Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.2.4
5.3.2.4 Beperkingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478055:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397. Anders: Rb. Arnhem 29 april 2011, NJF 2011/272 (Lindorff Purchase).
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397 en 763.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397, onder verwijzing naar Köster 1964, p. 122-123.
Zie ook art. 3:94 lid 2 BW waarin de levering van een vordering op een onbekende debiteur zonder (aanvankelijke) mededeling is beperkt tot een recht dat op de dag van het opmaken van de akte aan de vervreemder toebehoort.
Vgl. Rongen 2012/410 en Biemans 2011, p. 1-2.
Zie Rongen 2012/419 voor de bezwaren verbonden aan mededeling als een constitutief vereiste.
Zie nr. 201 e.v.
199. Uit het voorgaande volgt dat slechts de vereiste mededeling een beperking oplevert voor de cessie bij voorbaat van toekomstige vorderingen. De vereiste akte kan namelijk zonder bezwaar betrekking hebben op toekomstige vorderingen en bovendien op toekomstige (en vooralsnog onbekende) schuldenaren.1 De mededeling aan de schuldenaar vormt echter een obstakel voor zover deze (vooralsnog toekomstige) schuldenaar onbekend is. De mededeling en daarmee de voltooiing van de cessie bij voorbaat is eerst mogelijk zodra de toekomstige schuldenaar bekend is. De bekendheid met de identiteit van de toekomstige schuldenaar ten tijde van de mededeling is daarmee de enige beperking aan de openbare cessie bij voorbaat. De wetgever heeft deze (natuurlijke) grens aan de cessie bij voorbaat bewust gekozen.2 In dat kader is nog overwogen om de grenzen nog wat ruimer te trekken, zodat ook toekomstige vorderingen op vooralsnog onbekende schuldenaren bij voorbaat gecedeerd zouden kunnen worden. Daarvan is afgezien omdat niet zou zijn gebleken van een behoefte aan deze figuur en omdat zij licht tot allerlei ongewenste verwikkelingen aanleiding zou geven.3 Vermoedelijk werd gedoeld op de complicaties die kunnen ontstaan bij botsende cessies bij voorbaat. Als uitvloeisel van deze keuze is de openbare cessie van een toekomstige vordering op een vooralsnog onbekende schuldenaar niet mogelijk.4 Daarnaast leefde de gedachte dat met de invoering van de stille verpanding (art. 3:239 BW) en de afschaffing van de zekerheidsoverdracht (art. 3:84 lid 3 BW), geen behoefte zou bestaan aan de levering van vorderingen zonder mededeling als constitutief vereiste.5 Dit laatste bleek een misvatting. De rechtspraktijk bleef behoefte hebben aan een cessie waarbij de mededeling aan de schuldenaar geen vereiste was voor de voltooiing van de overdracht.6 Aan deze behoefte is uiteindelijk tegemoetgekomen door de invoering in 2004 van de stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW). Zoals hierna aan de orde komt, betekent dit nog niet dat toekomstige vorderingen op onbekende schuldenaren zonder beperking bij voorbaat gecedeerd kunnen worden. Daar vormt het mededelingsvereiste geen obstakel, maar wel de wettelijke eis dat de vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding.7