HR, 05-06-1990, nr. 85992
ECLI:NL:HR:1990:ZC8540
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-06-1990
- Zaaknummer
85992
- LJN
ZC8540
- Roepnaam
Rennende reputatie
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1990:ZC8540, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑06‑1990; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1990:17
- Wetingang
art. 27 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NJ 1991, 11 met annotatie van G.J.M. Corstens
Uitspraak 05‑06‑1990
Inhoudsindicatie
Rennende reputatie.
5 juni 1990
Strafkamer
nr. 85.992
AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 november 1988 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [plaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 5 december 1986, waarbij de verdachte ter zake van "wederspannigheid" is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van honderdvijftig gulden, subsidiair drie dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. H.P.H.M. Teunissen, advocaat te Venlo, het volgende middel van cassatie voorgesteld:
Verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt en/of schending van het recht in het bijzonder van de art. 27, 359, 415 Sv doordien het Hof het namens requirant gevoerde verweer dat de ambtenaar [verbalisant 1] niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was, omdat voornoemde ambtenaar geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit had c.q. kon hebben, ten onrechte, althans op niet voldoende gronden heeft verworpen, zodat het arrest onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
1.1 Op 4 januari 1986 zagen de agenten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] de hen bekende [betrokkene 1] met een personenauto op de [a-straat] te [plaats] rijden. Hij bracht zijn voertuig op de [a-straat] tot stilstand en stapte uit zijn auto. Tevens stapten uit drie andere personen, te weten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [verdachte] . Allen staan bij beide agenten bekend als handelaren in verdovende middelen. [betrokkene 2] rende weg. De overige drie werden daarop staande gehouden als verdacht van overtreding van de Opiumwet.
Vervolgens werd door agent [verbalisant 1] een onderzoek in de auto van [betrokkene 1] ingesteld, waarbij twee pillendoosjes werden aangetroffen, één onder andere inhoudende een aantal tabletten en een witte substantie. Agent [verbalisant 2] onderzocht [betrokkene 1] aan zijn kleding en trof in diens linkerjaszak een lucifersdoosje aan waarin hij een kleine hoeveelheid op heroïne gelijkende substantie aantrof. Daarop werden [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 3] als verdacht van art. 2 juncto art. 10 van de Opiumwet aangehouden.
1.2 Bij de behandeling in eerste en tweede instantie is het verweer gevoerd dat beide verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren - zoals art. 180 Sr vereist - nu er op het moment van het staande houden geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld noch in de zin van art. 27 lid 1 Sv, noch in de zin van art. 9 lid 1 onder a van de Opiumwet.
1.3 Het Hof komt tot het oordeel dat, gezien de omstandigheid dat, nadat de door de beide politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waargenomen personenauto door de bestuurder daarvan
eigener beweging tot stilstand was gebracht, één van de inzittenden van die personenauto wegrende en de omstandigheid dat de inzittenden van die auto bij eerder genoemde politieambtenaren bekend stonden als handelaren in verdovende middelen, voor beide politieambtenaren een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 lid 1 Sv, als ook in de zin van art. 9 lid 1 onder a van de Opiumwet bestond, op grond waarvan zij verdachte konden staande houden c.q. aanhouden; dat nu een redelijk vermoeden van schuld in de zin van eerder gemelde bepaling aanwezig was, dit de verbalisanten de bevoegdheid gaf [verdachte] als verdachte staande te houden c.q. aan te houden.
1.4 Het redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 lid 1 Sv moet gebaseerd zijn op concrete feiten en/of omstandigheden. In deze zaak is door het Hof het redelijk vermoeden van schuld gebaseerd op de omstandigheden als genoemd onder 1.3. Deze omstandigheden leveren bezwaarlijk een redelijk vermoeden van schuld op in de zin van art. 27 lid 1 Sv dan wel art. 9 lid 1 onder a Opiumwet. Vergeleken met de casus omschreven in het arrest van het Hof Amsterdam van 3 juni 1977, NJ 1978, 601 moet vastgesteld worden dat het hier zelfs om een veel minder "duidelijk" geval gaat. Immers daar ging het om een verdachte die hard wegliep komende vanuit de richting van een café waarvan vaststond dat daarin verdovende middelen werden verhandeld, terwijl in dit geval de verdachte zich volstrekt normaal heeft gedragen, in ieder geval geen enkele "verdachte" handeling heeft verricht. Als er al iemand verdacht zou moeten worden dan toch [betrokkene 2] , de persoon die hard wegliep.
Tegen de achtergrond daarvan had het Hof nader moeten motiveren waarom er ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. De bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 4 januari 1986 in [plaats] zich met geweld heeft verzet tegen de in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzame ambtenaar [verbalisant 1] , agent van politie dier gemeente, toen deze hem aldaar als verdacht van het strafbaar feit, omschreven in artikel 2 juncto 10 van de Opiumwet en terzake daarvan, tijdens ontdekking op heterdaad van dat feit, had aangehouden en vastgegrepen, welk geweld hierin heeft bestaan, dat hij, verdachte, heeft gerukt en getrokken en geschopt.
5. Beoordeling van het middel
5.1. Blijkens het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting van 20 oktober 1988 heeft de raadsman van de verdachte aldaar aangevoerd:
Feiten
Blijkens het proces-verbaal zien de verbalisanten een personenauto op de [a-straat] te [plaats] rijden. Bestuurder is [betrokkene 1] . In de auto bevinden zich verder [verdachte] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] .
Deze vier personen zijn bij beide verbalisanten van naam en aanzien bekend.
Het viertal staat bekend voor handel in verdovende middelen.
De verbalisanten zien [betrokkene 2] wegrennen.
De overige drie worden naar aanleiding van het vorenstaande ter plaatse staande gehouden als verdacht van overtreding van de Opiumwet.
Vervolgens wordt de auto onderzocht.
Conclusie
Op het moment van staande houden bestond er geen redelijk vermoeden in de zin van artikel 27 lid 1 Sv noch in de zin van artikel 9 lid 1 onder a Opiumwet. En ook al bestond er een redelijk vermoeden in de zin van artikel 9 lid 1 onder a van de Opiumwet dan geeft dit de politie nog niet de bevoegdheid verdachten staande te houden.
Bij het staande houden waren de verbalisanten derhalve niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam.
Jurisprudentie
Hof Amsterdam 3 juni 1977 NJ 1978, 601
HR 8 december 1981 NJ 1982, 533
HR 6 december 1983 NJ 1984, 442.
5.2. Met betrekking tot dit verweer heeft het Hof overwogen en beslist:
dat naar 's Hofs oordeel, gezien de omstandigheid dat, nadat de door beide politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waargenomen personenauto door de bestuurder daarvan eigener beweging tot stilstand was gebracht, één van de inzittenden van die personenauto wegrende en de omstandigheid dat de inzittenden van die auto bij eerdergenoemde politieambtenaren bekend stonden als handelaren in verdovende middelen, voor beide politieambtenaren een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, als ook in de zin van artikel 9, eerste lid onder a van de Opiumwet bestond, op grond waarvan zij verdachte konden staande houden, c.q. aanhouden;
dat nu een redelijk vermoeden van schuld in de zin van eerdergemelde bepaling aanwezig was, dit de verbalisanten de bevoegdheid gaf [verdachte] als verdachte staande te houden c.q. aanhouden;
dat het Hof het door de raadsman gevoerde verweer derhalve verwerpt.
5.3. Het in de hiervoor onder 5.2 weergegeven overwegingen gegeven oordeel van het Hof, dat uit de in die overwegingen vermelde omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan enig strafbaar feit voortvloeide op grond waarvan de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte mochten staande houden en aanhouden in de zin van de artt. 52 en 53 Sv, berust niet op een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in het eerste lid van art. 27 Sv. Het is evenmin onbegrijpelijk. Dat oordeel steunt op omstandigheden van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op zijn juistheid kan worden onderzocht.
5.4. Het middel faalt derhalve.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis en Keijzer, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 5 juni 1990.