Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.a.i
7.2.2.a.i Inleiding
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461643:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ulmer 1977, p. 495.
Zie Ulmer 1977, p. 502-503.
Voor het cinematografische werk is door de Stockholmse conferentie in 1967 evenwel een specifieke regeling getroffen in art. 14bis. Deze komt ter sprake in par. 7.2.2 onder (c).
Strowel 1993, p. 19-20; Seignette 1994.
Voor alle duidelijkheid: de term 'schepper' wordt in deze studie gebruikt voor degene die het werk daadwerkelijk heeft gecreëerd. Onder de `originaire rechthebbende' wordt verstaan degene ten gunste van wie het auteursrecht wordt verleend; dat kan dus een ander dan de schepper zijn. Wat onder het begrip 'auteur' moet worden verstaan, wordt in deze paragraaf onderzocht. De conventie bezigt noch de term 'maker' (zoals in art. 2 Auteurswet; hierover Seignette 1994, p. 47, noot 288), noch de term 'schepper'. Weliswaar wordt in de Nederlandse vertaling van art. 4 onder b gesproken over 'scheppers van bouwwerken' (Db. 1972, 157), maar dat is een onjuiste vertaling, want in de doorslaggevende authentieke Franse tekst wordt gewoon gesproken over 'les auteurs des oeuvres d'architecture'; zie ook de Engelse tekst ('authors of works of architecture') en de Duitse tekst ('die Urheber von Werken der Batik-Luist').
Aan complicerende factoren zoals de procederende licentienemer, zal men in de negentiende eeuw niet hebben gedacht; dergelijke factoren kunnen buiten beschouwing blijven.
Ginsburg meent dat art. 15 lid 1 de gelijkstelling van auteur en rechthebbende als een weerlegbaar vermoeden opzet (Ginsburg 1999, p. 351 en p. 354; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 1317). Dat is onjuist. Het vermoeden van deze bepaling houdt in dat degene wiens naam op het werk staat vermeld, als auteur moet worden beschouwd. Dáárop heeft het vermoeden van art. 15 lid 1 betrekking. De bepaling voegt daar volledigheidshalve aan toe dat wie aldus als auteur wordt beschouwd, bijgevolg degene is die voor de rechter wordt toelaten om vervolging wegens inbreuk in te stellen (en dus de rechthebbende is). Op de gelijkstelling van auteur en rechthebbende heeft het vermoeden derhalve geen betrekking, over die gelijkstelling is de bepaling stellig en glashelder.
Het zou immers weinig zin hebben een conventie rond het begrip 'auteur' te bouwen als die auteur niet tevens de rechthebbende is.
Overigens is de conventie op dit punt niet helemaal consequent geweest. Zo liet art. 3 van de Berner Conventie van 1886 het recht ontstaan ten gunste van de uitgever, zulks ten nadele van de 'auteur'; zie nader alinea 975 hierna. Het artikel werd in 1896 geschrapt. Oppervlakkig gezien lijkt de compromisbepaling van art. 14bis ook een inconsistentie te bevatten. Dit is evenwel verklaarbaar, zie daarover nader par. 7.2.2 onder (c).
Ricketson 1992, p. 8.
959. Nationale verschillen. In het materiële recht levert het antwoord op de subject-vraag doorgaans niet zo veel problemen op: de alom aanvaarde grondgedachte is reeds lang dat de schepper van het werk wordt aangemerkt als de auteur, ten gunste van wie het recht ontstaat.1 De subject-vraag levert echter niet altijd een eenduidig antwoord op. In sommige gevallen bepalen nationale wetten dat, in afwijking van deze grondgedachte, het auteursrecht ontstaat ten gunste van een ander dan de schepper van het werk. De schepper is dan derhalve niet de originaire rechthebbende. Een bekend voorbeeld betreft de schepper die in het kader van zijn dienstverband of een opdracht een werk maakt. In sommige landen ontstaat het auteursrecht in zo'n geval ten gunste van de schepper, in andere landen echter ten gunste van de werkgever of de opdrachtgever.2 Een ander voorbeeld betreft de vraag of het auteursrecht kan ontstaan ten gunste van een rechtspersoon: in sommige landen kan dat, in andere niet.3 Divergerende antwoorden kunnen zich ook voordoen indien meerdere personen hebben bijgedragen aan een werk, bijvoorbeeld het dramatisch-muzikale werk waaraan een componist en een librettist bijdraagt.4 Een ander voorbeeld is het cinematografische werk, waaraan velen hun bijdrage leveren.5 Men ziet dat er gevallen zijn waarin verschillend wordt gedacht over de subject-vraag. Daarbij ligt de voornaamste breuklijn in het Kanaal. In de continentaal-Europese opvatting overheerst het beginsel dat het auteursrecht ontstaat ten gunste van de schepper, de zogenaamde scheppersdoctrine. Daarentegen is dit beginsel in de Anglo-Amerikaanse opvatting minder overheersend; in die opvatting wordt het auteursrecht ook wel verleend aan een ander dan de schepper. Welk auteursbegrip tot uitgangspunt wordt genomen, hangt samen met de onderliggende visie op het auteursrecht.6 Nederland neemt op dit punt een tussenpositie in.
960. Auteur. De Berner Conventie bezigt in dit verband het begrip 'auteur', maar geeft geen definitie van dit begrip. De vraag rijst derhalve wie deze conventionele auteur is.7
961. Originaire rechthebbende. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat de conventie de auteur — wie dat ook verder moge zijn — beschouwt als de originaire rechthebbende, degene ten gunste van wie het recht ontstaat. Dit blijkt uit verschillende bepalingen, waaronder bepalingen die teruggaan tot de conventie van 1886.
Zo bepaalt artikel 5 lid 1, dat teruggaat tot artikel 2 van de conventie van 1886, dat de 'auteur' de rechten geniet die de nationale wet en de conventie verlenen.
Artikel 2 lid 6 bepaalt in lijn met de Berner Conventie van 1886 dat de bescherming bestaat ten gunste van de 'auteur' — derhalve de originaire rechthebbende — en zijn rechtsopvolgers.
Voorts blijkt het ook uit artikel 15 lid 1, dat teruggaat tot artikel 11 van de conventie van 1886. Uit deze bepaling volgt dat wie als 'auteur' wordt aangemerkt, wordt toegelaten voor de rechter om vervolging wegens inbreuk in te stellen. Wie wordt toegelaten voor de rechter om vervolging wegens inbreuk in te stellen, is — zo mag worden aangenomen — de rechthebbende.8 Bijgevolg is de auteur de rechthebbende.9
Ten slotte garanderen vele bepalingen in de conventie de 'auteur' het ius conventionis.
Met de 'auteur' doelt de conventie derhalve in ieder geval — en logischerwijs10 op de originaire rechthebbende.11 De 'auteur' is de kapstok waar de conventie de rechten aan ophangt.
962. Maar daarmee is de kous natuurlijk niet af. Immers, wie moet dan als auteur/ originaire rechthebbende worden aangemerkt? De vraag rijst of de conventie hierover zelf uitsluitsel geeft (anders gezegd: bestaat op dit punt ius conventionis?), of dat zij zelf géén invulling geeft aan haar auteursbegrip. Deze vraag — die vaak en ten onrechte wordt verwaarloosd — laat zich niet gemakkelijk beantwoorden omdat uit de conventie geen duidelijke visie op het auteursrecht naar voren komt.12