HR, 25-03-2011, nr. 10/01201
ECLI:NL:HR:2011:BP4335, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
25-03-2011
- Zaaknummer
10/01201
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BP4335
- Roepnaam
Cicek/Saleh
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Huurrecht / Algemeen
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP4335, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑03‑2011; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7117, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4335
ECLI:NL:PHR:2011:BP4335, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑02‑2011
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7117
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP4335
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑03‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑03‑2011
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte voor bepaalde tijd binnen periode van vijf jaar vanwege dringend persoonlijk duurzaam gebruik. Opzegging huurovereenkomst met betrekking tot bedrijfsruimte verliest haar werking niet zonder meer indien de in art. 7:295 lid 2 BW bedoelde vordering eerst wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009,272). In dat geval blijft de huurovereenkomst ingevolge de bijzondere bepalingen voor huur van bedrijfsruimte van rechtswege van kracht zolang de rechter nog niet onherroepelijk op de beëindigingsvordering heeft beslist. Geen analoge toepassing art. 7:230 BW.
25 maart 2011
Eerste Kamer
10/01201
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[Verweerder], handelende onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 710937 07-25587 van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 27 maart 2008 en 17 juli 2008;
b. het arrest in de zaak 200.015.647/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) [Eiser] is eigenaar van het pand [a-straat 1] te [plaats]. Hij heeft de bedrijfsruimte in dit pand (hierna: het gehuurde) met ingang van 1 juni 2002 aan [verweerder] verhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar. [Verweerder] exploiteert in het gehuurde een supermarkt en een slijterij.
(ii) Bij brief van 26 mei 2006 heeft [eiser] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2007. Als grond voor de opzegging heeft [eiser] aangevoerd dat hij het gehuurde persoonlijk duurzaam in gebruik wil nemen en het gehuurde daartoe dringend nodig heeft. [verweerder] heeft niet ingestemd met de huuropzegging.
(iii) [Eiser] vordert in deze procedure, waarin de inleidende dagvaarding aan [verweerder] is uitgebracht op 6 november 2007, op de voet van art. 7:295 lid 2 BW vaststelling van het tijdstip waartegen de huurovereenkomst zal eindigen en veroordeling van [verweerder] tot ontruiming van het gehuurde.
3.2 De kantonrechter heeft, na bewijslevering, de huurovereenkomst met ingang van 1 januari 2009 beëindigd en [verweerder] veroordeeld tot ontruiming. Het gerechtshof heeft de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen omdat het (in de rov. 5-10) de eerste grief van [verweerder] gegrond achtte. [Verweerder] betoogde daarin dat, nu [eiser] zijn vordering niet voor 1 juni 2007 heeft ingesteld, de opzegging zijn werking heeft verloren en daarmee de huurovereenkomst is verlengd met een aansluitende periode van vijf jaar, zodat de vorderingen van [eiser] dadelijk en zonder inhoudelijke beoordeling van de door hem aangevoerde opzeggingsgrond hadden moeten worden afgewezen.
3.3 De in de onderdelen I en II aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4 Onderdeel IIIb gaat terecht ervan uit dat de opzegging van een huurovereenkomst met betrekking tot bedrijfsruimte haar werking niet zonder meer verliest indien de in art. 7:295 lid 2 bedoelde vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd (zie HR 12 juni 2009, nr. 07/12219, LJN BI0070, NJ 2009/272). Het onderdeel klaagt dat het hof, dat in rov. 7 van
zijn arrest eveneens hiervan is uitgegaan, voor de beantwoording van de door de eerste appelgrief van [verweerder] aan de orde gestelde vraag of [eiser] tijdig zijn vordering heeft ingesteld, niettemin - en ten onrechte - (in rov. 8) aansluiting heeft gezocht bij de regeling van art. 7:230 BW. Deze klacht is gegrond.
3.5 Anders dan het hof oordeelde brengt de omstandigheid dat de verhuurder eerst na de datum waartegen is opgezegd een procedure begint waarin hij vaststelling vordert van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen, niet mee dat de verhuurder wordt vermoed van de beëindiging te hebben afgezien tenzij van een andere bedoeling blijkt. Na een opzegging door de verhuurder waarin de huurder niet schriftelijk heeft toegestemd, loopt de huurovereenkomst niet af op de dag waartegen is opgezegd, maar blijft die ingevolge de bijzondere voor huur van bedrijfsruimte geldende bepaling van lid 1 van art. 7:295 van rechtswege van kracht zolang de rechter nog niet onherroepelijk heeft beslist op de beëindigingsvordering van de verhuurder. De wet wijst geen termijn aan waarbinnen de verhuurder die vordering moet instellen. Bij dit een en ander past geen analoge toepassing van de algemene regeling van art. 7:230, die ziet op gevallen waarin een huurder het gehuurde na afloop van de huurovereenkomst met goedvinden van de verhuurder blijft gebruiken zonder dat zij daarover iets regelen. Het hof mocht de vorderingen van [eiser] dan ook niet afwijzen op de enkele grond dat [eiser] niet gesteld heeft dat hij tijdens de opzegtermijn door middel van concrete verklaringen of gedragingen aan [verweerder] duidelijk heeft gemaakt dat hij bij zijn opzegging, ook al had [verweerder] daarmee niet ingestemd, volhardde. In zoverre is ook onderdeel IIIa gegrond.
De onderdelen IIIc en IV behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 december 2009;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 483,11 aan voorschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 maart 2011.
Conclusie 04‑02‑2011
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1.
Deze zaak betreft een vordering tot vaststelling van het tijdstip waartegen een huurovereenkomst van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW is beëindigd en tot ontruiming van het gehuurde, ingesteld door de verhuurder nadat hij de huurovereenkomst had opgezegd op de grond dat hij het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en het verhuurde daartoe dringend nodig heeft. In cassatie gaat het om de vraag of de opzegging, nu de verhuurder zijn vordering niet heeft ingesteld vóór de datum waartegen is opgezegd, haar werking heeft verloren.
2.
De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1 en 2 van het arrest van het hof in verbinding met r.o. 1.1 t/m 1.4 van het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 maart 2008).
- (i)
Eiser tot cassatie, hierna: [eiser], verhuurt aan verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], met ingang van 1 juni 2002 bedrijfsruimte aan de [a-straat 1] te [plaats].
- (ii)
De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar.
- (iii)
Bij brief van 26 mei 2006 heeft [eiser] de huurovereenkomst opgezegd per 1 juni 2007. Als grond voor de opzegging heeft [eiser] aangevoerd dat hij het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en het verhuurde daartoe dringend nodig heeft.
- (iv)
[Verweerder] exploiteert in het gehuurde een supermarkt en een slijterij.
3.
Bij exploot van 6 november 2007 heeft [eiser] [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank 's‑Gravenhage, sector kanton, locatie 's‑Gravenhage, hierna: de kantonrechter, en gevorderd vaststelling van het tijdstip waartegen de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is beëindigd en veroordeling van [verweerder] tot ontruiming van het gehuurde.
4.
[Verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de vordering.
5.
Nadat de kantonrechter bij tussenvonnis van 27 maart 2008 [eiser] had toegelaten tot bewijs, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 17 juli 2008 de tussen [eiser] en [verweerder] gesloten huurovereenkomst met ingang van 1 januari 2009 beëindigd en [verweerder] veroordeeld om het gehuurde met ingang van 1 januari 2009 ontruimd op te leveren aan [eiser].
6.
[Verweerder] is van zowel het tussen- als het eindvonnis van de kantonrechter in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's‑Gravenhage. [Verweerder] voerde onder meer als grief aan dat, nu [eiser] zijn vordering niet heeft ingesteld vóór de datum waartegen is opgezegd, zijnde 1 juni 2007, de opzegging haar werking heeft verloren en daarmee de huurovereenkomst is verlengd met een volgende aansluitende periode van vijf jaar.
7.
Bij arrest van 15 december 2009 (gepubliceerd in WR 2010, 29 met noot A.R. de Jonge; zie ook N. Eeken, TvHB 2010, blz. 114/115) heeft het hof geoordeeld dat deze grief slaagt en, met vernietiging van de bestreden vonnissen van de kantonrechter, de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen.
8.
Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
- ‘7.
(…). Bij de beantwoording van de vraag of [eiser] tijdig zijn vordering heeft ingesteld, dient als uitgangspunt te worden gehanteerd dat de wet geen termijn stelt waarbinnen de verhuurder de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst dient in te stellen. Niet kan worden geoordeeld dat de opzegging van de huurovereenkomst zijn werking verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd (HR 12 juni 2009, NJ 2009/272). Van niet-ontvankelijkheid is dus geen sprake. Aan de andere kant vermeldt de wetsgeschiedenis dat, indien de verhuurder de gehele opzegtermijn zonder meer voorbij laat gaan, het aannemelijk is dat hij afziet van zijn wens tot beëindiging van de huur (NnavV, Kamerstukken II 2000/01, 26.932, nr 5, p. 8–9). Hieruit en ook uit de woorden ‘dringend nodig hebben voor eigen gebruik’ volgt dat de verhuurder het instellen van de voornoemde vordering niet onbeperkt kan uitstellen, nadat hij de opzeggingsbrief bedoeld in art. 7:293, lid 2, BW aan de huurder heeft verzonden.
- 8.
Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] tijdig zijn vordering heeft ingesteld zoekt het hof aanknoping bij de regeling van art. 7:230 BW voor de situatie dat de huurder na het einde van de huurovereenkomst ‘met goedvinden van de verhuurder het gehuurde behoudt’. In dat geval bestaat het wettelijk vermoeden dat wederinhuring heeft plaatsgevonden. Dit geldt echter niet als ‘van een andere bedoeling blijkt’. Het ligt niet voor de hand dat de wetgever heeft beoogd in art. 7:295 BW, dat de beëindiging betreft, een strengere maatstaf heeft willen aanleggen dan in het door art. 7:230 geregelde geval, dat de huurovereenkomst al geëindigd is. Als de verhuurder na de datum waartegen is opgezegd nog steeds geen vordering als bedoeld in art. 7:296 BW heeft ingesteld, heeft hij er kennelijk geen bezwaar tegen dat de huurder ook na de dag waartegen is opgezegd, het gehuurde blijft gebruiken. Inpassing van de onderhavige problematiek in het systeem van art. 7:230 BW brengt dan mee dat de verhuurder wordt vermoed van de beëindiging af te zien ‘tenzij van een andere bedoeling blijkt’. Dat ‘blijken’ dient zich in beginsel reeds in de periode tussen de verzending van de opzeggingsbrief en de datum waartegen is opgezegd voor te doen. Gelet op de wetsgeschiedenis kan de huurder indien iedere actie van de verhuurder in deze periode achterwege blijft en daarin derhalve in het geheel niets ‘blijkt’, redelijkerwijs verwachten dat de verhuurder van de beëindiging afziet.’
Aangezien naar het oordeel van het hof [eiser], hoewel dit op zijn weg lag, niet heeft gesteld — en ook niet is gebleken — dat er tijdens de opzeggingstermijn concrete verklaringen of gedragingen van [eiser] zijn geweest waaruit [verweerder] redelijkerwijs had moeten opmaken dat [eiser] na de weigering van zijn ([verweerders]) toestemming in de beëindiging van de huurovereenkomst nog steeds wenste aan te sturen op beëindiging van de huurovereenkomst, slaagt de grief van [verweerder], aldus het hof (r.o. 9 en 10).
9.
[Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. [Verweerder] heeft het middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping.
10.
Onderdeel I van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat vaststaat dat [verweerder] niet heeft toegestemd in de opzegging (r.o. 7) en dat [verweerder] toestemming in de beëindiging van de huurovereenkomst heeft geweigerd (r.o. 9). Volgens het onderdeel mist deze vaststelling feitelijke grondslag omdat partijen daaromtrent geen stellingen hebben aangevoerd, zodat de vaststelling zich niet verdraagt met art. 24 Rv.
11.
Het onderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens de gedingstukken heeft [eiser] gesteld dat [verweerder] zich niet akkoord heeft verklaard met de huurbeëindiging (inleidende dagvaarding, sub 2) en heeft [verweerder] gesteld dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging (conclusie van antwoord, sub 9, memorie van grieven, sub 2). In het licht van deze stellingen is het hof met zijn bestreden vaststelling niet getreden buiten hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd en is van schending van art. 24 Rv geen sprake.
12.
Onderdeel II van het middel verwijt het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd te zijn getreden door te onderzoeken of [eiser] zijn beëindigingsvordering tijdig heeft ingesteld, nu [verweerder] niet heeft gesteld dat deze vordering níet tijdig is ingesteld. Volgens het onderdeel heeft [verweerder] zich slechts op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de vordering niet was ingesteld voor het tijdstip waartegen is opgezegd, met zich brengt dat de opzegging haar werking heeft verloren. Het hof had zich dan ook tot de beoordeling van die stelling moeten beperken. Bovendien heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat de wet geen termijn stelt waarbinnen de verhuurder de beëindigingsvordering als bedoeld in art. 7:295 lid 2 BW dient in te stellen, en dat ook uit het stelsel der wet niet valt af te leiden dat de opzegging haar werking verliest als de beëindigingsvordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. Op deze hoofdregel zijn weliswaar uitzonderingen denkbaar, maar [verweerder] heeft niet gesteld dat zich hier een dergelijke uitzondering voordoet, aldus het onderdeel.
13.
De stellingen waarop het onderdeel is gegrond, missen alle feitelijke grondslag. Uit de gedingstukken blijkt dat [verweerder], anders dan het onderdeel stelt, zich uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de opzegging door [eiser] zijn werking heeft verloren, omdat hij zijn beëindigingsvordering niet tijdig heeft ingesteld (zie memorie van grieven, sub 7). Voorts heeft het hof in r.o. 7 van zijn arrest tot uitgangspunt genomen dat de wet geen termijn stelt waarbinnen de verhuurder de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst dient in te stellen en, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009, NJ 2009, 272, overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de opzegging van de huurovereenkomst haar werking verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. En ten slotte heeft [verweerder] blijkens de gedingstukken uitdrukkelijk aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake is van afstand van recht of rechtsverwerking aan de zijde van [eiser] (zie memorie van grieven, sub 14) en daarmee, anders dan het onderdeel stelt, een beroep gedaan op toepassing van een uitzondering op de hoofdregel. Het onderdeel kan derhalve geen doel treffen.
14.
Onderdeel III van het middel is opgebouwd uit drie subonderdelen en komt op tegen het oordeel van het hof — in r.o. 8 en 9 — dat, nu iedere actie van [eiser] tussen de verzending van de opzeggingsbrief en de datum waartegen is opgezegd achterwege is gebleven, [eiser] wordt vermoed van de beëindiging af te zien, tenzij uit door [eiser] te stellen feiten en omstandigheden van een andere bedoeling blijkt. Volgens het onderdeel heeft het hof met dit oordeel miskend dat het juist aan de huurder, in dit geval [verweerder], is om concrete feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat grond bestaat voor een uitzondering op de regel dat opzegging van de huurovereenkomst haar werking niet verliest als de beëindigingsvordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd (subonderdeel III.a). Bovendien heeft het hof volgens het onderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het onderhavige geval aansluiting te zoeken bij art. 7:230 BW (subonderdeel III.b) en heeft het hof onbegrijpelijk beslist in het licht van de stelling van [eiser] dat partijen onderhandelingen hebben gevoerd over de door [verweerder] te verlenen medewerking aan de beëindiging van de huurovereenkomst (subonderdeel III.c).
15.
Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende vooropgesteld te worden.
16.
In het eerder genoemde arrest van 12 juni 2009, LJN: BI0070, NJ 2009, 272, heeft de Hoge Raad de opvatting dat instelling van de beëindigingsvordering in ieder geval moet plaatsvinden vóór het tijdstip waartegen is opgezegd en dat de opzegging van de huurovereenkomst, als de vordering niet tijdig is ingesteld, haar werking heeft verloren, als onjuist verworpen. De wet stelt immers geen termijn waarbinnen de verhuurder de beëindigingsvordering als bedoeld in art. 7:295 lid 2 BW dient in te stellen en ook uit het stelsel van de wet valt niet af te leiden dat de opzegging van de huurovereenkomst haar werking verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd, aldus de Hoge Raad. Zie over het arrest A.W. Jongbloed, TvHB 2009, blz. 153–154; A.R. de Jonge, Huurrecht, 5e dr. 2009, blz. 349–350; Eeken, a.w., blz. 114–115; Huurrecht, losbl., art. 7:295 BW, aant. 22 (H.E.M. Vrolijk).
17.
Algemeen wordt aanvaard dat de uitspraak van de Hoge Raad niet eraan afdoet dat onder bijzondere omstandigheden een uitzondering op de door de Hoge Raad aangegeven hoofdregel moet worden aanvaard, bijvoorbeeld wanneer uit gedragingen van de verhuurder mag worden afgeleid dat hij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om na de — door de huurder geweigerde — opzegging beëindiging van de huurovereenkomst te vorderen of wanneer op grond van de omstandigheden van het geval mag worden aangenomen dat de verhuurder zijn recht om na het tijdstip waartegen is opgezegd alsnog een beëindigingsvordering in te stellen, heeft verwerkt. Zie Parl. Gesch. Huurrecht, 2008, blz. 715 (Kamerstukken II 2000/01, 26 932, nr. 5); Conclusie A-G Huydecoper sub 14 en 15 onder HR 12 juni 2009, LJN: BI0070, NJ 2009, 272; Jongbloed, a.w., blz. 154; De Jonge, Annotatie WR 2010, 29; H.J. Rossel, in: T&C Huurrecht, 4e dr. 2010, Art. 7:295 BW, aant. 3.a.
18.
Afstand van recht of rechtsverwerking kan — het volgt reeds uit de hoofdregel — niet worden aangenomen enkel op de grond dat de verhuurder de beëindigingsvordering heeft ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. Voor het aannemen van afstand van recht of rechtsverwerking is meer nodig. Vgl. in algemene zin over afstand van recht en rechtsverwerking R.P.J.L. Tjittes, Afstand van recht, Mon. NBW A6a, nr. 14 e.v.; dez. Rechtsverwerking, Mon. NBW A6b, nr. 18. Vgl. specifiek over afstand van recht en rechtsverwerking in het kader van de onderhavige problematiek de hiervoor onder 17 genoemde vindplaatsen.
19.
De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie van (stilzwijgende) afstand van recht of rechtsverwerking door de rechthebbende kunnen rechtvaardigen, rusten op de wederpartij van de rechthebbende. Vgl. met betrekking tot rechtsverwerking Tjittes, a.w. (A6b), nr. 28. In het onderhavige geval betekent dit dat het aan [verweerder] als huurder is om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [eiser] als verhuurder geacht moet worden (stilzwijgend) afstand te hebben gedaan van zijn recht om beëindiging van de huurovereenkomst te vorderen dan wel dat recht heeft verwerkt. Het oordeel van het hof dat het aan [eiser] als verhuurder is om te stellen dat er concrete verklaringen of gedragingen van [eiser] zijn geweest waaruit [verweerder] als huurder had moeten opmaken dat [eiser] na het tijdstip waartegen de huurovereenkomst was opgezegd nog steeds beëindiging van de huurovereenkomst wenste, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht met betrekking tot de gronden voor toepassing van een uitzondering op de hoofdregel. Subonderdeel III.a is dan ook terecht voorgesteld.
20.
Hetzelfde geldt voor subonderdeel III.b. Het hof heeft miskend dat art. 7:230 BW betrekking heeft op het geval dat de huurder het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst blijft gebruiken, terwijl daaromtrent verder niets geregeld is. Die situatie doet zich bij huur van bedrijfsruimte, dat een eigen regeling kent (art. 7:295 e.v. BW), niet voor. Art. 7:230 BW is daarom niet van toepassing bij huur van bedrijfsruimte, ook niet bij wege van analogie. Zie nader over art. 7:230 BW A.S. Rueb, H.E.M. Vrolijk en E.E. de Wijkerslooth-Vinke, De huurbepalingen verklaard, 2006, blz. 64; Asser-Abas, 2007, nr. 78; J.L.R.A. Huydecoper, in: T&C Huurrecht, 4e dr. 2010, Art. 7:230 BW, aant. 2; Huurrecht, losbl., Art. 7:230 BW, aant. 4 (G.J.P. de Vries). De huurovereenkomst van bedrijfsruimte blijft ingevolge art. 7:295 lid 1 BW na opzegging van rechtswege van kracht totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op de beëindigingsvordering van de verhuurder. Daarmee is een continuering van de opgezegde huurovereenkomst gewaarborgd en is de huuropzegging slechts de voorwaarde voor het kunnen instellen van de beëindigingsvordering. Het hof heeft derhalve ten onrechte bij de toepassing van art. 7:295 BW aansluiting gezocht bij art. 7:230 BW. Vgl. A.R. de Jonge, WR 2010, 29.
21.
Nu de rechtsklachten van de subonderdelen III.a en III.b doel treffen behoeft de (kennelijk subsidiair voorgestelde) motiveringsklacht van subonderdeel III.c geen behandeling.
22.
Onderdeel IV van het middel klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en zich heeft schuldig gemaakt aan een verrassingsbeslissing door bij zijn oordeelsvorming betekenis te ontlenen aan art. 7:230 BW, waarop [eiser] niet bedacht kon zijn.
23.
Het onderdeel faalt reeds wegens gebrek aan belang, nu de door onderdeel III.b aangevoerde rechtsklacht tegen de aansluiting die het hof heeft gezocht bij art. 7:230 BW, terecht is voorgesteld.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's‑Gravenhage en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Beroepschrift 12‑03‑2010
Vandaag, de [twaalfde] maart tweeduizendtien, op verzoek van [eiser], wonende te [woonplaats], die voor deze zaak woonplaats kiest te (2517 KL) 's‑Gravenhage aan de Eisenhowerlaan 102, op het kantoor van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P.S. Kamminga, die door mijn opdrachtgever als zodanig wordt aangewezen en voor hem zal optreden;
heb ik
[Walter Frederik Dirk van den Oever, gerechtsdeurwaarder te 's‑Gravenhage, kantoorhoudende te 's‑Gravenhage aan de Bezuidenhoutseweg 115 en mitsdien ten deze woonplaats hebbende aldaar,]
AAN
[geïnsinueerde] ho.d.n. [A], wonende en zaakdoende te [woonplaats], op de voet van het bepaalde bij art. 63 Rv. op het kantoor van de advocaat mr. M.N. Grootfaam, te (2518 BD) 's‑Gravenhage aan de Anna Paulownastraat 105, bij wie in de vorige instantie laatstelijk als advocaat in de onderhavige zaak woonplaats is gekozen, mijn exploot gedaan, daar gesproken met en afschrift hiervan gelaten aan:
[Mr. M.N. Groottaan, in persoon]
aldaar werkzaam;
AANGEZEGD
dat mijn opdrachtgever hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage, Sector Handel, van 15 december 2009, gewezen in de procedure onder zaaknummer 200.015.647/01, rolnummer rechtbank 710937 07-255587, tussen geïnsinueerde [geïnsinueerde] als appellant in het principaal appèl, verweerder in het incidenteel appèl enerzijds, en mijn opdrachtgever [eiser] als geïntimeerde in het principaal appèl, appellant in het incidenteel appèl anderzijds;
voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploterende als hiervoor omschreven, met advocaatstelling en domiciliekeuze als aangegeven, geïnsinueerde [geïnsinueerde]
GEDAGVAARD
om op vrijdag de tweede april tweeduizendtien, 's morgens om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen op de terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, Eerste (Enkelvoudige) Kamer (rolzitting), die dan gehouden zal worden in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
TENEINDE
bij die gelegenheid namens mijn opdrachtgever tegen voormeld arrest, waartegen het beroep is gericht, te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht, althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het Gerechtshof 's‑Gravenhage heeft overwogen en beslist als omschreven in het hier als ingelast te beschouwen dictum van het arrest van 15 december 2009, waarvan beroep, zulks op de gronden in dat arrest vermeld, ten onrechte om de navolgende, tevens in onderling verband in aanmerking te nemen, redenen:
Inleiding
1.
Overeenkomstig het overwogene in r.o. 1 in het arrest a quo kan als uitgangspunt dienen de feitenvaststelling in het (tussen)vonnis in eerste aanleg van 27 maart 2008:
‘1. Feiten
1.1
[eiser] verhuurt aan [geïnsinueerde] met ingang van 1 juni 2002 bedrijfsruimte aan de [a-straat] [1] te [a-plaats].
1.2
De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar.
1.3
Bij brief van 26 mei 2006 heeft [eiser] de huurovereenkomst opgezegd per 1 juni 2007. Als grond voor de opzegging heeft [eiser] aangevoerd dat hij het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en het verhuurde daartoe dringend nodig heeft.
1.4
[geïnsinueerde] exploiteert in het gehuurde een supermarkt en een slijterij.’
2.
Voorts kan als uitgangspunt gelden — als gesteld bij inleidende dagvaarding onder 2 en niet betwist — dat op de huurovereenkomst tussen partijen het bepaalde bij art. 4afdeling 6 van Boek 7 BW (huur van bedrijfsruimte) van toepassing is.
3.
Bij dagvaarding van 6 november 2007 heeft [eiser] vaststelling van het tijdstip waartegen de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is beëindigd en veroordeling van [geïnsinueerde] tot ontruiming van het gehuurde, vermeerderd met de kosten van de procedure, gevorderd.
4.
Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het hierbij betreft huur van bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 BW, en dat hij de bedrijfsruimte persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen waartoe hij het verhuurde dringend nodig heeft, overeenkomstig de in de opzeggingsbrief genoemde opzeggingsgronden.
5.
[geïnsinueerde] heeft verweer gevoerd, houdende betwisting van tijdige opzegging, met de stellingname dat de opzeggingsbrief van 26 mei 2006 [geïnsinueerde] eerst in juni 2006 zou hebben bereikt, met als gevolg dat de huurovereenkomst van rechtswege zou zijn verlengd met een periode van vijf jaar tot en met 31 mei 2012, zoals weergegeven in r.o. 3.1 in het tussenvonnis van 27 maart 2008:
‘ Tijdigheid opzegging huurovereenkomst
3.1.
[geïnsinueerde] betwist dat [eiser] de tussen partijen gesloten huurovereenkomst tijdig heeft opgezegd, waardoor deze van rechtswege is verlengd met een periode van vijf jaar tot en met 31 mei 2012. [geïnsinueerde] stelt dat de opzeggingsbrief van 26 mei 2006 hem pas in juni 2006 heeft bereikt. [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist.’
6.
Voorts heeft [geïnsinueerde] betwist dat [eiser] de gehuurde bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
7.
In samenhang daarmee heeft de Sector Kanton bij het vonnis van 27 maart 2008 [eiser] toegelaten tot bewijs dat [geïnsinueerde] de aan hem verzonden brief van 26 mei 2006 vóór 1 juni 2006 heeft ontvangen en dat sprake is van een serieus en uitvoerbaar plan ten aanzien van het gestelde door [eiser] beoogde eigen gebruik voor de exploitatie van een supermarkt in het gehuurde.
8.
Bij eindvonnis van 17 juli 2008 heeft de Sector Kanton beslist dat [eiser] is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs en op grond daarvan de tussen [eiser] en [geïnsinueerde] gesloten huurovereenkomst van de bedrijfsruimte aan de [a-straat] [1] te [a-plaats] met ingang van 1 januari 2009 beëindigd.
9.
In het zijnerzijds ingestelde hoger beroep tegen de vonnissen in eerste aanleg heeft [geïnsinueerde] bij memorie van grieven de stellingname betrokken als verweer dat in eerste aanleg niet was gevoerd, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem van 3 juli 2007, WR 2007/86, dat nu [eiser] zijn vordering niet heeft ingesteld vóór het tijdstip waartegen is opgezegd derhalve dient te worden aangenomen dat de opzegging zijn werking heeft verloren (memorie van grieven onder 8 en 16).
10.
Het gerechtshof 's‑Gravenhage heeft op grond van de oordeelsvorming gegeven naar aanleiding van deze stellingname de vonnissen in eerste aanleg vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiser] strekkende tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen op de voet van art. 7:295 lid 2 BW aan de hand van de opzegging bij brief van 26 mei 2006 afgewezen. Aan inhoudelijke beoordeling is het hof daarmee verder niet toegekomen.
11.
Het arrest van het gerechtshof Arnhem waaraan [geïnsinueerde] het in appèl aangevoerde verweer heeft ontleend, is in cassatie vernietigd bij arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009 (LJN BI 0070, NJ 2009,272).
Klachten
I.
Het oordeel in r.o. 7 inhoudende ‘vaststaat dat [geïnsinueerde] niet heeft toegestemd in de opzegging’ ontbeert feitelijke grond, voorzover bedoeld als feitenvaststelling.
Daaromtrent hebben partijen geen stellingen aangevoerd. Deze vaststelling verdraagt zich niet met het bepaalde bij art. 24 Rv.. Een geheel andere zaak is het dat de vordering ontleend aan art. 7:295 lid 2 BW impliceert dat [eiser] niet binnen zes weken na de opzegging van [geïnsinueerde] als huurder een schriftelijke mededeling heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt als bedoeld in art. 7:295 lid 2 BW.
Niet in debat is geweest of aan deze voorwaarde is voldaan; dat aan deze voorwaarde is voldaan ligt besloten in de vordering zoals ingesteld, leidende tot de beslissing in het eindvonnis in eerste aanleg van 17 juli 2008 strekkende tot beëindiging van de tussen [eiser] en [geïnsinueerde] gesloten huurovereenkomst met ingang van 1 januari 2009.
Voorzover in deze vaststelling besloten zou liggen dat [geïnsinueerde] in actieve zin zich zou hebben uitgelaten met de strekking niet toe te stemmen in de opzegging, ontbeert deze evenzeer feitelijke grondslag. Een en ander kan van belang zijn in samenhang met de door het hof gegeven oordeelsvorming in r.o. 8 en 9, waarin het hof — in het bijzonder in r.o. 9 — betekenis heeft gehecht aan ‘de weigering van zijn ([geïnsinueerde]'s) toestemming in de beëindiging van de huurovereenkomst’. Voorzover de verdere oordeelsvorming is ontleend aan de bestreden vaststelling in r.o. 7 is het arrest a quo ondeugdelijk met redenen omkleed. Deze vaststelling ontbeert verder feitelijke grondslag, voorzover daarin besloten zou liggen dat reeds spoedig na de opzegging, danwel binnen de periode tot 1 juni 2007 waartegen opgezegd, duidelijkheid zou hebben bestaan omtrent de opstelling van [geïnsinueerde] omtrent al of niet toestemming in de beëindiging van de huurovereenkomst. Zonder nadere redengeving die ontbreekt, verdraagt een vaststelling met deze strekking zich niet met de stellingen zijdens [eiser] bij memorie van antwoord in het principaal appèl, tevens memorie van grieven in incidenteel appèl (pag. 8 onderaaan, pag. 9 bovenaan) in het kader van bespreking van het nieuwe verweer van [geïnsinueerde] in appèl, omtrent de gevoerde onderhandelingen die uiteindelijk hebben geleid tot een verzoek zijdens [geïnsinueerde] bij brief van 18 oktober 2007 rechtsmaatregelen aan te houden in verband met de afwezigheid van de (nieuwe) advocaat waarop vervolgberichtgeving is uitgebleven, waarop is overgegaan tot dagvaarding op 6 november 2007, terwijl de onderhandelingen betrekking hadden op de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van [geïnsinueerde] in het kader van medewerking aan de beëindiging van de huurovereenkomst. Uitsluitsel was nog niet gegeven zijdens [geïnsinueerde].
In samenhang daarmee is gesteld in de inleidende dagvaarding onder 2, 3e volzin:
‘Het betreft bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. De overeenkomst is aangegaan van 1 juni 1992 tot en met 1 juni 2007. Bij aangetekende brief van 26 mei 2006 heeft [eiser] aan [geïnsinueerde] de huur opgezegd per 1 juni 2007 op grond van het feit dat hij de bedrijfsruimte dringend nodig had voor eigen gebruik. Daarbij is aan [geïnsinueerde] gevraagd of hij binnen zes weken wilde laten weten of hij akkoord was met de huurbeëindiging, maar [geïnsinueerde] heeft zich tot op heden niet akkoord verklaard.’
Hieruit valt af te leiden dat [geïnsinueerde] nog geen uitsluitsel had gegeven vóór 1 juni 2007 en ook niet ten tijde van dagvaarding.
II.
Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in r.o. 7 naar aanleiding van, en met betrekking tot, de met grief I voorgelegde stellingname zoals door het hof weergegeven in r.o. 5:
- ‘5.
Kern van grief I is dat nu [eiser] zijn vordering niet heeft ingesteld vóór de datum waartegen is opgezegd, zijnde 1 juni 2007, de opzegging zijn werking heeft verloren en daarmee de huurovereenkomst is verlengd met een volgende aansluitende periode van 5 jaar. Dientengevolge bestond naar het oordeel van [geïnsinueerde] geen grond voor een bewijsopdracht of een inhoudelijke beoordeling van de door [eiser] aangevoerde gronden voor de beëindiging. Ook de grieven III en IV zien op dit punt. Het hof constateert dat indien het in deze grieven besloten verweer van [geïnsinueerde] slaagt, de andere grieven geen behandeling meer behoeven. Het hof zal derhalve allereerst dit punt behandelen.’
Het komt daarbij aan op de stellingname zoals tot uitdrukking gebracht bij memorie van grieven onder 8:
- ‘8.
[geïnsinueerde] merkt, op grond van het door voornoemd Hof gehanteerde uitgangspunt, op dat [eiser] zijn vordering niet heeft ingesteld vóór het tijdstip waartegen is opgezegd (vóór 1 juni 2007) en dat derhalve dient te worden aangenomen dat de opzegging zijn werking heeft verloren. Volgens [geïnsinueerde] betekent dit dat de huurovereenkomst is voortgezet voor een volgende aansluitende periode van vijf jaar, tot 1 juni 2012.’
gemotiveerd met het eerder gestelde onder 7, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem van 3 juli 2007, WR 2007/86. Daarmee stelde [geïnsinueerde] zich op het standpunt dat het enkele feit dat de vordering niet was ingesteld vóór het tijdstip waartegen is opgezegd, mede blijkens het arrest van het hof waarop [geïnsinueerde] een beroep deed, met zich brengt dat de opzegging zijn werking heeft verloren. Die stellingname is herhaald bij memorie van grieven onder 16. Daarmee kwam het aan op de vraag of deze stellingname, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Arnhem, met de strekking dat het niet instellen van de vordering voor de datum waartegen is opgezegd met zich brengt dat de opzegging zijn werking heeft verloren en daarmee de huurovereenkomst is verlengd met een volgende aansluitende periode van vijf jaar, al of niet rechtens juist was. [eiser] heeft de juistheid van deze stellingname en de opvatting van het gerechtshof Arnhem in het arrest waarop [geïnsinueerde] een beroep deed, gemotiveerd bestreden, onder meer onder verwijzing naar de conclusie van A-G Huydecoper vóór HR 2 april 2004, WR 2004, 50 (memorie van antwoord in het principaal appèl, tevens memorie van grieven in incidenteel appèl, pag. 6–9). [eiser] heeft erop gewezen dat tegen dat arrest van het gerechtshof Arnhem cassatieberoep was ingesteld en dat cassatie van het arrest verwacht kon worden. Uit het vervolgens gewezen arrest van de Hoge Raad in dat cassatieberoep van 12 juni 2009, LJN BI 0070, NJ 2009, 272, vloeit voort dat de opvatting van het gerechtshof Arnhem zoals bestreden in het cassatieberoep, en daarmee de door [geïnsinueerde] verdedigde stellingname ontleend aan dat arrest onjuist was, in het bijzonder met de beslissing in r.o. 3.3.1:
‘3.3.1
Het middel keert zich in onderdeel 1 terecht tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.2) dat uitgangspunt moet zijn dat instelling van een vordering als de onderhavige in ieder geval moet plaatsvinden vóór het tijdstip waartegen is opgezegd en dat de opzegging van de huurovereenkomst, als de vordering niet tijdig is ingesteld, haar werking heeft verloren.
De wet stelt immers geen termijn waarbinnen de verhuurder de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst als bedoeld in het hier toepasselijke art. 7:295 lid 2 BW dient in te stellen. Ook uit het stelsel van de wet valt niet af te leiden dat de opzegging van de huurovereenkomst haar werking verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. Het oordeel van het hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.’
, na de conclusie van A-G Huydecoper strekkende tot vernietiging.
Het hof heeft miskend dat de stellingname zoals ook tot uitdrukking gebracht in r.o. 5 in het arrest a quo niet leidt tot de vraag of [eiser] al of niet tijdig zijn vordering heeft ingesteld. Die vraag werd met de stellingname niet voorgelegd. De stellingname had immers geen andere strekking dan dat de vordering zoals ingesteld bij dagvaarding van 6 november 2007, aldus na de datum waartegen is opgezegd, zijnde 1 juni 2007, reeds op die grond niet voor toewijzing vatbaar was, onder verwijzing naar eerdergenoemd arrest van het hof Arnhem. Het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009 in het cassatieberoep gericht tegen dat arrest van het gerechtshof Arnhem brengt met zich dat die stellingname als onjuist was aan te merken. Het ging bij die stellingname van [geïnsinueerde] uitsluitend om het enkele feit dat de beëindigingsvordering niet binnen de opzegtermijn is ingesteld. [geïnsinueerde] heeft niet — óók — een beroep gedaan op afstand van recht, danwel op de redelijkheid en billijkheid die zich ertegen zouden verzetten dat [eiser] na de datum waartegen was opgezegd alsnog een vordering tot huurbeëindiging heeft ingesteld; [geïnsinueerde] heeft ook niet (gemotiveerd) gesteld dat sprake zou zijn geweest van een (stilzwijgende) houding van [eiser] die met zich bracht dat [geïnsinueerde] daaruit de conclusie zou hebben getrokken dat [eiser] afzag van de beëindiging, en dat op die grond de opzegging werking zou hebben verloren.
Het hof heeft miskend dat de wet geen termijn stelt waarbinnen de verhuurder de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst als bedoeld in art. 7:295 lid 2 BW dient in te stellen, en dat ook uit het stelsel van de wet niet valt af te leiden dat de opzegging van de huurovereenkomst haar werking verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. Daarop zijn uitzonderingen denkbaar, die echter — naar A-G Huydecoper aangeeft onder 15 in zijn conclusie vóór eerdergenoemd arrest — tot uitzonderlijke gevallen zouden moeten worden beperkt.
Zulks brengt met zich dat op de betrokken huurder stelplicht en bewijslast rust terzake.
In de stellingen zijdens [geïnsinueerde] ligt niet besloten dat hij een beroep deed op een uitzondering; [geïnsinueerde] heeft slechts verdedigd dat het enkele feit dat [eiser] zijn vordering niet heeft ingesteld vóór de datum waartegen is opgezegd, met zich brengt dat de opzegging zijn werking heeft verloren en daarmee de huurovereenkomst is verlengd met een volgende aansluitende periode van vijf jaar. De oordeelsvorming van het hof is niet ontleend aan een gemotiveerd beroep op een uitzondering. Aldus is het hof met de oordeelsvorming in r.o. 7 en volgende getreden buiten de rechtsstrijd die werd voorgelegd met de stelling van [geïnsinueerde] verdedigd in grief I, waarvan de kern is vastgesteld in r.o. 5.
III a.
In samenhang hiermee heeft het hof in r.o. 9 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof heeft miskend dat het aan de huurder, in dit geval [geïnsinueerde], is om concrete feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat grond bestaat voor een uitzondering op de regel dat opzegging van de huurovereenkomst haar werking niet verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. Althans heeft het hof ten onrechte de opvatting tot uitdrukking gebracht dat het aan de verhuurder is om concrete feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat van een ‘andere bedoeling’ als bedoeld in r.o. 8 sprake is.
Het hof heeft in de oordeelsvorming, in het bijzonder in r.o. 8, miskend dat het niet aankomt op de vraag of [eiser] tijdig zijn vordering heeft ingesteld, nu de wet immers geen termijn stelt waarbinnen de verhuurder de vordering tot beëindiging dient in te stellen, terwijl zulks ook niet uit het stelsel van de wet valt af te leiden. Aldus is uit te gaan van tijdigheid (terwijl de huurder in uitzonderlijke gevallen denkbaar — stelplicht en bewijslast — een beroep zou kunnen toekomen op afstand van recht danwel een beroep op de redelijkheid en billijkheid, en in extreme gevallen op verjaring).
III b.
Het hof heeft in r.o. 8 ten onrechte aanknoping gezocht bij de regeling van art. 7:230 BW en daaraan het wettelijk vermoeden ontleend dat wederinhuring heeft plaatsgevonden. Het hof heeft miskend dat deze uitleg niet strookt met het oordeel van de Hoge Raad in r.o. 3.3.1 in eerdergenoemd arrest van 12 juni 2009, in het bijzonder niet voorzover daarbij tot uitdrukking is gebracht dat ook uit het stelsel van de wet (waaronder ook te begrijpen is art. 7:230 BW) niet valt af te leiden dat de opzegging van de huurovereenkomst zijn werking verliest als deze vordering wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd. Het hof heeft miskend dat het in het kader van art. 7:230 BW aankomt op stilzwijgende verlenging na afloop van een huurovereenkomst, na einde van een huurovereenkomst, terwijl het bepaalde bij art. 7:295 BW met zich brengt dat een opgezegde huurovereenkomst na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van rechtswege van kracht blijft (tenzij de huurder de huurovereenkomst heeft opgezegd of na opzegging door de verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft toegestemd) tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder als bedoeld in art. 7:295 lid 2 BW. Geen aansluiting is te zoeken bij art. 7:230 BW, nu de wet geen termijn stelt voor instellen van de vordering, en de huurovereenkomst van rechtswege voortduurt zolang de rechter niet heeft beslist op een vordering tot vaststelling van het tijdstip waarop de overeenkomst zou eindigen.
Behoudens de in deze bepaling geregelde gevallen heeft de partijbedoeling geen beslissende betekenis. Voorts heeft het hof miskend dat het bepaalde bij art. 7:230 BW een regeling is van regelend recht, met een vermoeden of fictie (ingeval niet anders is overeengekomen). In art. 7:230 BW wordt ook niet, anders dan het hof tot uitdrukking brengt, een maatstaf aangelegd. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met het oordeel dat als de verhuurder na de datum waartegen is opgezegd nog steeds geen vordering als bedoeld in art. 7:296 BW heeft ingesteld, hij er kennelijk geen bezwaar tegen heeft dat de huurder ook na de dag waartegen is opgezegd het gehuurde blijft gebruiken; althans is het oordeel niet in zijn algemeenheid juist of gerechtvaardigd, in het bijzonder niet zonder nadere redengeving die zou kunnen leiden tot een dergelijke waardering in het concrete geval.
Het hof heeft miskend dat in het onderhavige geval het bepaalde bij art. 7:230 BW, houdende een regeling van regelend recht, geen betekenis kon hebben, nu partijen expliciet anders zijn overeenkomen met het bepaalde in artikel 1 van de huurovereenkomst zoals overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding:
‘Artikel 1
De huurovereenkomst geldt voor vijf jaar. Deze overeenkomst is aangegaan op 01 juni 2002 en zal van rechtswege beëindigen op 01 juni 2007. Indien de huurder de huurovereenkomst wil verlengen moet dit tenminste drie maanden voor beëindiging van de huurtijd besproken worden met de verhuurder. Wanneer beide partijen na overleg de overeenkomst voort willen zetten, zal er een nieuwe huurovereenkomst opgemaakt moeten worden met een nieuwe huurtermijn van vijf jaar.’
Met het overwogene in r.o. 8 heeft het hof blijk gegeven van aanvulling van de rechtsgronden die zich niet verdraagt met het tussen partijen overeengekomene; het arrest a quo is in zoverre dan ook ondeugdelijk met redenen omkleed.
III c.
Het hof heeft met de oordeelsvorming in r.o. 9 voorts miskend dat, gegeven de rechtsstrijd zoals voorgelegd met de stelling van [geïnsinueerde] dat het — enkele — feit dat [eiser] zijn vordering niet heeft ingesteld vóór de datum waartegen is opgezegd, zijnde 1 juni 2007, de opzegging zijn werking heeft verloren en daarmee de huurovereenkomst is verlengd met een volgende aansluitende periode van vijf jaar, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Arnhem, het niet op de weg lag van [eiser] om concrete feiten en omstandigheden te stellen, waaronder feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat zijnerzijds van een ‘andere bedoeling’ als door het hof bedoeld aan de hand van een redenering zoals tot uitdrukking gebracht in r.o. 7 en 8 die niet door de partijen was gesteld of verdedigd. De door het hof gegeven waardering in r.o. 9 is ook onbegrijpelijk in het licht van het bepaalde in artikel 1 van de huurovereenkomst, zoals overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding, en de stellingen zijden [eiser], onder meer inhoudende dat onderhandelingen zijn gevoerd waarbij [eiser] uit coulance aan [geïnsinueerde] een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten heeft aangeboden van € 5.000,00 welk aanbod door [geïnsinueerde] niet is aanvaard, dat de advocaat van [geïnsinueerde] een definitieve reactie zou sturen met een tegenvoorstel, hetgeen echter uitbleef, dat [geïnsinueerde] vervolgens een andere advocaat heeft ingeschakeld die nog op 18 oktober 2007 een fax liet verzenden met verzoek rechtsmaatregelen aan te houden in verband met zijn afwezigheid, waarop echter nader bericht uitbleef, terwijl [eiser] noodgedwongen tot dagvaarding is overgegaan nu niet langer kon worden gewacht gezien de dringende belangen van [eiser] (memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, pag. 8 en 9). Deze laten geen andere uitleg toe dan dat [eiser] onverminderd wenste aan te sturen op beëindiging van de huurovereenkomst. Het hof heeft in r.o. 9 voorts miskend dat het niet aankomt op concrete verklaringen en gedragingen van [eiser] waaruit [geïnsinueerde] redelijkerwijs had moeten opmaken dat [eiser] na de weigering van zijn ([geïnsinueerde]'s) toestemming in de beëindiging van de huurovereenkomst nog steeds wenste aan te sturen op beeindiging van de huurovereenkomst. Voorzover [geïnsinueerde] een beroep zou hebben gedaan op een uitzondering — hetgeen niet is geschied — op het uitgangspunt dat de opzegging van de huurovereenkomst haar werking niet verliest als deze wordt ingesteld na het tijdstip waartegen is opgezegd, zou het in tegendeel aankomen op de vraag, onder meer, of er sprake was geweest van door [geïnsinueerde] te stellen en bewijzenconcrete verklaringen of gedragingen van [eiser] waaruit [geïnsinueerde] redelijkerwijs had op mogen maken dat [eiser] na de opzegging niet meer wenste aan te sturen op beëindiging van de huurovereenkomst.
IV.
Het hof is met de oordeelsvorming in het arrest a quo, in het bijzonder in r.o. 9, getreden buiten de rechtsstrijd van partijen en heeft daarmee blijk gegeven van een verrassingsbeslissing, ontleend aan een onjuiste uitleg van het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009, en betekenis te ontlenen aan art. 7:230 BW, waarop [eiser] niet bedacht kon zijn; aldus is de in r.o. 9 gegeven waardering ondeugdelijk met redenen omkleed.
12.
[eiser] verzoekt spoedbehandeling op de voet van art. 17 lid 2 Rolreglement van het onderhavige cassatieberoep in het onderhavige geding strekkende tot vaststelling van een tijdstip van beëindiging van de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2007, in het eindvonnis in eerste aanleg vastgesteld op 1 januari 2009, terwijl het daartegen ingestelde appèl heeft geleid tot (verdere) vertraging en het in appèl gewezen arrest a quo — naar de klachten in het onderhavige cassatieberoep op onjuiste gronden gewezen — tot verdere vertraging heeft geleid middels de noodzaak tot het onderhavige cassatieberoep. [eiser] heeft belang bij spoedige behandeling.
EN
op grond van dit middel te horen vernietigen het arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 15 december 2009, waartegen dit beroep zich richt, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
De kosten hiervan zijn voor mij, deurwaarder, € [87,93]
[Eiser kan op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 de hem/haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet verrekenen, derhalve verklaart ondergetekende opgemelde kosten te hebben verhoogd met een percentage gelijk aan het percentage genoemd in bovengenoemde wet.]
deurwaarder