Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.3.2
4.3.2 De rol en de werking van artikel 3:186 lid 2 BW in het Ontwerp Meijers
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948229:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 611.
In het gewijzigd ontwerp werd artikel 3.7.1.14 OM omgevormd tot het huidige artikel 3:185 BW. Het had vanaf dat moment dus alleen nog maar betrekking op de verdeling door de rechter. De leden 3 en 4 van artikel 3.7.1.14 OM werden ondergebracht in een nieuw artikel 3.7.1.14a. Dat is het uiteindelijke artikel 3:186 BW geworden. Lid 5 van artikel 3.7.1.14 OM werd volledig geschrapt. Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvA II), p. 619-620 (zowel de toelichting op artikel 3.7.1.14 als de toelichting op artikel 3.7.1.14a van het gewijzigd ontwerp).
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (OM), p. 617.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 618.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 618.
Zie E.B. Rank-Berenschot, Bezit (Mon. BW nr. B7) 2012/4 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/352. Het gaat in dit geval om het ruime begrip ‘houden’. De wet gebruikt het begrip ‘houden’ ook als aanduiding van de macht die over andermans zaak krachtens een rechtsverhouding tot die ander wordt uitgeoefend. Dit laatste begrip van ‘houden’ staat dan tegenover ‘bezit’, waarmee de macht wordt aangeduid die in beginsel slechts ten eigen bate of voor zichzelf pleegt te wordt uitgeoefend. Dit ‘houden voor een ander’ kan men dan als het houden in ‘enge zin’ aanduiden. Zie E.B. Rank-Berenschot, Bezit (Mon. BW nr. B7) 2012/4.
Zie over dit onderscheid ook paragraaf 3.3.2 van hoofdstuk 2.
Zie Asser/Bartels & van Mierlo 3-V 2021/199 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/91.
Vgl. A.J.H. Pleysier, ‘Over de betekenis van het woord “titel” in art. 7.7.1.14a NBW’. WPNR 1983/5654, p. 352. Hij schrijft: “[…] In alle genoemde gevallen geldt: de erfgenaam kruipt ‘met huid en haar’ in de persoon van erflater, de oude oorzaak (of om het eens anders te zeggen: de oude titel) blijft zijn werking in alle opzichten onverminderd voortzetten. Wanneer wij uitdrukkingen gebruiken als ‘de erfgenaam volgt de erflater onder algemene titel op’, of ‘de erfgenaam verkrijgt de goederen van de erflater onder algemene titel’ dan betekent dat dus onder meer: de ‘oude’ titel (de oude oorzaak die uitmaakte of de erflater houder of bezitter was, en in het laatste geval of er voldoende aanleiding was die bezitsverschaffing met eigendomsovergang te belonen) van de erflater t.a.v. een bepaalde zaak loopt bij de erfgenaam door. […].”
Zie Asser/Bartels & van Mierlo 3-V 2021/199 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/91.
Zie in gelijke zin van Van Hemel, Beschikken over een aandeel in een gemeenschap: een rechtsvergelijkende studie 1998, p. 305; Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel 1996, p. 67 en Asser/Perrick 3-V 2023/193. Zie ook HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437, waar de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 overweegt: “….Artikel 3:186 lid 2 BW staat daaraan niet in de weg. Dat is niet anders indien het de verdeling betreft van een nalatenschap waaraan de erflater geen uitsluitingsclausule heeft verbonden. Die bepaling houdt immers niet meer in dan dat een deelgenoot hetgeen hij (door verdeling en levering) verkrijgt, gaat houden onder dezelfde titel (waaronder begrepen: titels, zie voor een voorbeeld Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1298) als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.” Zie over deze uitspraak ook nog paragraaf 4.5.1 hierna.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 618.
Zie ook Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6) (MvA II Inv.), p. 1298.
238. Om de oorspronkelijke rol en werking die artikel 3:186 lid 2 BW in het Ontwerp Meijers had goed te kunnen begrijpen, is het belangrijk om eerst helder te krijgen hoe Meijers naar de werking van de verdeling keek. Voorop staat dat Meijers met de declaratieve werking van de verdeling heeft willen breken. Dat volgt uit verschillende passages uit de parlementaire geschiedenis. Zo schreef Meijers ter toelichting op artikel 3.7.1.11 OM (het huidige artikel 3:182 BW, onderstrepingen TS):1
“[…]
Het belang of een handeling een scheiding of een koop is, is in het ontwerp, wegens het vervallen van declaratieve kracht der scheiding, niet zo groot als in het tegenwoordige recht. Het onderscheid blijft echter van gewicht voor de bijzondere vormvereisten, waaraan een verdeling moet voldoen, indien daarbij onbekwame of weigerachtige deelgenoten vertegenwoordigd zijn; verder voor de titel van de verkrijging, voor de vrijwaring en voor de vernietiging der verdeling wegens benadeling, alsmede voor het bepaalde in artikel 3.7.1.8 lid 2.”
Ook in zijn toelichting bij artikel 3.7.1.14 OM, dat min of meer de inhoud van het huidige artikel 3:185 en 3:186 BW in zich verenigde, gaf Meijers er blijk van de declaratieve werking van de verdeling te willen verlaten.2 Voor een goed begrip van de betreffende passages uit de parlementaire geschiedenis wordt hieronder eerst de gehele tekst van artikel 3.7.1.14 OM weergegeven:3
“1. Wanneer een gemeenschappelijk goed moet worden verdeeld, kan dit geschieden door aan ieder de deelgenoten een deel daarvan toe te delen, door een of meer van hen tegen vergoeding van de overwaarde over te bedelen, of door een verkoop van het goed gevolgd door een verdeling van de opbrengst.
2. De boedelrechter gelast de wijzen van verdeling, wanneer partijen het daaromtrent onderling oneens zijn. Hij houdt daarbij niet alleen met de belangen van partijen, maar ook met het algemeen belang rekening. De rechter kan bevelen, dat degene die wordt overbedeeld, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen voldoet, en zo nodig daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld.
3. De overdracht van het aan een ieder der deelgenoten toebedeelde dient te geschieden op de wijze als voor overdracht van goederen in het algemeen is voorgeschreven.
4. Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten die tezamen voor de verdeling hielden.
Voor het overige vinden op een verdeling de voor wederkerige overeenkomsten gegeven voorschriften toepassing.”
In zijn toelichting op artikel 3.7.1.14 schreef Meijers onder andere (onderstreepte en dikgedrukte passages TS):4
“[…]
Het derde lid van het artikel [thans artikel 3:186 lid 1 BW, TS] breekt met de zogenaamde declaratieve kracht der scheiding. Het gekozen stelsel, dat iedere rechtshandeling, waardoor de rechtstoestand van een registergoed gewijzigd wordt, uit de registers moet blijken, verzet zich er tegen, dat een verdeling anders dan een koop behandeld wordt. Ook bij de toewijzing van vorderingen is het gewenst, daaraan eerst na kennisgeving of betekening aan de schuldenaar gevolg toe te kennen.”
Een terugwerkende kracht behoeft ook niet aan de scheiding toegekend te worden. Door de artikelen 3.7.1.7 en 8 wordt reeds verkregen, dat beperkte rechten, die door een der deelgenoten zonder toestemming der overigen op goederen, die hem niet toebedeeld worden, gevestigd zijn. de overige deelgenoten niet kunnen schaden. Omgekeerd wordt een recht dat degene, wie het goed toebedeeld wordt, tijdens de onverdeeldheid gevestigd heeft, van waarde krachtens de algemene regel, dat de onbevoegdheid van de vervreemder ophoudt een geldigheidsbeletsel te zijn, wanneer daarna de vervreemder de nodige bevoegdheid verkrijgt.
Wegen het ontbreken van terugwerkende kracht staat tevens buiten twijfel, dat voor de scheiding een koper van een zaak geen genoegen behoeft te nemen met een levering door een enkele der mede-eigenares, iets, dat ook voor ons tegenwoordige recht reeds veelal verdedigd wordt.
Het enige punt, waarop in het stelsel van het ontwerp de werking van een verdeling aan een declaratieve kracht doet denken, is dat een scheiding geen verandering in de titel, krachtens welke men houdt, brengt. Hebben de deelgenoten een nalatenschap onder algemene titel verkregen, dan wordt ook het toebedeelde na de scheiding onder die titel gehouden. En wordt een goed aan twee personen geschonken, waarvan een zijn aandeel aan een derde verkoopt, dan houdt na een daarop volgende scheiding de ene deelgenoot het toebedeelde ten opzichte van de schenker om niet, de andere als derde om baat. Een andere toepassing van deze regel vindt men in de titel Bezit: het bezit van het toegedeelde goed wordt voortgezet onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed bezaten.
In het laatste lid wordt de in het tegenwoordige recht bestaande twistvraag tot oplossing gebracht of de voorschriften betreffende wederkerige overeenkomsten – in de eerste plaats de ontbinding bij niet-nakoming van een verplichting – op een verdeling toepassing vinden. Nu aan de deling geen declaratieve kracht maar een zuiver obligatoire werking wordt toegekend, bestaat er nog minder bezwaar dan onder het tegenwoordige recht tegen een bevestigende beantwoording der vraag.”
Ook uit de in dit citaat onderstreepte en/of dikgedrukte passages volgt dat Meijers wilde breken met de declaratieve werking van de verdeling en dat hij de verdeling als een zelfstandige verkrijging krachtens overdracht zag; Meijers vond dat de verdeling ‘niet anders dan als een koop’ moest worden behandeld. Dat is ook de reden dat lid 3 van zijn ontwerpartikel 3.7.1.14 luidde: “De overdracht van het aan een ieder der deelgenoten toebedeelde dient te geschieden op de wijze als voor overdracht van goederen in het algemeen is voorgeschreven.” Aldus was de verdeling in het ontwerp van Meijers translatief van aard. De verdeling leidde tot een verkrijging uit handen van de gezamenlijke deelgenoten, waarbij de verdeling de obligatoire titel voor de levering vormde.
239. Vanuit deze translatieve opvatting over de verdeling kan vervolgens ook de werking van artikel 3:186 lid 2 BW worden verklaard. Daarvoor kan eerst worden teruggegrepen op een passage uit de hiervóór reeds geciteerde toelichting die Meijers op artikel 3.7.1.14 OM gaf:5
“Het enige punt, waarop in het stelsel van het ontwerp de werking van een verdeling aan een declaratieve kracht doet denken, is dat een scheiding geen verandering in de titel, krachtens welke men houdt, brengt. Hebben de deelgenoten een nalatenschap onder algemene titel verkregen, dan wordt ook het toebedeelde na de scheiding onder die titel gehouden. En wordt een goed aan twee personen geschonken, waarvan een zijn aandeel aan een derde verkoopt, dan houdt na een daarop volgende scheiding de ene deelgenoot het toebedeelde ten opzichte van de schenker om niet, de andere als derde om baat. Een andere toepassing van deze regel vindt men in de titel Bezit: het bezit van het toegedeelde goed wordt voortgezet onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed bezaten.”
Uit deze toelichting volgt dat Meijers met artikel 3.7.1.14 lid 4 beoogde te bewerkstelligen dat de titel waaronder een deelgenoot een goed vóór de verdeling hield, de titel blijft waaronder die deelgenoot het goed na de verdeling houdt. Met het ‘houden’ van een goed duidt de wet de feitelijke machtsuitoefening over een goed aan.6 Een rechtssubject kan op grond van verschillende oorzaken feitelijke macht over een goed uitoefenen. Dat kan zijn omdat dit rechtssubject het goed heeft verkregen en dus eigenaar is van dat goed, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Andere oorzaken kunnen zijn gelegen in (bijvoorbeeld) huur, bruikleen, of diefstal. De oorzaak voor het kunnen uitoefenen van feitelijke macht over een goed kan men ook aanduiden als ‘de titel waaronder een goed wordt gehouden’. De titel waaronder een goed wordt gehouden laat zich dus vertalen als ‘de reden waarom een rechtssubject feitelijke macht over een goed uitoefent’. In dit verband is vervolgens ook het onderscheid tussen de verkrijging onder een algemene titel en de verkrijging onder bijzondere titel van belang.7 Bij een verkrijging onder algemene titel volgt de verkrijger van het goed zijn rechtsvoorganger in zijn volledige rechtspositie op.8 Dat betekent dat hij het door hem verkregen goed onder dezelfde titel gaat houden als waaronder zijn rechtsvoorganger dat goed hield. Als bijvoorbeeld een erflater een goed door ‘levering krachtens koop’ heeft verkregen, zullen zijn erfgenamen dat goed ook onder die titel gaan houden. Zij hebben dit goed dan krachtens erfopvolging verkregen, maar houden dit goed onder de titel ‘levering krachtens koop’.9 Bij een verkrijging onder bijzondere titel vindt géén opvolging in de gehele positie van de rechtsvoorganger plaats.10 Degene die een goed onder bijzondere titel verkrijgt, gaat dat goed onder een nieuwe titel houden. Draagt bijvoorbeeld iemand die een goed krachtens schenking heeft verkregen dat goed op grond van koop aan een derde over, dan zal die derde dat goed onder de nieuwe (‘bijzondere’) titel ‘levering krachtens koop’ gaan houden en (dus) nietonder de titel ‘levering krachtens schenking’.
240. Met dit in het achterhoofd kan vervolgens de oorspronkelijke bedoeling van artikel 3:186 lid 2 BW worden geduid. Met het bepaalde in artikel 3.7.1.14 lid 4 wilde Meijers de zelfstandige verkrijging krachtens verdeling ‘wegpoetsen’, doch uitsluitendals grond (de ‘titel’) waarop degene(n) aan wie dat goed was toegedeeld na die verdeling de feitelijke macht over dat goed uitoefende en dus dat goed ging ‘houden’. Degene die door verdeling een goed uit de gemeenschap heeft verkregen, heeft dat goed dus wel door ‘levering krachtens verdeling’ verkregen, maar is dat goed niet onder die titel gaan houden.11 In plaats daarvan is hij het goed onder dezelfde titel gaan houden als waaronder hij het goed vóór de verdeling hield. Zou artikel 3.7.1.14 lid 4 OM –thans artikel 3:186 lid 2 BW – dat niet bepalen, dan zou de grond (de titel) waaronder het goed na de verdeling zou worden gehouden ‘levering krachtens verdeling’ zijn. Het gemeenschappelijke goed is immers krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’ uit handen van de gezamenlijke deelgenoten verkregen. Dit gevolg van het translatieve stelsel wilde Meijers met artikel 3.7.1.14 lid 4 OM doorbreken. Het belang daarvan kan worden geschetst aan de hand van twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld is dat een erflater een goed slechts in bruikleen had, of heeft gestolen. Op grond van artikel 3:116 BW volgen zijn erfgenamen de erflater als rechtsopvolgers onder algemene titel in zijn bezit en houderschap op. Dat betekent dat de erfgenamen, net zoals de erflater, ook als ‘bruiklener’ of als ‘dief’ kwalificeren. Als het goed vervolgens aan een van de erfgenamen wordt toegedeeld, leidt deze verdeling in beginsel tot een verkrijging uit handen van de gezamenlijke deelgenoten krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. De deelgenoten waren echter niet beschikkingsbevoegd – zij waren immers geen eigenaar – en konden het goed dus niet rechtsgeldig aan een van hen toedelen en leveren. Als de deelgenoten niet wisten dat de erflater het betreffende goed gestolen of geleend had, zou de deelgenoot aan wie het goed is toegedeeld bescherming kunnen ontlenen aan artikel 3:86 lid 1 BW. Artikel 3:86 lid 1 BW bepaalt immers dat, ondanks onbevoegd van de vervreemder (in dit geval de gezamenlijke deelgenoten), een overdracht van een roerende zaak, niet-registergoed of een recht aan toonder of order geldig is, indien deze anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Aldus zou de verdeling en levering alsnog rechtsgeldig zijn. De werkelijke eigenaar van het verdeelde goed zou met lege handen achter blijven. Artikel 3:186 lid 2 BW verhindert dat; de verdeling kwalificeert weliswaar als een zelfstandige verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’, maar desondanks houdt de deelgenoot die het goed door verdeling heeft verkregen dit goed na die verdeling nog steeds onder dezelfde titel, als waaronder hij het goed vóór de verdeling hield. Dat betekent dat hij dat goed nog steeds als ‘bruiklener’ of als ‘dief’ houdt, ondanks dat hij het goed door levering krachtens verdeling heeft verkregen. Daardoor is hij niet ‘te goeder trouw’ in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW en kan hij dus géén bescherming aan dat artikel ontlenen.
241. Het tweede voorbeeld van de werking van artikel 3:186 lid 2 BW volgt uit de hiervóór reeds geciteerde toelichting van Meijers zelf (zie randnummer 239), waar hij de situatie aanhaalt dat een goed aan twee personen is geschonken, waarvan één zijn aandeel aan een derde verkoopt.12 Als het goed vervolgens krachtens verdeling door de overgebleven oorspronkelijke deelgenoot wordt verkregen, houdt hij dat goed nog steeds onder de titel ‘levering krachtens schenking’, ondanks de zelfstandige verkrijging krachtens verdeling en levering. Blijkt later dat aan die schenking een titelgebrek kleeft, dan kan de oorspronkelijke deelgenoot (dus) géén bescherming ontlenen aan het bepaalde in artikel 3:86 lid 1 of artikel 3:88 lid 1 BW. Op grond van artikel 3:186 lid 2 BW houdt de oorspronkelijke deelgenoot het goed nog steeds onder de titel ‘levering krachtens schenking’ en dus wordt hij bij toepassing van artikel 3:86 lid 1 en artikel 3:88 lid 1 BW geacht dat goed niet ‘anders dan om niet’ te hebben verkregen. Aldus voldoet hij niet aan de voorwaarden die deze artikelen aan een geslaagd beroep op derdenbescherming stellen. Dit ligt anders wanneer het goed wordt toegedeeld aan de deelgenoot die als derde-koper zijn aandeel heeft verkregen. Hij zal het goed na de verdeling onder de titel ‘levering krachtens koop’ gaan houden. Dat is de titel waaronder hij zijn aandeel in het goed heeft verkregen. Als de oorspronkelijke schenking later wordt vernietigd, komt hem dus wél een beroep op artikel 3:86 lid 1 BW toe. Hij wordt immers geacht het goed ‘anders dan om niet’ te hebben verkregen en dus wordt hij beschermd door het bepaalde in artikel 3:86 lid 1 BW. Dit alles geldt op gelijke wijze wanneer de titel op grond waarvan de oorspronkelijke deelgenoten het goed hebben verkregen ‘levering krachtens koop’ zou zijn en de koopovereenkomst later op grond van een wilsgebrek wordt vernietigd. Ook in dat geval komt aan de overgebleven oorspronkelijke deelgenoot géén beroep op artikel 3:86 lid 1 of 3:88 lid 1 BW toe. Op grond van artikel 3:186 lid 2 BW houdt hij het goed na de verdeling immers nog steeds onder de titel ‘levering krachtens koop’. Als de koopovereenkomst op grond van een wilsgebrek wordt vernietigd, wordt deze vernietigingsgrond op grond van artikel 3:186 lid 2 BW ‘toegerekend’ aan de oorspronkelijk overgebleven deelgenoot indien en voor zover die het goed door verdeling heeft verkregen. Daardoor is deze deelgenoot niet te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 of 3:88 lid 1 BW, en kan hij aan deze bepalingen geen bescherming ontlenen. Is het goed daarentegen toegedeeld aan een deelgenoot die zijn aandeel van de andere oorspronkelijke deelgenoot krachtens koop en levering heeft verkregen, dan kan hij mogelijk wél een geslaagd beroep op artikel 3:86 lid 1 of 3:88 lid 1 BW doen. Op grond van artikel 3:186 lid 2 BW houdt hij het goed na de verdeling immers onder de titel waaronder hij zijn aandeel heeft verkregen en dus niet onder de titel waaronder de oorspronkelijke deelgenoten het goed verkregen hebben. Of hij vervolgens een geslaagd beroep op artikel 3:86 lid 1 of 3:88 lid 1 BW kan doen, zal er dan van afhangen of hij bij de verkrijging van zijn aandeel wel of niet te goeder trouw was.13