Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.4.1
14.4.1 Inleiding
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197379:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling luidt als volgt:(1) A court or tribunal determining a question which has arisen in connection with a Convention right must take into account any (a) judgment, decision, declaration or advisory opinion of the European Court of Human Rights, (b) opinion of the Commission given in a report adopted under Article 31 of the Convention, (c) decision of the Commission in connection with Article 26 or 27(2) of the Convention, or (d) decision of the Committee of Ministers taken under Article 46 of the Convention.
R (Ullah) v. Special Adjudicator [2004] 2 AC 232.
D. Feldman 2009, p 553.
ECRM 10 maart 1981, nr. 8531/79 (A., B., C. and D v. The United Kingdom), besproken in par. 10.3.4.
EHRM 23 oktober 1997, nrs. 21319/93, 21449/93 en 21675/93 (The National & Provincial Building Society, the Leeds Permanent Building Society and the Yorkshire Building Society v. the United Kingdom). Zie over dit arrest nader par. 10.3.3.
ECRM 12 april 1996, nr. 27721/95 (NAP Holdings UK Ltd v. The United Kingdom). Zie over deze beslissing nader par. 10.3.7.3.
Een vierde Britse belastingzaak over terugwerkende kracht is Huitson v. The United Kingdom uit 2015. Kennelijk is terugwerkende kracht het onderwerp bij uitstek waarover Britse belastingplichtigen de rechter in Straatsburg weten te vinden.
Voor een overzicht van Britse belastingrechtspraak over artikel 1 Eerste Protocol verwijs ik naar Hamilton 2016 en Peacock 2017.
Sinds de inwerkingtreding van de HRA per 2 oktober 2000 kunnen burgers bij de Britse rechter een beroep doen op het EVRM. Dat betekende niet alleen een grote verandering voor de burgers, maar ook voor de Britse rechter die moest gaan beoordelen of formele wetgeving in strijd kwam met grondrechten. Daarmee bestond geen ervaring in andere dan de uitzonderlijke gevallen waarin formele wetgeving EVRM-conform werd uitgelegd of het EU-recht van toepassing was. De Britse rechter hoefde het wiel echter niet opnieuw uit te vinden. Volgens artikel 2 van de HRA dient de Britse rechter rekening te houden met – kort gezegd – de rechtspraak van Straatsburgse organen die relevant is voor de voorliggende zaak.1 Toen Britse rechters vanaf 2000 beroepen op het EVRM gingen beoordelen, konden zij dus putten uit de al decennia ontwikkelde Straatsburgse rechtspraak. Die rechtspraak vormt volgens de House Of Lords (behoudens bijzondere omstandigheden) de minimale standaard waaraan de bescherming van mensenrechten in het Verenigd Koninkrijk moet voldoen.2 Arresten van het EHRM met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk worden door de House of Lords echter niet zonder meer gevolgd als er twijfel over bestaat of het EHRM de nationale wetgeving wel goed heeft begrepen.3
Al vóór de inwerkingtreding van de HRA hebben Britse belastingplichtigen zich beroepen op artikel 1 Eerste Protocol. Aangezien dat niet kon bij de nationale rechter, richtten zij zich noodgedwongen tot het EHRM en de ECRM. Mij zijn drie arresten uit Straatsburg bekend over het Verenigd Koninkrijk, waarin de belanghebbende betoogde dat Britse belastingwetgeving strijdig was met het eigendomsrecht. Al die zaken gingen over terugwerkende kracht. A.B.C. and D. v. The United Kindom4 betrof de bestrijding met terugwerkende kracht van een “tax avoidance scheme”, Building Societies v. The United Kingdom5 betrof de reparatie van een technisch gebrek in de wet waardoor de belanghebbenden dreigden een ongerechtvaardigde windfall profit te behalen en in NAPUK v. The United Kingdom6 betoogde de belanghebbende dat voor haar gunstige wetgeving juist wel terugwerkende kracht moest hebben.7 In al deze zaken zijn de beroepen van de belanghebbenden op het EVRM afgewezen. Ná de inwerkingtreding van de HRA kon ook voor de nationale rechter worden gesteld dat belastingheffing in strijd kwam met het eigendomsrecht. In de hiernavolgende paragrafen bespreek ik een aantal zaken waarin een dergelijk beroep werd gedaan.8 Daarbij zal ik de uitspraken van de Britse rechter vergelijken met de rechtspraak van het EHRM en/of de Nederlandse Hoge Raad. Achtereenvolgens bespreek ik een uitspraak over antimisbruikwetgeving die het mogelijk maakte winsten van offshore vennootschappen te belasten bij de aandeelhouder (par. 17.4.2), een bijzondere aanslagregeling voor belastingontwijkers (par. 17.4.3), een forfaitaire belastingheffing over afkoopsommen van levensverzekeringen (par. 17.4.3) en een geval van dubbele (binnenlandse) belastingheffing over dezelfde winst (par. 17.4.4).