Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/7:Hoofdstuk 7 Belangrijkste conclusies en aanbevelingen
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/7
Hoofdstuk 7 Belangrijkste conclusies en aanbevelingen
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS302488:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk vermeld ik onder verwijzing naar de betreffende paragraaf puntsgewijze mijn belangrijkste conclusies en aanbevelingen.
Hoofdstuk 1. Inleiding
Art. 2:11 BW maakt een inbreuk op de basisgedachte in ons (rechtspersonen)recht dat slechts de rechtspersoon zelf aansprakelijk is voor zijn nalaten en zijn daden. Art. 2:11 BW betekent een aanzienlijke aantasting van de bescherming die de rechtspersoonlijkheid normaliter biedt (par. 1.1).
Art. 2:11 BW stamt al uit 1987. Niettemin is het nog altijd een belangrijk wetsartikel in het kader van de aanpak van misbruik van rechtspersonen (par. 1.1).
Hoe groter de reikwijdte van (onderdelen van) art. 2:11 BW is, des te groter is de kans dat ook de tweedegraads bestuurder struikelt of zelfs – in het uiterste geval (ingeval hij zich niet kan disculperen) – ten valt komt (par. 1.2).
Art. 2:11 BW betreft in wezen niet meer dan een “doorgeefluik van aansprakelijkheid”. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder wordt als het ware via het luikje van art. 2:11 BW doorgegeven aan de bestuurder(s) van die rechtspersoon-bestuurder (par. 1.5).
De abstractietheorie betreft een denkraam met behulp waarvan men de belangrijkste (uitleg)vragen die zich in het kader van art. 2:11 BW aandienen op systematische wijze kan beantwoorden (par. 1.8).
Bij een strikte toepassing van de abstractietheorie zou naar mijn mening in art. 2:11 BW het woord “hoofdelijk” geschrapt kunnen worden (par. 1.8).
Hoofdstuk 2. Algemeen kader van art. 2:11 BW
De rechtspersoon is mijns inziens gÉÉn fictie. Indien de rechtspersoon een fictie zou zijn, dan zou men de rechtspersoon als een mens beschouwen. De rechtspersoon mag echter juist niet met de mens gelijkgesteld worden. In de rechtspersoon wordt het persoonsbegrip losgemaakt van de mens, althans in abstracte zin (par. 2.2.1).
Ten aanzien van de vereniging en de stichting is in de wet geen verbod opgenomen om een rechtspersoon tot commissaris te benoemen. Mijns inziens moet een dergelijke benoeming naar huidig recht dan ook mogelijk zijn, al realiseer ik mij dat een dergelijke benoeming wel enige complicaties met zich kan brengen (zo geldt art. 2:11 BW niet voor de tweedegraads bestuurder van die rechtspersoon-commissaris). Overigens geldt dat art. 2:11 lid 1 BW van het voorstel van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen bepaalt dat de raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen (par. 2.2.5).
Bij de figuur van de commissaris is de wetgever – vanwege het belang dat werd gehecht aan de persoonlijke taakvervulling – zover gegaan dat uitdrukkelijk bepaald is dat de raad van commissarissen slechts uit natuurlijke personen kan bestaan. Men kan zich echter eveneens op het standpunt stellen dat de functie van bestuurder niet past bij een rechtspersoon. Ook de bestuursfunctie dient namelijk uiteindelijk door natuurlijke personen te worden vervuld (par. 2.2.7.2.5).
Slechts de rechtspersoon-bestuurder kan de bevoegdheid van bestuurder van de bestuurde rechtspersoon uitoefenen. Die rechtspersoon-bestuurder wordt daarbij op zijn beurt vertegenwoordigd door de tweedegraads bestuurders. Afzonderlijke tweedegraads bestuurders zijn mijns inziens niet als zodanig direct vertegenwoordigingsbevoegd in de bestuurde rechtspersoon (par. 2.2.7.2.6).
Sommigen achten beperkingen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de tweedegraads bestuurders in de statuten van de bestuurde rechtspersoon verdedigbaar. Ik deel die visie niet. Vertegenwoordigingsbevoegdheid is namelijk in beginsel onbeperkt en onvoorwaardelijk. Niet valt in te zien hoe een statutaire bepaling van de bestuurde rechtspersoon met werking tegenover derden kan tornen aan de wettelijke en statutaire regeling van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de rechtspersoon-bestuurder (par. 2.2.7.2.6).
Hoofdstuk 3. Algemene opmerkingen inzake art. 2:11 BW
De aansprakelijkheid via art. 2:11 BW kwalificeer ik onder meer als een vorm van “indirecte bestuurdersaansprakelijkheid” (par. 3.3.1).
Bij de doorbraak die plaatsvindt op grond van art. 2:11 BW blijft naar mijn mening bij elk van de tweedegraads bestuurders ruimte voor verweren die aansprakelijkheid beperken of zelfs geheel uitsluiten. Het betreft vaak verweren die de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder blijkbaar – anders komen we niet eens toe aan vragen omtrent aansprakelijkheid van tweedegraads bestuurders – niet hebben gebaat. In dit opzicht worden de eerstegraads en tweedegraads (rechtspersoon-)bestuurders niet vereenzelvigd. In zoverre kan men art. 2:11 BW wellicht beter omschrijven als “een wettelijke vorm van beperkte doorbraak van aansprakelijkheid” (par. 3.3.2).
Alle (rechtspersoon-)bestuurders in de verticale lijn van bestuurders zijn in beginsel aansprakelijk indien sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder. Een bestuurder kan in Nederlandse verhoudingen – afhankelijk van het aantal bestuurslagen – heel diep kan vallen. Tussenschakeling van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder kan de val van de bestuurder breken of – in elk geval – verzachten (par. 3.6.3).
Men kan stellen dat de aansprakelijkheid via art. 2:11 BW van de tweedegraads bestuurder een “kwalitatief karakter” heeft. Daarnaast kan men mijns inziens spreken van een “quasi-afgeleide” aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder (par. 3.6.5).
Er is mijns inziens geen sprake van subsidiariteit ten opzichte van de bestuurde rechtspersoon. Van een subsidiariteit tussen (de aansprakelijkheid van de) eerstegraads en tweedegraads bestuurders is naar mijn mening evenmin sprake (par. 3.7).
De aansprakelijkheid “via” art. 2:11 BW rust hoofdelijk op de eerstegraads en de tweedegraads bestuurders. Of de draagplicht rust bij de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder of bij de tweedegraads bestuurder(s) is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De draagplicht zal mijns inziens in beginsel op de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder rusten (par. 3.8.2).
Het gevolg van de in art. 2:11 BW vermelde hoofdelijkheid is mijns inziens dat de tweedegraads bestuurder die meer vergoedt dan het deel dat hem in de onderlinge verhouding met de eerstegraads bestuurder en eventuele overige tweedegraads bestuurders aangaat, in beginsel een regresrecht heeft jegens de eerstegraads bestuurder Én de andere tweedegraads bestuurders. Mijns inziens behoort men in een dergelijk geval “terug te grijpen” op de regeling opgenomen in Boek 6 Titel 1 Afdeling 2 BW (“Pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid”), doch niet op art. 2:9 BW (par. 3.8.3).
In de MvA is opgemerkt dat uit het in art. 2:11 BW opgenomen woordje “tevens” afgeleid dient te worden dat de aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurders gelijk is aan die van de eerstegraads bestuurder. Dat zou insluiten dat tweedegraads bestuurders zich kunnen disculperen. Ik lees het woordje “tevens” anders, namelijk als verwijzend naar de aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder. Blijkbaar kan die zich niet disculperen. Anders zou die eerstegraads bestuurder niet aansprakelijk blijken te zijn en komt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder(s) niet in beeld (par. 3.9.1.4).
Gelet op het feit dat alle bestuursdaden ten opzichte van de bestuurde rechtspersoon en derden onder verantwoordelijkheid van het tweedegraads bestuur plaatsvinden en het tweedegraads bestuur daarvoor in beginsel aansprakelijk is, is het mijns inziens alleszins redelijk dat voor tweedegraads bestuurders een overeenkomstige disculpatiemogelijkheid openstaat als voor eerstegraads bestuurders (par. 3.9.1.4).
Door toepassing van de abstractietheorie worden tweedegraads bestuurders voor toepassing van aansprakelijkheidsbepalingen als eerstegraads bestuurders beschouwd. Indien een tweedegraads bestuurder eerstegraads bestuurder zou zijn geweest, zouden voor die bestuurder mogelijkerwijze disculpatiemogelijkheden hebben gegolden. Die disculpatiemogelijkheden dienen ook te gelden voor de tweedegraads bestuurder (par. 3.9.1.4).
Het uitgangspunt van de abstractietheorie rechtvaardigt het mijns inziens om de matigingsbevoegdheid van artt. 2:138/248 lid 4 BW – met inachtneming van de daarin gestelde eisen – eveneens op de via art. 2:11 BW aansprakelijke tweedegraads bestuurder(s) toe te passen (par. 3.9.2).
Mijns inziens is de quasi-Pauliana van art. 2:138/248 lid 9 BW niet een aansprakelijkheid verhogende bepaling. In dat artikellid is sprake van een “aansprakelijkheid plus”-situatie. Wil men de quasi-Pauliana toepassen op tweedegraads bestuurders, dan zal een toevlucht gezocht dienen te worden tot een ruime uitleg van het begrip “bestuurder” in dat artikel. Art. 2:11 BW is daarvoor mijns inziens niet het juiste middel (par. 3.9.3).
Het feit dat aan een rechtspersoon als bijvoorbeeld DNB “publiekrechtelijke aspecten” kleven, brengt mijns inziens niet direct mee dat een dergelijke rechtspersoon kwalificeert als een publiekrechtelijke rechtspersoon. Naar mijn mening dient in het kader van de rechtszekerheid behoudens wettelijke afwijkingen uitgegaan te worden van toepasselijkheid van Boek 2 BW op die rechtspersoon (par. 3.10.1).
Gelet op het feit dat art. 2:2 lid 2 tweede volzin BW uitdrukkelijk melding maakt van het van overeenkomstige toepassing verklaren van de artikelen van Titel 1 Boek 2 BW (met uitzondering van art. 2:5 BW), terwijl art. 2:1 BW die mogelijkheid van het van overeenkomstige toepassing verklaren voor publiekrechtelijke rechtspersonen niet vermeldt, lijkt overeenkomstige toepassing van art. 2:11 BW op de in art. 2:1 BW bedoelde rechtspersonen te zijn uitgesloten (par. 3.10.2).
Art. 2:3 BW bepaalt dat verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen rechtspersoonlijkheid bezitten. Het gaat hierbij in beginsel om twee rechtsvormen: verenigingen en stichtingen, waarbij de kapitaalvennootschappen in feite niets anders zijn dan verenigingen van kapitaalverschaffers (par. 3.10.3).
Art. 2:11 BW heeft betrekking op de rechtspersoon die bestuurder is van een andere rechtspersoon. Art. 2:11 BW is derhalve niet van toepassing indien sprake is van een rechtspersoon die vennoot is van een personenvennootschap. Een personenvennootschap is een overeenkomst. Ook bij de rederij komt art. 2:11 BW niet in beeld. De rederij is namelijk geen rechtspersoon (art. 8:160 lid 2 BW) (par. 3.11.1).
Indien een personenvennootschap bestuurder is van een rechtspersoon, dan is art. 2:11 BW op grond van (de letter van) de wet niet van toepassing. Mocht het echter zo zijn dat van de tot bestuurder van een rechtspersoon benoemde personenvennootschap – wat daar ook van zij – ten minste ÉÉn rechtspersoon (beherend) vennoot is, dan dient men art. 2:11 BW wel degelijk van toepassing te achten op die rechtspersoon, althans op de bestuurders van die rechtspersoon (par. 3.11.2).
In de doctrine treft men soms de visie aan dat art. 2:11 BW analogisch kan worden toegepast ingeval sprake is van een personenvennootschap die bestuurder is van een rechtspersoon. Indien men art. 2:11 BW zonder wettelijke grondslag gaat toepassen op andere rechtsfiguren, komt de rechtszekerheid in gevaar. Om die reden ben ik een tegenstander van die analogische toepassing (par. 3.11.3).
Hoofdstuk 4. De personele reikwijdte van art. 2:11 BW
Art. 2:138/248 lid 7 BW stelt ook het mede bepalen van het beleid gelijk met formeel bestuur. Voor een kwalificatie als “(mede-)beleidsbepaler” hoeft het bestuur derhalve niet terzijde te zijn gesteld (par. 4.5.2).
Ik bepleit het opnemen in de wet van een beperkt, weerlegbaar bewijsvermoeden voor de kwalificatie als (eerstegraads) (mede-)beleidsbepaler. Daardoor wordt de kans van slagen vergroot om op objectieve gronden op grond van artt. 2:138/248 BW eerstegraads (mede-)beleidsbepalers aansprakelijk te kunnen houden. Via art. 2:11 BW kunnen vervolgens de formeel bestuurders van die eerstegraads (mede-)beleidsbepalers aansprakelijk worden gehouden (par. 4.5.4).
Bij voormeld bewijsvermoeden ga ik in beginsel uit van toepasselijkheid op een “moedermaatschappij”. Ik zie echter niet in waarom dat bewijsvermoeden niet ook op natuurlijke personen betrekking zou kunnen hebben, temeer daar om tot een aansprakelijkheid op grond van artt. 2:138/248 BW te kunnen komen, nog steeds aan de overige eisen gesteld in die artikelen voldaan dient te worden. Ook voor die situatie doe ik een voorstel (par. 4.5.4).
Bij het weerlegbare bewijsvermoeden zou tevens – wat natuurlijke personen betreft – aangeknoopt kunnen worden bij de UBO-omschrijving. Voordeel van het aanknopen bij de UBO-omschrijving is dat niet alleen met het aandeelhouderschap rekening gehouden wordt, maar tevens met bijvoorbeeld de mogelijkheid om stemrechten uit te oefenen in de algemene vergadering (par. 4.5.4).
De Hoge Raad heeft zich in zijn arresten inzake Montedison en Lammers- Aerts beperkt tot de bestuurdersaansprakelijkheid ex artt. 2:138/248 lid 7 BW. Ik zie niet in waarom in gevallen waarin een (mede-)beleidsbepaler een andere vorm van aansprakelijkheid op de hals heeft gehaald niet hetzelfde zou dienen te gelden als ten aanzien van de (mede-)beleidsbepaler bedoeld in art. 2:138/248 lid 7 BW. Het gaat namelijk om dezelfde rechtsfiguur (par. 4.8.3).
Men dient terughoudend te zijn om een fictie als die van art. 2:151/261 BW zodanig ruim uit te leggen dat ook formeel bestuurders van de rechtspersoon-“quasi-bestuurder” aansprakelijk zijn. Men dient echter niet uit het oog te verliezen dat art. 2:151/261 BW niet voor niets de betreffende “quasi- bestuurder” over ÉÉn kam scheert met de formeel bestuurder. Voorkomen dient te worden dat misbruik wordt gemaakt van/via deze rechtspersoon- quasi-bestuurder (par. 4.9.2).
Mijns inziens gaat het te ver om art. 2:11 BW – dat uitdrukkelijk is geschreven voor bestuurders – van toepassing te achten op situaties waarin sprake is van aandeelhouders. Dat ligt mijns inziens slechts anders indien en voor zover een aandeelhouder te kwalificeren is als (mede-)beleidsbepaler in de zin van (bijvoorbeeld) art. 2:248 lid 7 BW (par. 4.9.3).
De tweedegraads niet uitvoerende bestuurder is een (formeel) bestuurder en zal mijns inziens – wat de aansprakelijkheid betreft – als een bestuurder en niet als een commissaris behandeld dienen te worden. De “bijzondere status” van de niet uitvoerende bestuurder brengt mijns inziens wel mee dat hij zich in voorkomend geval wellicht eerder zal kunnen disculperen (par. 4.10.2).
De personele reikwijdte van art. 2:11 BW is ruim. De eerstegraads en tweedegraads formeel bestuurder, de eerstegraads (mede-)beleidsbepaler en de eerstegraads quasi-bestuurder vallen onder de personele reikwijdte van art. 2:11 BW. De tweedegraads (mede-)beleidsbepaler en de tweedegraads quasi-bestuurder behoren mijns inziens niet onder die reikwijdte te vallen (par. 4.11 en 4.12).
Getalsmatig zijn er wellicht meer argumenten aan te voeren vóór het begrijpen van de figuur van de tweedegraads (mede-)beleidsbepaler onder de reikwijdte van art. 2:11 BW dan dat er tegenargumenten zijn. Argumenten moet men echter wegen, niet optellen. Die argumenten wegend, vraag ik mij af wat het praktisch nut is van het in theoretische zin onder de personele reikwijdte van art. 2:11 BW brengen van de figuur van de tweedegraads (mede-)beleidsbepaler. Ik vind de figuur van de tweedegraads (mede-)beleidsbepaler te onduidelijk – zo men wil: “te vaag” – om aan de aansprakelijkheid van een eerstegraads (mede-)beleidsbepaler, dan wel van een eerstegraads bestuurder automatisch het gevolg te verbinden dat die aansprakelijkheid eveneens op de figuur van de tweedegraads (mede-)beleidsbepaler komt te rusten (par. 4.11).
Indien een procedure gericht tegen eerstegraads en tweedegraads bestuurders wordt geschorst vanwege het faillissement van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, dient de rechter mijns inziens nog steeds – indien de vordering mede is gebaseerd op art. 2:11 BW – op inhoudelijke gronden een oordeel te vellen over de vraag of de eerstegraads rechtspersoon- bestuurder als bestuurder aansprakelijk is (par. 4.13.2).
Verschijnt de eerstegraads bestuurder in rechte, maar wordt tegen de tweedegraads bestuurder verstek verleend, dan kan de aansprakelijkheid via art. 2:11 BW van de tweedegraads bestuurder vastgesteld worden. Indien verstek verleend wordt tegen de eerstegraads bestuurder en de tweedegraads bestuurder verschijnt wel en voert verweer, dan zal het door de tweedegraads bestuurder gevoerde verweer in aanmerking genomen dienen te worden bij de beoordeling volgens het in art. 139 Rv voorgeschreven criterium (par. 4.14).
De verjaring van een rechtsvordering jegens de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder staat niet in de weg aan de veroordeling van de tweedegraads bestuurder, mits de vordering jegens laatstgenoemde niet verjaard is (par. 4.15).
Artt. 3:320 en 3:321 BW houden mijns inziens geen rekening met vorderingen die tegen tweedegraads bestuurders worden ingesteld. Men mag niet uit art. 2:11 BW afleiden dat in dergelijke gevallen de verlengingsgrond eveneens geldt. Art. 2:11 BW houdt namelijk slechts in dat aansprakelijkheid wordt “doorgelegd” naar de tweedegraads bestuurder. Niet minder, maar ook niet meer. Wil men tweedegraads bestuurders begrijpen onder het in art. 3:321 BW vermelde begrip “bestuurders”, dan kan men daartoe mijns inziens enkel komen door een ruime uitleg van dat begrip (par. 4.15).
De ontstaansgrond van de aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW is (mede) gelegen in het aan het faillissement voorafgaande kennelijk onbehoorlijk bestuur. Om die reden ben ik van mening dat onder “het moment van het ontstaan van de aansprakelijkheid” in dat verband niet slechts het moment van het faillissement zelf valt, maar tevens de aan dat faillissement voorafgaande periode van kennelijk onbehoorlijk bestuur (par. 4.18).
Art. 2:138/248 lid 6 BW geldt op grond van lid 7 van hetzelfde artikel naar mijn mening niet alleen voor formeel bestuurders, maar eveneens voor eerstegraads (mede-)beleidsbepalers. Art. 2:11 BW brengt met zich dat dezelfde aansprakelijkheid als die rust op de rechtspersoon-(mede-) beleidsbepaler rust op de tweedegraads bestuurder. Ook de bestuurder van de eerstegraads rechtspersoon-(mede-)beleidsbepaler die zijn taak onbehoorlijk vervult in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement is mijns inziens derhalve “via” art. 2:11 BW aansprakelijk te houden (par. 4.18).
Hoofdstuk 5. De normatieve reikwijdte van art. 2:11 BW
De normatieve reikwijdte van art. 2:11 BW is ruim. Die reikwijdte is niet beperkt tot de vormen van bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen in Boek 2 BW. De Hoge Raad heeft in zijn arrest Kampschöer/Le Roux bevestigd dat art. 2:11 BW eveneens betrekking heeft op buiten Boek 2 BW gelegen regelingen van bestuurdersaansprakelijkheid. Indien en voor zover de betreffende regelingen op hun beurt bijzondere regelingen voor de aansprakelijkheid van tweedegraads bestuurders bevatten, is de algemene regeling van art. 2:11 BW niet van toepassing op die regelingen (par. 5.8.3).
De (normatieve) reikwijdte van art. 2:11 BW zou te ver worden opgerekt indien dat artikel op de aansprakelijkheid ex art. 2:55 BW van toepassing zou zijn. In dit artikel gaat het om aansprakelijkheid van leden, niet van bestuurders (par. 5.5.4).
Art. 2:354 BW inzake het verhaal van kosten van een enquÊte valt mijns inziens niet onder de (normatieve) reikwijdte van art. 2:11 BW. Zelfs als men het niet bieden van verhaal al kwalificeert als aansprakelijkheid, dan nog is mijns inziens geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid. Wil men de onderhavige kosten verhalen op een tweedegraads bestuurder, dan kan dat wellicht bereikt worden door een ruime uitleg van het in art. 2:354 BW gehanteerde begrip “bestuurder” (par. 5.6.3).
Ik ben van mening dat de aansprakelijkheid ex art. 1:304 lid 1 BW onder de reikwijdte van art. 2:11 BW valt. Het betreft een sanctie die de wet aan een bestuurder oplegt in verband met het niet-naleven van in de wet neergelegde normen (door de bestuurde rechtspersoon) waardoor de doeleinden van deze normen zo veel mogelijk worden bereikt (par. 5.8.3.1).
Naar mijn mening dient art. 2:11 BW te gelden als de algemene regel waaraan de speciale bepalingen in het kader van de Tweede Misbruikwet derogeren. Wel geldt dat de (schakel)bepalingen in de Tweede Misbruikwet dermate ruim zijn geformuleerd dat ik vermoed dat hier wellicht gesleuteld wordt aan een theoretisch probleem (par. 5.8.3.2).
In het kader van de Algemene wet bestuursrecht en financiële wet- en regelgeving kunnen boetes opgelegd worden aan feitelijk leidinggevenden of opdrachtgevers. Hier is geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 2:11 BW is alleen al om die reden niet van toepassing (par. 5.8.3.3).
Toepasselijkheid van art. 2:11 BW op de Wft kan mijns inziens slechts aan de orde zijn indien en voor zover de Wft aan in die wet opgenomen regelingen privaatrechtelijke aansprakelijkheid voor bestuurders van rechtspersonen verbindt en ter zake niet zelf bepalingen bevat die expliciet, dan wel impliciet de toepasselijkheid van art. 2:11 BW uitsluiten (par. 5.8.3.3).
De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest Kampschöer/Le Roux dat de aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW van een eerstegraads rechtspersoon- bestuurder automatisch rust op de tweedegraads bestuurders (behoudens tegenbewijs). Dat gaat naar mijn mening te ver. Art. 2:11 BW betreft in feite niet meer dan een “doorgeefluik van aansprakelijkheid”. Het artikel heeft naar mijn mening een maatstaf-neutrale werking. Het betreffende artikel dient niet te tornen aan de collectieve, dan wel individuele aard van de bestuurdersaansprakelijkheid waarop dat artikel betrekking heeft. Art. 6:162 BW bevat een vorm van individuele aansprakelijkheid. Indien men de abstractietheorie toepast, abstraheert men van bestuurslagen. Ook ten aanzien van een tweedegraads bestuurder zal men aan dienen te tonen dat sprake is van onder meer persoonlijke ernstige verwijtbaarheid (par. 5.10.2).
Ten aanzien van de bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen in art. 2:216 BW geldt naar mijn mening – voor de toepassing van art. 2:11 BW – mutatis mutandis hetzelfde als mijns inziens met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen in art. 6:162 BW dient te gelden (par. 5.11.3).
Hoofdstuk 6. De internationale reikwijdte van art. 2:11 BW
De internationale reikwijdte van art. 2:11 BW is beperkt. Art. 2:11 BW is niet van toepassing indien een buitenlandse rechtspersoon eerstegraads bestuurder is van een Nederlandse bestuurde rechtspersoon. De val van een bestuurder wordt als het ware gebroken door de tussenschakeling van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder in de keten van bestuurders (par. 6.8).
Indien de buitenlandse rechtspersoon een (mede-)beleidsbepaler is van een Nederlandse rechtspersoon, dan kan zijn bestuurder mijns inziens niet aansprakelijk worden gehouden. Ook voor een buitenlandse rechtspersoon die formeel bestuurder is, geldt dat namelijk (par. 6.8).
Voor toepassing van art. 10:119 sub e. BW is het mijns inziens niet relevant op welke grondslag de bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd. Indien sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW dient mijns inziens niet gekeken te worden naar (de verwijzingsregels van) “Rome II”, maar naar de regeling van art. 10:119 BW (par. 6.9).
Art. 1 lid 2 aanhef en sub d. Rome II sluit “de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de leden van de organen voor de schulden van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon” van haar toepassingsgebied uit. Een bestuurder van een rechtspersoon die een onrechtmatige daad pleegt, is niet aansprakelijk voor de schulden van die rechtspersoon, maar voor eigen schulden. Niettemin dient naar mijn mening de onderhavige bepaling op dit punt ruim uitgelegd te worden. Gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid (ook die ex art. 6:162 BW) zijn van de reikwijdte van Rome II uitgesloten (par. 6.9).
Men dient niet allerlei gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid onder de reikwijdte van art. 4 Europese Insolventieverordening te scharen. Hoewel het HvJ EU in de Kornhaas/Dithmar-zaak wellicht een nieuwe richting inslaat, dient men mijns inziens ÉÉn enkele – niet al te duidelijke – uitspraak niet aan te grijpen om een (meer) algemene regel te formuleren (par. 6.10).
Indien andere redenen dan het voorkomen van doorbraak om de buitenlandse rechtspersoon als (eerstegraads) bestuurder in te voegen, ontbreken Én men kan dat (misbruik) aantonen, dan kan men het standpunt innemen dat art. 2:11 BW wel degelijk van toepassing is. Er dient in dat geval als het ware geabstraheerd te worden van art. 10:119 aanhef en sub e. BW (en daarmee het arrest D Group-Schreurs) (par. 6.11.2).
In het materiële recht hoeft niets aan toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking in de weg te staan. Wat de conflictenrechtelijke wetsontduiking betreft, past het niet om het in overeenstemming met de incorporatieleer zijnde gebruik van de buitenlandse rechtspersoon als wetsontduiking te bestempelen. Daarbij komt dat de animus fraudandi zeer lastig aangetoond kan worden (par. 6.12).
Art. 10:6 BW biedt theoretisch gezien de mogelijkheid om de gevolgen van toepasselijkheid van het incorporatiestelsel buiten toepassing te verklaren. Art. 10:6 BW is echter gereserveerd voor gevallen van zeer excessief misbruik (par. 6.13).
Art. 2:11 BW is in beginsel van toepassing op de aansprakelijkheid van een bestuurder van een formeel buitenlandse vennootschap in de zin van de WFBV. Mijns inziens is art. 2:11 BW eveneens van toepassing op een dagelijks leidinggevende als bedoeld in art. 7 WFBV, mits het daarbij gaat om een rechtspersoon. Tegen de WFBV kan men echter een (groot) aantal bezwaren aanvoeren (par. 6.14).
Er lijkt geen reden aanwezig om aan te nemen dat 10:8 BW niet zou kunnen worden aangewend om het incorporatierecht buiten toepassing te laten in bepaalde gevallen (par. 6.15).
In de doctrine treft men de visie aan dat de rechtskeuze die (indirect) wordt gemaakt door oprichters van een rechtspersoon met een rechtskeuze in de zin van art. 10:8 lid 2 BW gelijk kan worden gesteld. Ik vind die visie te ver gaan (par. 6.15).
In de doctrine treft men de mening aan dat – indien en voor zover art. 10:8 lid 2 BW op extensieve wijze zou moeten worden uitgelegd – art. 10:8 BW lid 1 BW in voorkomend geval wel van toepassing zou kunnen zijn op de verhouding jegens derden, maar niet op “interne verhoudingen”. Ik geef de voorkeur aan een restrictieve uitleg van art. 10:8 lid 2 BW en kan niet direct een juridische basis vinden voor het voorgestelde onderscheid (par. 6.15).
Een beperking voor toepasselijkheid van art. 10:121 BW is dat de Nederlandse rechter alleen bevoegd is een faillissement uit te spreken indien de buitenlandse rechtspersoon in Nederland een kantoor heeft (art. 2 lid 4 Fw.). Heeft een buitenlandse rechtspersoon in Nederland een vaste inrichting (v.i.) zonder daadwerkelijk kantoor, dan is art. 10:121 BW mijns inziens niet van toepassing (par. 6.16).
Ik stel voor om in Boek 2 BW de figuur van de vaste vertegenwoordiger te introduceren. Op die wijze kunnen ook buitenlandse tweedegraads bestuurders aansprakelijk worden gehouden voor het handelen of nalaten van de (indirect) bestuurde rechtspersoon-bestuurder (par. 6.17).
Het HvJ EU interpreteert in het arrest Kornhaas/Dithmar de vrijheid van vestiging op formele wijze. Men dient echter terughoudend te zijn met het toekennen van een algemene strekking aan ÉÉn enkel arrest. De verplichting tot benoeming van een vaste vertegenwoordiger kan men mijns inziens als een beperking van de vrijheid van vestiging beschouwen. Mijns inziens is die beperking echter wel toegestaan (par. 6.17.5).
Het geniet mijn voorkeur om de benoeming van een vaste vertegenwoordiger slechts verplicht te doen zijn, indien en voor zover sprake is van een buitenlandse rechtspersoon die bestuurder van een Nederlandse rechtspersoon wenst te worden. Naar de letter van de wet(tekst) betekent een beperking tot enkel buitenlandse rechtspersonen wellicht discriminatie. Het gaat mijns inziens echter om de daadwerkelijke toepassing/ uitwerking van de beperking (par. 6.17.5).
Hoewel de (verdere) introductie van de figuur van de vaste vertegenwoordiger naar mijn mening een belangrijke stap betekent in de aanpak van misbruik door natuurlijke personen die (indirect) bestuurders zijn van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder, biedt die figuur geen oplossing voor alle problemen die (de beperkte internationale reikwijdte van) art. 2:11 BW met zich brengt (par. 6.17.7).
Gelet op het feit dat ik aan de vaste vertegenwoordiger geen daadwerkelijke bevoegdheden toeken, lijken me geen fiscale problemen te verwachten. Dat kan anders zijn indien en voor zover in de betreffende statuten (vergaande) bevoegdheden worden toegekend aan een dergelijke vaste vertegenwoordiger (par. 6.17.8).
Doel van art. 2:11 BW is het voorkomen dat een persoon door tussenschakeling van een door die persoon “gecontroleerde” rechtspersoon aansprakelijkheid ontloopt. Dat doel bereikt men niet ingeval een ander dan die persoon (bijvoorbeeld een werknemer) tot vaste vertegenwoordiger mag worden benoemd (par. 6.17.9.2).
Idealiter dienen naar mijn mening zoveel personen te worden benoemd tot vaste vertegenwoordigers als dat er natuurlijke personen zijn die – aan het einde van de keten van bestuurders – bestuurders zijn (par. 6.17.9.3).
Ik ben geneigd de vaste vertegenwoordiger in Nederland niet te belasten met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon-bestuurder. Het Nederlandse systeem van vertegenwoordiging van rechtspersonen functioneert mijns inziens dermate goed dat geen behoefte bestaat aan nog meer vertegenwoordigers (par. 6.17.9.4).
Ik heb er geen bezwaren tegen om in de wet te bepalen dat aan de vaste vertegenwoordiger geen vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt, tenzij de betreffende statuten anders bepalen. Bestuurders van de bestuurder- rechtspersoon dienen mijns inziens vertegenwoordigingsbevoegd te blijven (par. 6.17.9.4).