoer van gassen uit een vuilnisbelt, het repareren van een dam of het waarborgen van een voldoende afvoercapaciteit van een rivier bij een stuwdam. Tot slot illustreert de zaak-Fadeyeva/Rusland dat in hetzelfde feitencomplex sprake kan zijn van een bestaande aantasting van het recht op respect voor de woning en het privéleven (ter beëindiging waarvan de overheid concrete handelingen moet verrichten), terwijl ook sprake is van een mogelijke toekomstige aantasting van het recht op leven (ter voorkoming waarvan de overheid geen concrete handelingen hoeft te verrichten).