Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.4.2.2
5.4.2.2 Algemeen belang vereiste en (onmiddellijke) voorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364829:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 mei 1989, NJ 1993, 206 (Van den Berg), r.o. 3.7.
Zie bijlage Handelingen Tweede Kamer, 1967-1968, 9596. De desbetreffende passage is geciteerd in par. 3.3.1.
EHRM 12 januari 2012, appl.nrs. 12266/07, 40059/07, 36038/09 and 47155/09 (Pekárny), r.o. 48 en 49
Deze emissie komt ook elders in dit onderzoek uitvoerig ter sprake komt. Zie par. 13.5.5.1 ook voor verdere vindplaatsen
A-G Timmerman bij HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt Van Schilfgaarde, JOR 2011/115 m.nt. Doorman (Inter Acces). In dezelfde zin Schild (Diss.), p. 160 en 161 en M.L. Lennarts, ‘Majority shareholder sidelined by the Dutch Business Court: the Inter Access case in the light of Article 1 Protocol 1 ECHR’, European Company Law 2010 (7).
Phillips 2011 en 2012 en Raaijmakers sr. in zijn noot bij de Inter Access-beschikking in het mei 2012-nummer van Ars Aequi, p. 377 en 378.
Zij het dat uit de concrete omstandigheden van het geval wel kan blijken dat met de (onmiddellijke) voorziening geen algemeen belang is gediend. Dat is bijvoorbeeld zo in het – in het huidige tijdsgewricht niet voorstelbare – geval dat de ondernemingskamer bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen zich nagenoeg niets gelegen laat liggen aan de doelstellingen van het enquêterecht, maar in plaats daarvan handelt vanuit nepotistische motieven of in het kader van een politieke afrekening.
De vraag of het enquêterecht een algemeen belang dient, beantwoordde de Hoge Raad bevestigend.1 De Hoge Raad verwees daarbij naar bedoelingen van de wetgever. Deze achtte het maatschappelijk wenselijk dat de ondernemingskamer maatregelen kan nemen bij rechtspersonen ten einde onwenselijk gedrag van of binnen rechtspersonen tegen het gaan en te voorkomen, mede zodat de stakeholders bij deze vennootschap zo min mogelijk nadeel van dat gedrag ondervinden.2 Zoals uit het Pekárny-arrest3 blijkt is dat een algemeen belang in de zin van art. 1 EP.
In de Nederlandse literatuur is gediscussieerd over de vraag of de inzake Inter Access-getroffen voorlopige onmiddellijke voorzieningen wel in het algemeen belang waren. Deze onmiddellijke voorziening4 maakte een emissie van aandelen mogelijk waardoor de continuïteit van de vennootschap werd gewaarborgd, maar wel ten koste van de meerderheidsaandeelhouder die sterk verwaterde. De meeste auteurs lieten het algemeen belang vereiste onbesproken – en zagen kennelijk geen strijdigheid met het algemeen belang vereiste – of meenden met A-G Timmerman5 dat deze onmiddellijke voorziening in het algemeen belang was, omdat deze de werkgelegenheid waarborgde. Philips en Raaijmakers6 betogen echter dat het belang van de vennootschap en/of werknemers niet op één lijn met het algemeen belang kan worden gesteld.
Deze Nederlandse discussie raakt mijns inziens echter niet de kern van de desbetreffende problematiek. Door de auteurs wordt verondersteld dat de getroffen (onmiddellijke) voorzieningen in elk individueel geval in het algemeen belang zouden moeten zijn. Dat is niet juist. Het volstaat dat de wetgever het – binnen de grenzen van de margin of appreciation – maatschappelijk wenselijk vindt dat de ondernemingskamer (onmiddellijke) voorzieningen kan treffen, bijvoorbeeld omdat dit bevordert dat ondernemers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Een nadere toespitsing op de concrete omstandigheden van het geval is niet vereist.7