Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/1.2
1.2 Omzetting in het fiscale recht
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS498929:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat om welgeteld vijf publicaties, te weten C.P.M. van Houte, ‘De nieuwe omzettingsregeling en haar belastingrechtelijke implicaties’, WFR 1991, 1287 en C.P.M. van Houte, ‘Fiscale aspecten van omzetting van rechtspersonen’, Elsevier Dossier, nr. 40, 2000, p. 18-22 , P. van der Wal, ‘De omzetting van de rechtsvorm van een rechtspersoon in andere: ‘fictie op fictie”, V&O 1992, 4, p. 44- 46, A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V, 1993, p. 155- 162 en G.W.J.M. Kampschöer, ‘Nu nog 28a..’, in: Hoe goed is een woord op zijn tijd (Liber Amicorum aangeboden aan Willem Verhoog), Amsterdam: VERA 1999, p. 197-203.
G.W.J.M. Kampschöer, ‘Nu nog 28a..’, in: Hoe goed is een woord op zijn tijd (Liber Amicorum aangeboden aan Willem Verhoog), Amsterdam: VERA 1999, p. 197.
De Wet VPB 1969 bevat, net zoals het BW, een algemene regeling voor de omzetting van rechtspersonen ex art. 2:18 BW. Art. 28a Wet VPB 1969 verwijst naar een omzetting op de voet van art. 2:18 BW. Sedert 1 januari 1992 luidt art. 28a lid 1 Wet VPB 1969:
‘Art. 28a - 1.Bij een omzetting op de voet van artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm, anders dan van een naamloze vennootschap in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of omgekeerd dan wel van een vereniging in een stichting of omgekeerd, wordt:
a. de rechtspersoon geacht te zijn geliquideerd,
b. het vermogen van de rechtspersoon geacht te zijn uitgekeerd aan de deelgerechtigden tot dat vermogen naar de mate van hun gerechtigdheid, en
c. het vermogen van de andere rechtsvorm geacht daarin te zijn ingebracht.’
2. Het eerste lid is mede van toepassing voor de heffing van de inkomstenbelasting en de dividendbelasting.
3. Onze Minister kan op verzoek, onder door hem te stellen voorwaarden, de inspecteur toestaan afwijkingen toe te staan van het eerste en het tweede lid. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in de vorige volzin bedoelde voorwaarden zijn opgenomen. De voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de belastingen.’
Het algemene karakter van de fiscaalrechtelijke regeling is echter beperkter dan van de civielrechtelijke regeling omdat bepaalde omzettingen van de fiscale regeling zijn uitgezonderd. De uitgezonderde omzettingen betreffen de omzetting van een BV in een NV en omgekeerd en van een vereniging in een stichting en omgekeerd. De civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke regelingen per 1 januari 1992 wijken ten principale van elkaar af. Zij hebben immers contraire uitgangspunten. Volgens het civiele recht blijft de omzettende rechtspersoon immers bestaan, terwijl voor het fiscale recht de rechtspersoon ophoudt te bestaan.
Ook in de fiscaalrechtelijke literatuur is niet veel aandacht besteed aan de omzettingsproblematiek. Slechts enkele beschouwingen worden aangetroffen.1 Illustratief zijn de opmerkingen van Kampschöer:2
‘Art. 28a Wet VPB 1969 mag zich niet echt verheugen in de professionele belangstelling. Terwijl het wetboek van vrijwel iedere fiscalist welhaast vanzelf openvalt bij de artikelen 13, 14, 14a, 14b en 15 Wet VPB 1969, zal het noemen van art. 28a Wet VPB 1969 veelal een lichte frons tot gevolg hebben. Uiteraard zal de rechtgeaarde expert zich direct herstellen, maar het zal de oplettende toeschouwer opvallen dat het artikel niet echt ‘leeft’ bij ‘de praktijk.’
Ik hoop dat de publicatie van dit onderzoek hierin verandering brengt. Tot dusverre ontbreekt een systematisch opgezette analyse over de fiscale gevolgen van de omzetting van rechtspersonen.