Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/13.10.4
13.10.4 Commuun internationaal privaatrecht
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS416861:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verheul, Rechtsmacht, Deel 2, p. 262 verwijst naar oudere rechtspraak die de forumkeuze in overwegende mate geldig acht; Rb. Rotterdam 18 januari 1972, S&S 1972, 105; Rb. Amsterdam 12 maart 1980, S&S 1980, 92; Rb. Rotterdam 11 mei 1981, NJ 1982, 400; Rb. Rotterdam 12 juli 1985, S&S 1986, 3, NIPR 1986, 324.
Bijv. Rb. Rotterdam 2 september 1994, NIPR 1995, 290.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599 (zie voor verwijzend arrest HR 23 oktober 1998, NJ 1998, 901). Ik wijs erop dat in geval van een forumkeuze steeds de vraag zich voordoet of de contract- of procespartijen zijn bedoeld. Zie de par. 7.2 en 11.2.
Art. 23 EEX-V°/17 Verdrag is slechts van toepassing, indien één van de partijen woonplaats heeft in een verdragsluitende staat en een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat is aangewezen. Zie par. 7.2 respectievelijk 7.3.
Hof Amsterdam 7 juni 2001 neemt dat als uitgangspunt en de HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, UN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite) oordeelt daar bij gebreke van een cassatiemiddel niet anders over. Vgl. ook Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 153.
Franz, NIPR Special 1996, p. 94.
Van Mierlo, Rechtsvordering, suppl. 291 (januari 2004), p. art. 629 — 2; MvT Wetsvoorstel 19979, nr. 3, p. 123; Hof Arnhem 13 juli 2004, http://www.rechtspraak.nl, LJN AR 4645; Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 153.
Hof Arnhem 13 juli 2004, http://www.rechtspraak.nl, LIN AR 4645; Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 153.
Indien Nederlands recht van toepassing is, zal bovendien moeten zijn voldaan aan het bepaalde in art. 8:415 BW. De forumkeuze zal voor degene tegen wie daarop een beroep wordt gedaan duidelijk kenbaar moeten zijn, zie Teunissen 2005, (T&C BW), art. 8:415 BW, aant. 2.
Afwijking van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter is wel mogelijk door een overeenkomst tot arbitrage; zie Koopmann 2005, (T&C Rv), art. 629 Rv, aant. 3d.
Aldus ook HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LJN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/ DS-Rendite). Voor een samenvatting van de wetsgeschiedenis, zie Hendrikse/Margetson, Capita Zeerecht, p. 306.
MvT Wetsvoorstel 19 979, nr. 3, p. 123; overgenomen in HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LJN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite).
MvT Wetsvoorstel 19 979, nr. 3, p. 123; HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LIN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite), r.o. 3.4.
Art. 629 lid 1, laatste zin Rv kent ook een fictieve ontvanger. Ook de woonplaats van de laatste mag worden aangewezen.
HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LIN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite).
HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LIN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite), r.o. 3.4; Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 153.
Hendrikse/Margetson, Capita Zeerecht, p. 311.
HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LIN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite), r.o. 3.4.
Rb. Rotterdam 24 december 1993, S&S 1996, 4; Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 153.
HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LIN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite), r.o. 3.6.
Vgl. Rb. Rotterdam 5 april 2006, NIPR 2006, 153.
Dat was in het arrest HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, LIN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite) duidelijk gezien de inhoud van het cognossment; Hendrikse/Margetson, Capita Zeerecht, p. 226 e.v. vat de feiten in deze zaak helder samen.
Hof Amsterdam 20 april 1995, S&S 1995, 83; Rb. Rotterdam 18 juli 1996, S&S 1996, 113.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 15.
HvJ 6 mei 1980, zaak 784/79, Porta Leasing/Prestige International, Jur. 1980, p. 1517, NJ 1980, 607.
HvJ EG 6 mei 1980, zaak 784/79, Porta Leasing/Prestige International, Jur. 1980, p. 1517, NJ 1980, 607.
Stiive, Gerichtsstandsvereinbarungen, p. 169.
In het Nederlandse commune internationaal privaatrecht werd voordat art. 8 Rv in werking trad de geldigheid van een forumkeuze in een cognossement aangenomen op grond van de rechtspraak van met name de Rb. Rotterdam.1 De Nederlandse rechter had de neiging om art. 17 Verdrag naar analogie toe te passen naarmate de verbondenheid met de verdragsluitende staten groter was.2 De rechter leek art. 17 Verdrag toe te passen, zodra één of beide partij en3 — woonplaats in een verdragsluitende staat had(den) ongeacht of een gerecht van een verdragsluitende of derde staat was aangewezen.4 Na inwerkingtreding van art. 8 Rv is voor analoge toepassing van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag in ieder geval geen ruimte meer. De vorm van een forumkeuze in een cognossement wordt thans uitsluitend beheerst door de art. 8 lid 5 Rv en — onder omstandigheden — 629 lid 2 sub b Rv 5 De eerste bepaling is slechts van toepassing op een forumkeuze in een cognossement, indien het gaat om een geschil waarop art. 629 lid 1 Rv niet van toepassing is.6 Art. 629 Rv heeft als lex specialis — gelezen met art. 10 Rv — als bijzondere regel van internationale bevoegdheid voorrang op de lex generalis in art. 8 RV.7 Art. 8 Rv is met name van toepassing op geschillen over vervoer per schip met een eindbestemming buiten Nederland en geschillen tussen de afzender en de vervoerder (waarbij de derde houder van het cognossement dus niet is betrokken).8 De Nederlandse rechter toetst zowel de prorogatie als de derogatie van zijn rechtsmacht door een forumkeuze in een cognossement aan art. 8 Rv. De vorm van de forumkeuze wordt uitsluitend beheerst door art. 8 lid 5 Rv dat een geschrift vereist. De forumkeuze mag niet aan het vormvoorschrift van art. 629 lid 2 sub b Rv worden getoetst,9 indien dat artikel op grond van het eerste lid niet van toepassing is.
Een cognossement is een geschrift dat voldoet aan het vormvoorschrift van art. 8 lid 5 Rv, indien de forumkeuze is opgenomen in het cognossement. Een verwijzing in het cognossement naar algemene voorwaarden met een forumkeuze is eveneens naar Nederlands commuun internationaal privaatrecht mogelijk, mits de wederpartij het geschrift uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft aanvaard.10 De Nederlandse rechter toetst de vorm derhalve alleen aan art. 8 lid 5 Rv. Ik verwijs voor een algemene bespreking van de vorm die art. 8 lid 5 Rv vereist naar par. 13.3.2.
Is art. 629 lid 1 Rv daarentegen op het geschil van toepassing, dan mag in beginsel niet van de bevoegdheid van het Nederlandse gerecht van de plaats van de (fictieve) eindbestemming van de zaken worden afgeweken.11 Achtergrond van deze beperking van de keuzevrijheid van partijen is de zorg van de wetgever over forumkeuzen die verwijzen naar moeilijk bereikbare gerechten in een bij de vaststelling van oorzaak en omvang van de schade niet betrokken staat, en waar onzekerheid bestaat over het toe te passen recht.12 De wetgever wijst ook op de herhaald voorkomende onduidelijkheid en dubbelzinnigheid van forumkeuzen in cognossementen die bovendien soms verwijzen naar een rechter in een staat die niet is betrokken bij de zaak.13 De mogelijkheid tot aanwijzing van een bevoegde rechter is in dat geval zowel binnen als buiten Nederland uitgesloten. Dat heeft twee gevolgen. De prorogatie door een forumkeuze van een andere Nederlandse rechter is in beginsel verboden. Indien de eindbestemming van de zaken Vlissingen is, mogen partijen niet de Rb. Rotterdam als bevoegde rechter aanwijzen. Partijen mogen evenmin door een forumkeuze derogeren aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter van de plaats van eindbestemming van de zaken door een buitenlandse rechter aan te wijzen.
Op deze regel van commune internationaal privaatrecht bestaan twee uitzonderingen. art. 629 Rv beoogt niet een forumkeuze onmogelijk te maken, maar slechts misbruik van onduidelijke en dubbelzinnige forumkeuzen te voorkomen.14 Een forumkeuze is ten eerste wel mogelijk, indien partijen een gerecht van een met name genoemde plaats aanwijzen op het grondgebied van de staat waarin hetzij de vervoerder hetzij de ontvanger15 woonplaats hebben (art. 629 lid 2 sub a Rv). Partijen behoeven derhalve niet het gerecht van de woonplaats van de vervoerder of ontvanger aan te wijzen, maar de gerechten of een gerecht in die staat. Dat gerecht kan dus een ander gerecht zijn dan van de woonplaats van één van deze partijen. Partijen (meestal de vervoerder) mogen daarbij een omschrijving of verwijzing gebruiken zonder de plaats explciet te noemen. Uit de woorden 'met name genoemde plaats' volgt niet dat bijv. een `principal place of business' clausule niet geldig is.16 Voor de ontvanger/derde houder van het cognossement dient op basis van het cognossement duidelijk kenbaar te zijn welke rechter in de staat van de vervoerder of de staat van de ontvanger (derde cognossementhouder) op grond van de forumkeuze (exclusief) aangewezen is.17 Bij een `principal place of business' clausule zal dus duidelijk uit de tekst van het cognossement moeten blijken wie de vervoerder is en waar deze plaats is gelegen zonder dat deze plaats expliciet behoeft te worden genoemd.18 Het gaat er dus om dat bij de beantwoording van de vraag of het gerecht op grond van de forumkeuze in het cognossement bevoegd is, de rechter kan volstaan met een onderzoek van het cognossement zonder andere bronnen te raadplegen of verdere navorsingen te doen. De rechter mag geen rekening te houden met omstandigheden die voor de ontvanger/ derde houder niet kenbaar zijn uit het cognossement.19 Het is voorts niet toegestaan om slechts een staat te noemen zonder een plaats (bijv. 'the court in the Peoples Republic of China.') .20
De door art. 629 lid 2 sub a Rv verplichte aanwijzing van een gerecht van de staat waar de vervoerder woonplaats heeft, zou ertoe kunnen leiden dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over het gekozen gerecht. Het is immers goed denkbaar dat verschillende bij het vervoer betrokken partijen naar Nederlands recht zijn aan te merken als vervoerder (vgl. art. 8:461 BW). De Hoge Raad aanvaardt dat — bij toepasselijkheid van Nederlands recht — sowieso de partij wiens formulier voor het cognossement is gebruikt vervoerder is in de zin van art. 629 lid 2 sub a Rv, omdat deze partij als vervoerder wordt beschouwd krachtens art. 8:461 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft daarnaast de mogelijkheid opengelaten dat ook andere vervoerders van art. 8:461 BW vervoerder zijn in de zin van art. 629 lid 2 sub a Rv, zoals de partij door of namens wie het cognossement is ondertekend. Art. 629 lid 2 sub a Rv stelt in zoverre geen beperkingen.21 Vervoerder lijkt bij toepasselijkheid van Nederlands recht iedere vervoerder in de zin van art. 8:461 BW te kunnen zijn.22 Wel zal uit het cognossement dienen te blijken welke vervoerder in het kader van de forumkeuze is bedoeld.23 Is dat niet duidelijk, dan is de forumkeuze niet rechtsgeldig omdat niet duidelijk is welke 'principal place of business' is bedoeld.24 Bij toepasselijkheid van een ander recht, dient mijns inziens hetzelfde te worden aangenomen: naar het toepasselijke recht dient één van de (juridische) vervoerders woonplaats te hebben (als er meer dan één is) in de staat van de gekozen rechter.
Art. 629 lid 2 sub a Rv is derhalve strenger dan art. 23 EEX-V°/17 Verdrag. De laatste bepaling vereist niet dat de forumkeuze zodanig is geformuleerd dat louter op grond van de bewoordingen van de forumkeuze reeds kan worden bepaald welk gerecht bevoegd is. Art. 23 EEX-V°/17 Verdrag vereist slechts dat (i) de forumkeuze objectieve elementen bevat op basis waarvan partijen overeenstemming hebben bereikt en die (ii) de geadieerde rechter in staat stellen te bepalen of hij bevoegd is.25 Voorts laat art. 629 lid 2 sub a Rv niet toe dat partijen de gerechten van een staat aanwijzen, omdat dan geen gerecht van een plaats maar van een staat is aangewezen.
De tweede uitzondering heeft betrekking op de vorm van de forumkeuze in een cognossement (art. 629 lid 2 sub b Rv). Partijen hebben een ruimere aanwijzingsbevoegdheid dan onder art. 629 lid 2 sub a Rv, maar dienen een bijzonder vormvoorschrift in acht te nemen. De forumkeuze dient te zijn neergelegd in een afzonderlijk, niet naar algemene voorwaarden verwijzend geschrift. Dit vormvereiste is strenger dan het vormvereiste van art. 8 lid 5 Rv en 629 lid 2 sub a Rv. Daartegenover staat dat partijen een ruimere aanwijzingsbevoegdheid hebben. Voor de interpretatie van een 'afzonderlijk geschrift' kan mijns inziens geen aansluiting worden gezocht bij art. I lid 2 Protocol dat een uitdrukkelijke en bijzondere aanvaarding van een forumkeuze vereist, indien een partij bij de forumkeuze woonplaats in Luxemburg heeft.26 Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de forumkeuze ex art. I lid 2 Protocol niet in een afzonderlijk stuk behoeft te zijn opgenomen.27 Art. 629 lid 2 sub b Rv vereist dat de forumkeuze in een apart document voorkomt. Indien de forumkeuze is gedrukt in het cognossement, voldoet de forumkeuze derhalve niet aan de voorgeschreven vorm. Het afzonderlijke document moet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een forumkeuze bevatten. Zijn in het afzonderlijke document ook andere bepalingen opgenomen, dan voldoet de forumkeuze niet aan de voorgeschreven vorm. Het gaat erom dat de afzender de volle aandacht heeft gehad voor de forumkeuze. In de praktijk zal dat vermoedelijk maar zelden het geval zijn.
Het Belgische commune internationaal privaatrecht gaat ervan uit dat de afzender is gebonden aan een forumkeuze in een cognossement, indien hij het cognossement zonder protest in ontvangst neemt van de vervoerder.28 De forumkeuze is ook na de invoering van de art. 6 en 7 WIPR vormvrij, omdat art. 91 Zeewet de forumkeuze blijft beheersen. Binnen de grenzen die art. 91 Zeewet stelt, kan een forumkeuze in een cognossement leiden tot prorogatie en derogatie van de rechtsmacht van de Belgische gerechten. In de WIPR is geen bijzondere bepaling opgenomen over een forumkeuze in een cognossement, zodat de art. 6 en 7 WIPR de forumkeuze in een cognossement beheersen. Daarnaast blijft art. 91 Zeewet van toepassing door het bepaalde in art. 2 WIPR dat bepaalt dat bijzondere regels door de WIPR onverlet worden gelaten.