Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.5.1
2.5.1 Informatierechten als uitkomst van een belangenafweging
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971881:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 215 e.v., met verwijzingen aldaar.
Onder de common law wordt de zogeheten ownership theory gezien als een fundament voor informatierechten van aandeelhouders. Zie hierover ook Jeffries 2011, p. 1099-1100: “Under the ownership theory, shareholders are recognized as the beneficial owners of the corporation’s assets. Even though the shareholders and the corporation are legally separate from one another – actual title to the property of the corporation is vested in the name of the corporation itself and not the shareholders – the shareholders are still viewed as having underlying ownership of the corporation’s asset. Courts applying this theory find that a shareholder who asks to inspect the books and records of the corporation is essentially asking to inspect that which is already his.” Voor een illustratieve toepassing van dit ‘afgeleide’ eigendomsrecht verwijs ik naar Parsons v. Jefferson-Pilot Corp., 426 S.E.2d 685 (N.C. 1993), waarin de North Carolina Supreme Court onder meer overwoog dat “a shareholder’s right to inspect a corporation’s books and records is only the right to inspect and examine that which is his own”. Zie voorts Thomas 1996, p. 335-336; en Geis 2019, p. 416 e.v.
Zie Handboek 2013, nr. 203.1. Vgl. Sanders 1968, p. 61-62 voor een bespreking van Duitse literatuur waarin hetzelfde standpunt is verdedigd.
Zie HR 21 januari 1955, NJ 1959/43 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Forumbank).
Anders: Rb. Arnhem 16 juni 1942, NJ 1943/167 (Ter Horst q.q./Bouman), waarin is overwogen dat “de hoogste macht binnen de N. V. niet bij het bestuur, maar bij de gezamenlijke aandeelhouders ligt en de boeken der N. V. dan ook voor ieder van hen mede zijn boeken zijn.”, waarover ook Rutgers (diss.) 1949, p. 230-231. Die benadering is inmiddels achterhaald, zie par. 8.2.3.3 hierna.
Zie Van der Korst (diss.) 2007, p. 162. Vgl. Arendsen de Wolff (diss.) 1976, p. 33 e.v.
Zoals toegelicht in par. 2.2 hiervoor, beperkt het zwaarwichtig belang-criterium ook andere informatierechten. Overigens past een dergelijke beperking van informatierechten van aandeelhouders ook goed binnen het wettelijk systeem, nu ook andere aandeelhoudersrechten op deze wijze worden begrensd (vgl. Kemp 2019a, p. 88).
Aldus ook Timmerman 1988, p. 319. Betoogd kan overigens worden dat dit geldt voor het gehele privaatrecht, zie Van der Grinten 1965, p. 155 e.v.
Artikel 2:107/217 lid 2 BW, waarover uitvoerig hoofdstuk 4 hierna.
Artikel 2:120/230 lid 4 BW.
Zie in het kader van het artikel 2:107/217 lid 2 BW Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 6 onder b; Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:107, aant. 5; en Den Boogert 1997.
Zie par. 2.4.2 hiervoor.
Zie artikel 2:129/239 lid 5 BW en artikel 2:140/250 lid 2 BW voor bestuurders respectievelijk commissarissen.
Zie hierover uitgebreid Kemp (diss.) 2015, p. 168 e.v., met enige nuancering. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 10 februari 2022, JOR 2022/147 m.nt. B. Kemp (Funda), r.o. 4.36: “Een aandeelhouder mag bij de uitoefening van zijn rechten in beginsel zijn eigen belang tot richtsnoer nemen, waarbij de aandeelhouder zich wel moet gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW) Wat de redelijkheid en billijkheid vorderen, hangt af van de omstandigheden van het geval.” De Hoge Raad heeft een cassatieberoep tegen deze beschikking verworpen (HR 22 september 2023, JOR 2024/1 m.nt. E.C.H.J. Lokin (Funda)).
Vgl. Druey 2009, p. 260.
Zie ook HR 10 februari 2023, JOR 2023/119 m.nt. B. Kemp (Cordial III), r.o. 3.4.4 en 3.4.5, waaruit volgt dat de rechtspersoon een zelfstandig belang erbij heeft dat de uit artikel 2:8 BW voortvloeiende gedragsnormen op juiste wijze zijn of worden nageleefd, ook waar dat ziet op de bescherming van minderheidsaandeelhouders.
Zie in dit verband ook De Jongh (diss.) 2014, p. 526 e.v.; en Kemp (diss.) 2015, p. 526 e.v. Ik wijs ter illustratie op Hof Amsterdam (OK) 10 februari 2022, JOR 2022/147 m.nt. B. Kemp (Funda), r.o. 4.36 e.v., waarin de Ondernemingskamer onder meer overweegt: “In de gegeven omstandigheden brengt de op grond van artikel 2:8 BW op NVM Holding c.s., als (middellijk) meerderheidsaandeelhouders rustende zorgvuldigheidplicht mee dat zij Funda, STAK Funda en de certificaathouders niet langer in het ongewisse mogen laten en dat zij een heldere keuze maken over de toekomst van de aandeelhoudersstructuur, de positie van Funda en een mogelijke exit voor de certificaathouders.” (r.o. 4.38). In cassatie is dit oordeel bevestigd (zie HR 22 september 2023, JOR 2024/1 m.nt. E.C.H.J. Lokin (Funda), r.o. 3.8-3.9). In zijn annotatie onder JOR 2022/147 wijst Kemp erop dat de Ondernemingskamer indirect oordeelt dat “dat een grootaandeelhouder een beslissende invloed mag hebben op strategische beslissingen (in ieder geval in bepaalde omstandigheden), maar dat daaraan wel een verantwoordelijkheid is verbonden”.
Dat brengt mij bij de positie van de aandeelhouder. Uit de hiervoor omschreven functiescheiding en bevoegdheidsverdeling volgt reeds dat kapitaalverschaffers in beginsel geen toegang hebben tot informatie van de vennootschap. Uitsluitend het bestuur beschikt over die informatie in het kader van zijn leidinggevende functie.
Het voorgaande sluit aan bij de institutionele benadering van de vennootschap. De aandeelhouder staat in een lidmaatschapsverhouding tot de vennootschap.1 Aan deze lidmaatschapsverhouding ontleent de aandeelhouder echter niet het recht om te beschikken over het vermogen van de vennootschap en hij wordt evenmin gezien als (indirect) eigenaar van de vennootschap. De aandeelhouder kan derhalve geen aanspraak maken op informatie van de vennootschap uit hoofde van enig (‘afgeleid’) eigendomsrecht met betrekking tot die informatie.2 Het voorgaande brengt bijvoorbeeld ook mee dat de aandeelhouder geen bezichtigingsrecht heeft, dat hem toegang zou verschaffen tot de kantoren of fabrieken van de vennootschap anders dan ter kennisneming van aldaar ter inzage gelegde stukken.3 Voorts bestaat, als gezegd, tussen de verschillende organen van de vennootschap (en hun leden) geen hiërarchische relatie.4 De aandeelhouders ontlenen dus ook geen algemeen informatierecht aan een bijzondere machtspositie binnen de vennootschap.5 Aandeelhouders hebben kortom niet zonder meer recht op toegang tot informatie van de vennootschap.
De toegang van aandeelhouders tot informatie van de vennootschap dient derhalve te worden bepaald aan de hand van een belangenafweging. Van der Korst heeft informatierechten van aandeelhouders geduid als de resultante van de afweging tussen de vermogensrechtelijke- en zeggenschapsbelangen van aandeelhouders enerzijds en het belang van de vennootschap bij geheimhouding anderzijds.6 Deze benadering past bij de hiervoor geschetste belangenafweging die ten grondslag ligt aan transparantieplichten van de vennootschap. Het informatierecht van aandeelhouders begint derhalve daar waar de aandeelhouder een voldoende en redelijk belang heeft bij de informatie en eindigt daar waar een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen informatieverstrekking verzet.7 In de navolgende hoofdstukken zal ik enkele richtsnoeren bieden voor het maken van deze belangenafweging.
In het algemeen biedt artikel 2:8 BW de wettelijke grondslag voor deze belangenafweging en daarmee het informatierecht van aandeelhouders. In bepaalde gevallen blijkt het informatierecht echter uitdrukkelijk uit de wet. Ik zou menen dat een dergelijke lex specialis in wezen strekt tot codificatie van de uitkomst van de onderliggende belangenafweging.8 Ik denk dan met name aan het recht op inlichtingen,9 maar andere voorbeelden zijn het recht op inzage in het aandeelhoudersregister10 en het recht op inzage in de besluitenlijst van de algemene vergadering.11 Ook bij deze ‘gecodificeerde’ wettelijke informatierechten speelt artikel 2:8 BW echter een rol. De aandeelhouder zal zich derhalve steeds redelijk en zakelijk moeten opstellen bij de uitoefening van zijn informatierechten.12
Deze belangenafweging zal voor aandeelhouders anders uitpakken dan voor commissarissen.13 Aandeelhouders vervullen een wezenlijk andere rol binnen het vennootschappelijk bestel dan commissarissen, en staan met name in open verhoudingen op meer afstand van de vennootschap. Belangrijker nog is dat de belangen van aandeelhouders wezenlijk kunnen afwijken van die van de vennootschap en dat algemeen is aanvaard dat individuele aandeelhouders – anders dan leden van de vennootschapsleiding14 – in beginsel niet zijn gehouden zich te richten naar het vennootschappelijk belang bij de uitoefening van hun wettelijke en statutaire bevoegdheden.15 Meer dan bij de informatieverstrekking aan commissarissen, bestaat derhalve een reëel risico op botsende belangen16 en benadeling van de vennootschap bij informatieverstrekking aan aandeelhouders. Deze hogere drempel voor de toegang van aandeelhouders tot informatie van de vennootschap brengt mee dat commissarissen veelal een informatievoorsprong zullen hebben op de aandeelhouders. Dat is gerechtvaardigd en past binnen het Nederlandse vennootschapsmodel.
Indien aandeelhouders geen toegang zouden krijgen tot informatie van de vennootschap, zijn de rechten verbonden aan hun aandelen echter zinledig. De algemene vergadering en individuele aandeelhouders zouden dan niet in staat zijn hun rechten en bevoegdheden op geïnformeerde wijze uit te oefenen en de checks and balances binnen de vennootschap zouden worden uitgehold. Het is in het belang van de vennootschap dat de algemene vergadering behoorlijk functioneert en dat voldoende zorg wordt betracht jegens haar (minderheids)aandeelhouders.17 Daarbij komt dat van de aandeelhouder onder omstandigheden ook een zekere verantwoordelijkheid jegens de vennootschap kan worden verwacht.18 Ook dan is het in het belang van de vennootschap als de aandeelhouder op geïnformeerde wijze zijn verantwoordelijkheid kan nemen en weloverwogen keuzes kan maken.
Onder omstandigheden zal het aandeelhoudersbelang derhalve in belangrijke mate parallel lopen aan het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming waar het ziet op (het geven van) toegang tot informatie. Dat nuanceert de hiervoor omschreven belangenafweging; in dergelijke gevallen is een ruim informatierecht op zijn plaats.