Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.4.a:8.4.a Conclusies
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.4.a
8.4.a Conclusies
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608342:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Nederlandse hoger beroep in strafzaken bestaat één voorziening die binnen het begrippenkader van dit boek duidelijk als verlofstelsel kan worden gekenmerkt: het in 2007 ingevoerde artikel 410a Sv. Ook de wetgever zelf duidde de bepaling als (een vorm van) een verlofstelsel aan. De bepaling voorziet voor relatief milde veroordelingen in afgescheiden, schriftelijke verlofbeoordeling door één raadsheer, die in beginsel niet beschikt over een vonnis of proces-verbaal uit eerste aanleg. Deze zogenoemde voorzitter moet toetsen of behandeling van de strafzaak in hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. Weigering maakt het vonnis onherroepelijk, cassatie staat namelijk niet open. Verlofverlening brengt mee dat de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt. Naar wettelijke formulering is de rechtsbedelingsmaatstaf zeer open, maar de wetsgeschiedenis bevat zeer sterke aanwijzingen dat een inhoudelijk verlofstelsel is beoogd.1 Indien twijfel bestaat of in eerste aanleg de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv juist zijn beantwoord, moet in elk geval verlof worden verleend.
Naast het verlofstelsel van artikel 410a Sv bestaat binnen de regeling van het grievenvereiste in hoger beroep een tweede mogelijkheid voor vrije toegangsbeoordeling, te weten de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv.2 Dit betreft een in reikwijdte beperkte maar overigens nauwelijks gelimiteerde bevoegdheid tot beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep indien de insteller van het beroep niet tijdig grieven indient. Deze discretionaire bevoegdheid is volgens mij niet in strijd met het recht op beroep of het recht op een eerlijk proces.3 Dit ligt anders bij het verlofstelsel van artikel 410a Sv.
Het verdragsrecht stelt aan het eerste nationale rechtsmiddel tegen veroordelingen door een strafrechter relatief hoge eisen. In hoger beroep gelden immers autonome verdragsrechtelijke eisen naast de stelsel- en casusafhankelijke eisen.4 Het verlofstelsel in hoger beroep in Nederlandse strafzaken heeft gelet op die vereisten drie problematische kenmerken: de verlofmaatstaf zelf, de doorgaans summiere motivering van het verlofoordeel en de aan de voorzitter beschikbare stukken.5
In de toelichting op de Wet stroomlijnen hoger beroep is de conformiteit van het verlofstelsel met de eisen van het verdragsrecht onder meer onderbouwd met de volgende opmerking: “De voorzitter van het gerechtshof wordt [...] welbewust een ruim afwegingskader gelaten, dat zijn toetsing niet beperkt tot specifieke criteria of specifieke aspecten of onderdelen van het vonnis.”6 Die opmerking miskent dat het verdragsrecht een verlofstelsel in hoger beroep juist alleen aanvaardt indien de verlofbeoordeling inhoudelijk van karakter is. Dat de verlofvoorzitter zijn verlofoordeel op allerlei afwegingen en gezichtspunten kan baseren, is juist problematisch (conclusies verdragsrecht 1 en 2).
Het tweede en hiermee samenhangende probleem met het verlofstelsel in hoger beroep betreft de in beginsel gegeven standaardmotivering van verlofweigering. Zo’n motivering geeft onvoldoende inzicht in de beoordeling die binnen het verlofstelsel plaatsvindt, terwijl op de grondigheid en zorgvuldigheid van die beoordeling toch al weinig zicht bestaat gelet op het ontbreken van een zitting. Twijfel aan de grondigheid van de beoordeling kan ook bestaan, omdat in verlofgevallen in beginsel geen vonnis uit eerste aanleg wordt uitgewerkt (conclusie verdragsrecht 3).
Dit laatste is voorts op zichzelf problematisch. Ten derde is namelijk het ontbreken van een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal uit eerste aanleg een steen des aanstoots voor zowel het EVRM als het IVBPR. Als gevolg van een onvoldoende doordachte nota van wijziging hoeft in strafzaken die binnen het bereik van artikel 410a Sv vallen geen vonnis of proces-verbaal te worden uitgewerkt. Juist voor een verlofprocedure zoals die in het Nederlandse hoger beroep in strafzaken geldt, dus zonder zitting en zonder de duidelijke mogelijkheid om grieven aan te vullen, vereist het verdragsrecht echter de beschikbaarheid van stukken uit eerste aanleg (conclusie verdragsrecht 3). Daar komt bij dat zonder uitgewerkt proces-verbaal nauwelijks te controleren is of in eerste aanleg het recht op een eerlijk proces is gerespecteerd (conclusie verdragsrecht 6).
Kernachtig geformuleerd is het verlofstelsel in hoger beroep vanuit verdragsrechtelijk oogpunt precies verkeerd vormgegeven: karige procedurele waarborgen zijn gekoppeld aan een waarschijnlijk inhoudelijk bedoelde maar open geformuleerde verlofvoorwaarde. Wat in hoger beroep juist minimaal nodig is, is een strikt inhoudelijke verlofvoorwaarde en een daarop afgestemde zorgvuldige en eerlijke procedure.