Verandering van wetgeving, p.21 e.v.
HR, 14-10-1997, nr. 106.201
ECLI:NL:PHR:1997:53
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-1997
- Zaaknummer
106.201
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:1997:53, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑1997
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZD0880
Conclusie 14‑10‑1997
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994) en niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184.1 Sr). 1. Toepasselijkheid van art. 261 (oud) Sv of art. 261 Sv en inwerkingtreding van Wet vormverzuimen (Stb. 1995, 441). Moeten wettelijke voorschriften, waarbij tlgd. feiten strafbaar zijn gesteld, worden vermeld in dagvaarding in eerste aanleg en welke gevolgen had hof aan dit verzuim moeten verbinden? 2. Moeten deze wettelijke voorschriften worden vermeld in dagvaarding in hoger beroep? Ad 1. Inhoud van Wet vormverzuimen (waarbij art. 261 Sv is gewijzigd) en van art. 4 Wet algemene bepalingen brengt mee dat (bij gebrek aan een van art. II Wet vormverzuimen afwijkende bijzondere overgangsbepaling) op dagvaardingen die voor inwerkingtreding van Wet vormverzuimen (op 2-11-1996) zijn uitgebracht art. 261 (oud) Sv van toepassing is, terwijl op nog uit te brengen dagvaardingen de nieuwe bepaling toepassing vindt. Art. 261 (oud) Sv schrijft niet voor dat wettelijke voorschriften waarbij feit strafbaar is gesteld in dagvaarding worden vermeld. Rechter die na inwerkingtreding van wijziging van strafvorderlijke wettelijke bepalingen daarvoor verrichte proceshandelingen mede in zijn oordeelsvorming betrekt, behoeft die proceshandelingen niet te toetsen aan nieuwe bepaling, behalve v.zv. die nieuwe bepalingen mede instructie aan rechter inhouden die meebrengt dat rechter slechts op die proceshandelingen acht kan slaan v.zv. zij aan nieuwe bepalingen voldoen. Nu zodanige instructie ontbreekt behoefde hof, in aanmerking genomen dat dagvaarding voor 2-11-1996 is uitgebracht, niet blijk te geven te hebben onderzocht of inleidende dagvaarding voldeed aan het (t.t.v. uitbrengen van die dagvaarding nog niet van kracht zijnde) vereiste dat daarin wettelijke voorschriften worden vermeld waarbij tlgd. feit strafbaar is gesteld en derhalve evenmin welke gevolgen aan verzuim eventueel verbonden zouden moeten worden. Ad 2. Klacht dat art. 261 Sv niet in acht is genomen bij dagvaarding in h.b. stuit reeds daarop af dat art. 261 Sv noch in art. 412 Sv, noch in art. 415 Sv van toepassing is verklaard op dagvaarding in h.b. Volgt verwerping.
Nr. 106.201
Zitting 14 oktober 1997
Mr Machielse
Conclusie inzake :
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
2. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld en mr A.A. Franken, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3. Het middel klaagt dat het hof eraan is voorbijgegaan dat in de inleidende dagvaarding en in de appeldagvaarding ten onrechte niet de wettelijke voorschriften zijn vermeld waarbij de telastegelegde feiten strafbaar zijn gesteld, althans dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken welk rechtsgevolg aan dat verzuim dient te worden verbonden.
4. Op 2 november 1996 is de wet van 14 september 1995, Stb. 441 in werking getreden. Bij die wet is art.261 Sv gewijzigd en is aan het eerste lid daarvan toegevoegd dat de dagvaarding de wettelijke voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld moet vermelden. Terecht stelt de toelichting op het middel dat artikel III, aanwijzende welke wijzigingen geen gevolg hebben voor strafzaken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds ter terechtzitting in eerste aanleg aanhangig zijn, de wijziging van art.261 Sv (artikel I onder E) niet vermeldt. Letterlijke toepassing van het overgangsrecht in deze zou ertoe leiden dat een dagvaarding aan een gebrek gaat lijden doordat na het uitbrengen ervan een wet van kracht wordt die aan de dagvaarding nadere eisen stelt. De vraag rijst of die slotsom onontkoombaar is.
5. Art. 4 Wet AB stelt dat de wet alleen voor het toekomende verbindt en geen terugwerkende kracht heeft. Terugwerkende kracht houdt volgens Knigge in dat de wet aan een anterieur feit rechtsgevolgen verbindt.1.Art. 4 Wet AB verbiedt de rechter een wet zo uit te leggen dat die wet terugwerkende kracht heeft, tenzij de wet zulks zelf uitdrukkelijk mogelijk maakt. Te denken is aan de toepassing van een gunstiger strafbepaling op een anterieur feit in geval van veranderd inzicht in de strafwaardigheid van het feit. Het anterieure feit is in de onderhavige context het omschrijven van het verwijtbare gedrag in een telastelegging die als grondslag van het strafrechtelijk onderzoek ter terechtzitting zal dienen. Omschrijft de steller van de telastelegging die te verwijten feiten op een manier die niet aan geldende rechtseisen voldoet dan zal de telastelegging nietig geoordeeld kunnen worden. Aan de wet van 14 september 1995 wordt terugwerkende kracht toegekend als zij rechtsgevolgen zou verbinden aan feiten van voor haar inwerkingtreding. En daarop komt volgens mij de opvatting van de steller van het middel neer. Meteen is ook duidelijk waarom die opvatting niet kan opgaan. De wet van 14 september 1995 bepaalt nergens uitdrukkelijk dat de wijziging van art.261 Sv terugwerkende kracht zal hebben. Voor die wet geldt, behoudens een bijzondere overgangsregel in art. III, de gewone hoofdregel van strafvorderlijk overgangsrecht; de wetswijziging geldt voor de toekomst vanaf het tijdstip van inwerkingtreding. Zij verbindt voor het toekomende, dus voor de wijze waarop na inwerkingtreding telasteleggingen zullen moeten worden opgesteld.2.Aangezien in de onderhavige zaak de inleidende dagvaarding is uitgebracht voor de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving zou het hof het vernieuwde art.261 Sv van terugwerkende kracht hebben voorzien als het hof rechtsgevolgen zou hebben verbonden aan het ontbreken van een vermelding van de wetsartikelen in die dagvaarding.
Voor de appeldagvaarding heeft het ontbreken van een vermelding geen gevolgen omdat art.261 Sv op de dagvaarding in hoger beroep niet van toepassing is. Omdat de inleidende dagvaarding niet hoefde te voldoen aan de nieuwe eisen in art.261 Sv was het hof ook niet gehouden enig onderzoek in te stellen naar de rechtsgevolgen die aan dat 'verzuim' zouden moeten worden verbonden.
Het middel faalt.
6. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot cassatie aanleiding behoort te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑10‑1997
Zie voorts de annotatie van G.Knigge onder HR NJ 1996,733.