HR, 02-12-1997, nr. 106201
ECLI:NL:HR:1997:ZD0880
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-12-1997
- Zaaknummer
106201
- LJN
ZD0880
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1997:ZD0880, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑1997; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1997:53
- Wetingang
- Vindplaatsen
VR 1998, 133
Uitspraak 02‑12‑1997
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994) en niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184.1 Sr). 1. Toepasselijkheid van art. 261 (oud) Sv of art. 261 Sv en inwerkingtreding van Wet vormverzuimen (Stb. 1995, 441). Moeten wettelijke voorschriften, waarbij tlgd. feiten strafbaar zijn gesteld, worden vermeld in dagvaarding in eerste aanleg en welke gevolgen had hof aan dit verzuim moeten verbinden? 2. Moeten deze wettelijke voorschriften worden vermeld in dagvaarding in hoger beroep? Ad 1. Inhoud van Wet vormverzuimen (waarbij art. 261 Sv is gewijzigd) en van art. 4 Wet algemene bepalingen brengt mee dat (bij gebrek aan een van art. II Wet vormverzuimen afwijkende bijzondere overgangsbepaling) op dagvaardingen die voor inwerkingtreding van Wet vormverzuimen (op 2-11-1996) zijn uitgebracht art. 261 (oud) Sv van toepassing is, terwijl op nog uit te brengen dagvaardingen de nieuwe bepaling toepassing vindt. Art. 261 (oud) Sv schrijft niet voor dat wettelijke voorschriften waarbij feit strafbaar is gesteld in dagvaarding worden vermeld. Rechter die na inwerkingtreding van wijziging van strafvorderlijke wettelijke bepalingen daarvoor verrichte proceshandelingen mede in zijn oordeelsvorming betrekt, behoeft die proceshandelingen niet te toetsen aan nieuwe bepaling, behalve v.zv. die nieuwe bepalingen mede instructie aan rechter inhouden die meebrengt dat rechter slechts op die proceshandelingen acht kan slaan v.zv. zij aan nieuwe bepalingen voldoen. Nu zodanige instructie ontbreekt behoefde hof, in aanmerking genomen dat dagvaarding voor 2-11-1996 is uitgebracht, niet blijk te geven te hebben onderzocht of inleidende dagvaarding voldeed aan het (t.t.v. uitbrengen van die dagvaarding nog niet van kracht zijnde) vereiste dat daarin wettelijke voorschriften worden vermeld waarbij tlgd. feit strafbaar is gesteld en derhalve evenmin welke gevolgen aan verzuim eventueel verbonden zouden moeten worden. Ad 2. Klacht dat art. 261 Sv niet in acht is genomen bij dagvaarding in h.b. stuit reeds daarop af dat art. 261 Sv noch in art. 412 Sv, noch in art. 415 Sv van toepassing is verklaard op dagvaarding in h.b. Volgt verwerping.
2 december 1997
Strafkamer
nr. 106.201
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 januari 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissements-rechtbank te Arnhem van 17 mei 1995 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 (bedrijfsvoertuig) " en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een vordering of bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar, belast met het opsporen van strafbare feiten" veroordeeld tot een geldboete van vijftienhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis, met ten aanzien van feit 1. tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A.A. Franken, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van het middel
4.1.1. Voor de beoordeling van het middel is van belang de Wet van 14 september 1995 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (vormverzuimen), Stb. 1995, 441 - hierna te noemen de Wet vormverzuimen - voorzover deze luidt:
ARTIKEL I
Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
( . . . )
E
Artikel 261, eerste lid, komt als volgt te luiden:
De dagvaarding behelst een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; verder vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld.
( . . . )
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip ( ... )
ARTIKEL III
Artikel I, onder D en F, heeft geen gevolgen voor strafzaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds ter terechtzitting in eerste aanleg aanhangig zijn gemaakt.
4.1.2. Krachtens het Besluit van 21 oktober 1996, Stb. 1996, 522, is de Wet vormverzuimen met ingang van 2 november 1996 in werking getreden.
4.1.3. Art. 4 van de Wet algemene bepalingen luidt:
"De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht".
4.2. Het vorenstaande brengt mee dat - bij gebreke van een van art. II afwijkende bijzondere overgangsbepaling - op dagvaardingen welke voor de inwerkingtreding van de Wet vormverzuimen zijn uitgebracht art. 261 (oud) Sv van toepassing is, terwijl op nog uit te brengen dagvaardingen de nieuwe bepaling toepassing vindt. Art. 261 (oud) Sv schrijft niet voor dat de wettelijke voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld in de dagvaarding worden vermeld.
4.3. Anders dan het middel betoogt behoeft de rechter die na de inwerkingtreding van een wijziging van strafvorderlijke wettelijke bepalingen voordien verrichte proceshandelingen mede in zijn oordeelsvorming betrekt, die proceshandelingen niet te toetsen aan de nieuwe bepaling, behoudens voorzover die nieuwe bepalingen mede een instructie aan de rechter inhouden die meebrengt dat de rechter slechts op die proceshandelingen acht kan slaan voorzover zij aan de nieuwe bepalingen voldoen. Nu zodanige instructie ontbreekt behoefde het Hof, in aanmerking genomen dat de dagvaarding voor 2 november 1996 is uitgebracht, geen blijk te geven te hebben onderzocht of de inleidende dagvaarding voldeed aan het - ten tijde van het uitbrengen van die dagvaarding nog niet van kracht zijnde - vereiste dat daarin de wettelijke voorschriften worden vermeld waarbij het telastegelegde feit strafbaar is gesteld en derhalve evenmin welke gevolgen aan een verzuim eventueel verbonden zouden moeten worden.
4.5. Het middel faalt derhalve.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Aaftink en Orie, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 2 december 1997.