HR, 20-02-1990, nr. 85.992
ECLI:NL:PHR:1990:17
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-02-1990
- Zaaknummer
85.992
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:1990:17, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑02‑1990
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1990:ZC8540
Conclusie 20‑02‑1990
Inhoudsindicatie
Rennende reputatie.
LV
Nr. 85.992
Zitting 20 februari 1990
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 3 november 1988 met wijziging van de bewijsvoering en van de motivering van de straf bevestigd het op 5 december 1986 door de Politierechter in de Rechtbank te Roermond gewezen vonnis, waarbij de huidige verzoeker tot cassatie wegens wederspannigheid (art. 180 Sr) werd veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk, proeftijd twee jaren en een geldboete van f. 150, - of drie dagen hechtenis.
Bij schriftuur heeft Mr. H. P. H.M. Teunissen, advocaat te Venlo één middel van cassatie voorgesteld waarin hij betoogt dat het Hof ten onrechte, althans op onvoldoende gronden heeft verworpen het verweer dat de politiebeambte [verbalisant 1] anders dan in de bewezenverklaring aangenomen op hierna weer te geven grond niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was.
Het Hof heeft op dit punt overwogen:
Overwegende, met betrekking tot het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer, dat er op het moment van staande houden van verdachte geen redelijk vermoeden van schuld noch in de zin van artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, noch in de zin van artikel 9, eerste lid onder a van de Opiumwet bestond en dat, ook al bestond het redelijk vermoeden in de zin van artikel 9, eerste lid onder a van de Opiumwet wel, dit de politie nog niet de bevoegdheid gaf verdachte staande te houden:
dat naar 's Hofs oordeel, gezien de omstandigheid dat, nadat de door beide politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waargenomen personenauto door de bestuurder daarvan eigener beweging tot stilstand was gebracht, één van de inzittenden van die personenauto wegrende en de omstandigheid dat de inzittenden van die auto bij eerdergenoemde politieambtenaren bekend stonden als handelaren in verdovende middelen, voor beide politieambtenaren een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, als ook in de zin van artikel 9, eerste lid onder a van de Opiumwet bestond, op grond waarvan zij verdachte konden staande houden, c.q. aanhouden;
dat nu een redelijk vermoeden van schuld in de zin van eerdergemelde bepaling aanwezig was, dit de verbalisanten de bevoegdheid gaf [verzoeker] als verdachte staande te houden c.q. aanhouden;
dat het Hof het door de raadsman gevoerde verweer derhalve verwerpt .
Het enkele feit dat een aantal personen (vier) alle bij de politie bekend staat als handelaren in verdovende middelen brengt hen niet in een soort permanente staat van verdachten, dat is van personen jegens wie daarom een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 lid 1 Sv. bestaat.
Als we dan analytisch en geïsoleerd verder redeneren dan kan de omstandigheid dat één van dat aantal van vier personen, nadat de auto waarin ze alle vier zaten tot stilstand was gebracht, wegrende wel jegens die ene persoon een redelijk vermoeden van schuld opleveren maar niet jegens de rest, want die deden niets, (althans aanvankelijk) .
Maar die redenering is, dunkt mij, niet zuiver. Daarbij toch wordt over het hoofd gezien dat hier vier mannen samen in een auto zaten, die alle bekend waren als handelaren in verdovende middelen waarvan er één bij de nadering van de politie in paniek geraakte. Dat de politie dan mag menen, het redelijk vermoeden mag hebben dat die ene wegrenner een onderdeel is van een geheel dat zich bezig houdt met ongeoorloofde zaken op drugs-gebied, is een redenering die bij ieder wel denkend mens opkomt. Het is om de reden van deze " collectiviteit" dat ik de zaak sterker vind dan die van Hof Amsterdam 3 juni 1977 NJ 1978, 601. Bovendien was de kleurling, die verbalisanten hard zagen lopen niet bekend als handelaar of gebruiker van verdovende middelen, maar liep hij alleen zo hard
"komende uit de richting van het hun (verbalisanten) als verzamelplaats van handelaren en gebruikers van verdovende middelen bekend café " [A] ".
Dat het gedrag van één persoon redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit van andere personen hoewel zij dat gedrag niet vertonen teweeg kan brengen is niets bijzonders, wanneer tussen die personen bindingen bestaan die het voor de hand liggend maken dat de schuldigheid waarvan de een het vermoeden oproept hen allen betreft.
Ik acht het middel niet gegrond en concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,