Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/8.3
8.3 Het eigendomsrecht als algemeen beginsel van EU-recht
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197390:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 13 december 1979, zaak C-44/79 Hauer v Land Rheinland-Pfalz, ECLI:EU:C:1979:290. Zie voorts Schutte 2004, p. 22.
Zie verder La Scala 2011.
Zie bijvoorbeeld HvJ 11 juli 1989, zaak C-265/87 Schräder v HauptzollamtGronau, ECLI:EU:C:1989:303.
Volgens Gerards & Glas 2012, p. 523 citeert het HvJ inmiddels zo frequent, precies en systematisch EHRM-jurisprudentie dat het in feite een routine is geworden. Volgens de auteurs kan misschien zelfs worden volgehouden dat de Straatsburgs jurisprudentie in de Luxemburgse is geïncorporeerd.
HvJ 12 mei 2005, zaak C-347/03 RegioneautonomaFriuli-VeneziaGiuliaandERSA, ECLI:EU:C:2005:285.
Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten 14 december 2007, nr. C 303/02.
Den Houdijker 2012, p. 497.
HvJ 3 september 2008, zaak C-402/05 (Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie), ECLI:EU:C:2008:461 en de eerder genoemde zaken Hauer en ERSA.
HvJ 24 maart 1994, zaak C-2/92 (The Queen/Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, ex parte Dennis Clifford Bostock), ECLI:EU:C:1994:116.
HvJ 10 juli 2003, zaak C-20/00 (Booker Aquaculture en Hydro SeafoodAquaculture) ECLI:EU:C:2003:397 en HvJ 14 mei 1974, zaak C-4/73 Nold KG v Commission, ECLI:EU:C:1974:51.
HvJ 13 juli 1989, zaak C-5/88 Wachauf v Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft, ECLI:EU:C:1989:321.
Een van de eerste keren dat het HvJ een beroep op het EU-rechtelijk ongeschreven eigendomsgrondrecht heeft beoordeeld was in de zaak Hauer.1 Deze zaak ging over de vraag of EU-verordening nr. 1162/76, die de aanplant van bepaalde wijnstokrassen verbood, het eigendomsrecht schond van grondeigenaren die de betreffende wijnranken wilden planten. De Duitse rechter legde het Hof van Justitie de vraag voor of het aanplantingsverbod buiten toepassing zou moeten blijven wegens strijd met het in de Duitse grondwet opgenomen eigendomsrecht en het recht op vrije beroepsuitoefening.
Het HvJ overwoog (conform op dat moment al vaste rechtspraak) dat de fundamentele rechten een integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen en dat het Hof zich bij de bescherming van die rechten laat leiden door de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben.2 Voor wat betreft het eigendomsrecht hebben die tradities volgens het Hof hun neerslag gevonden in artikel 1 Eerste Protocol. Het HvJ achtte de tekst van artikel 1 Eerste Protocol echter onvoldoende duidelijk om de door de Duitse rechter gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden. Aan de jurisprudentie van het EHRM besteedde het HvJ merkwaardigerwijs geen aandacht. Uit de constitutionele regelingen en praktijken van de (toen nog negen) lidstaten leidde het HvJ echter af dat het in beginsel is toegestaan om het gebruik van particuliere eigendom in het algemeen belang te reguleren. Er moest volgens het HvJ echter nog worden nagegaan of de beperkingen die worden gesteld aan het eigendomsrecht “wel beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang welke de Gemeenschap nastreeft, en of zij, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet als een te ver gaande en onaanvaardbare ingreep in de prerogatieven van de eigenaar zijn te beschouwen, waardoor het eigendomsrecht wezenlijk wordt aangetast”. Aldus valt de beoordeling uiteen in de vragen of (i) het algemeen belang wordt gediend, (ii) er niet een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op het belang van de burgers, waardoor (iii) de gewaarborgde rechten niet in de kern worden aangetast. Sinds de zaak Hauer heeft het HvJ regelmatig woorden van gelijke strekking gebruikt in zaken over het eigendomsrecht als algemeen beginsel van EU-recht.3 Voorwaarden (i) en (ii) worden ook toegepast door het EHRM bij de beoordeling van beroepen op artikel 1 Eerste Protocol (aldaar bekend als legitimate aim en fair balance). Voorwaarde (iii) kent geen EHRM-pendant, maar lijkt ook eerder een gevolgtrekking te zijn dan een separate voorwaarde. Thans is deze nog steeds opgenomen in artikel 52 Handvest, dat bepaalt dat beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen.
Na Hauer heeft het HvJ in zaken waar het eigendomsgrondrecht als algemeen beginsel van EU-recht aan de orde was steeds deze maatstaf toegepast. De rechtspraak van het EHRM over artikel 1 Eerste Protocol is na dit arrest wel een prominentere rol gaan spelen in de rechtspraak van het HvJ.4 Zo overwoog het Hof in ERSA5 dat “(o)m de draagwijdte van het fundamentele eigendomsrecht als algemeen beginsel van gemeenschapsrecht te bepalen, moet meer bepaald rekening worden gehouden met artikel 1 van het Aanvullend Protocol nr. 1 bij het EVRM waarin dit recht is neergelegd.” Vervolgens onderzocht het HvJ of een verbod op het gebruik van de Hongaarse term “Tocai” in de benaming en omschrijving van bepaalde Italiaanse kwaliteitswijnen, een inbreuk maakte op het intellectuele eigendomsrecht van de Italiaanse wijnproducenten. Onder aanhaling van rechtspraak van het EHRM onderzocht het HvJ of de maatregel wettig was, een rechtmatig doel van algemeen belang diende en proportioneel was. Dat het HvJ in zijn rechtspraak over grondrechten thans meer aansluiting zoekt bij de rechtspraak van het EHRM, kan het gevolg zijn van de afkondiging van het Handvest in 2000. Volgens artikel 52, lid 3, Handvest zijn de inhoud en reikwijdte van de in het Handvest opgenomen rechten dezelfde als de corresponderende rechten in het EVRM. Dat geldt onder meer voor het eigendomsrecht van artikel 17 van het Handvest, dat volgens de toelichting bij het Handvest overeenkomt met artikel 1 Eerste Protocol.6 Tot december 2009 was het Handvest weliswaar niet juridisch bindend, maar het lag voor de hand dat het HvJ zich in grondrechtkwesties zou laten inspireren door de jurisprudentie van het EHRM over concordante bepalingen in het EVRM.
Het HvJ toetst niet intensief in zaken die het eigendomsrecht betreffen. Uit onderzoek van Den Houdijker naar de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een belangenafweging niet of nauwelijks plaatsvindt.7 In slechts drie van de negen door haar geanalyseerde zaken kwam het Hof van Justitie daadwerkelijk toe aan de vraag of de inbreuk op het eigendomsrecht een belangrijk doel van algemeen belang diende en of het eigendomsrecht in de kern werd aangetast.8 In de overige zaken oordeelde het Hof onder meer dat geen sprake was van een eigendomsrechtelijke kwestie9, dat het handelen van de Gemeenschap geen inbreuk maakt op het eigendomsrecht10 of dat de oplossing voor een schending van het eigendomsrecht moet worden gevonden in de beoordelingsruimte van de nationale rechter.11 In belastingzaken heeft het eigendomsrecht als algemeen beginsel van EU-recht nauwelijks een rol gespeeld.