Behalve in deze zaak concludeer ik heden eveneens in de op verzoeker betrekking hebbende zaak met gr.nr. 02021/99 E.
HR, 03-07-2001, nr. 01758/99E
ECLI:NL:HR:2001:ZD2885
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
03-07-2001
- Zaaknummer
01758/99E
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
ZD2885
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2001:ZD2885, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑07‑2001
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2885
ECLI:NL:HR:2001:ZD2885, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑07‑2001; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2885
- Wetingang
art. 399 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
Conclusie 03‑07‑2001
Mr. Machielse
Partij(en)
Nr. 01758/99 E
Mr. Machielse
Zitting: 22 mei 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
- 1.
In deze zaak1. is "beroep" ingesteld, waarna de zaak aanvankelijk naar het hof is verzonden en vervolgens naar de Griffier van de Hoge Raad.
2.
Middelen van cassatie zijn niet voorgesteld.
3.
Ambtshalve verdient het aangewende rechtsmiddel van "beroep" enerzijds en de tijdigheid van het indienen daarvan anderzijds Uw aandacht.
4.
Inzake het rechtsmiddel het volgende. Verzoeker is bij vonnis van 12 december 1997 door de economische politierechter in eerste aanleg - bij verstek - veroordeeld ter zake van het "overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.10, eerste lid, van de Wet Milieubeheer", welk feit krachtens art. 1a onder sub 3 (oud) WED, in samenhang beschouwd met art. 2 lid 4 WED, een overtreding oplevert. Aan verzoeker is daarbij een geldboete opgelegd van ƒ 135,=, subsidiair 2 dagen hechtenis. Ingevolge art.51 lid 1 sub 2 (oud) WED stond, met het oog op de hoogte van de opgelegde geldboete, welke de minimumgrens van ƒ 500,= niet heeft overstegen, hoger beroep van het vonnis in eerste aanleg niet open voor verzoeker. Gelet op art. 399 (oud) Sv kon verzoeker slechts verzet doen tegen het bij verstek gewezen vonnis in eerste aanleg. Omdat verzoeker geacht moet worden het juiste rechtsmiddel te hebben willen instellen 2. moet het ingestelde "beroep" worden verstaan als "verzet". Een conversiebeslissing van Uw Raad kan hierin voorzien.
5.
Terzake de tijdigheid van het ingediende rechtsmiddel is voorts nog het volgende van belang. Bij de aan de Griffier van de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een enkele kennisgeving mededeling uitspraak "NOH-vonnis". Gelet op de daaraan gehechte kennisgeving is aan verzoeker op 16 maart 1999 in persoon mededeling gedaan van het hiervoor bedoelde niet onherroepelijke verstekvonnis. Blijkens de akte rechtsmiddel heeft verzoeker evenwel eerst op (dinsdag) 31 maart 1999 daartegen "beroep" ingesteld. Derhalve niet binnen de voorgeschreven termijn van veertien dagen, zoals 399 lid 2 Sv (oud) voorschrijft. De wettelijke termijn om een rechtsmiddel in te dienen is daarmee overschreden.
6.
Indien - anders dan in casu is geschied - cassatieberoep zou zijn aangetekend zou de Hoge Raad gelet op het vorenoverwogene geen aanleiding behoeven te zien om het beroep te verstaan als verzet en het cassatieberoep niet-ontvankelijk kunnen verklaren.3. Te dezen is dat evenwel niet mogelijk op grond van het ingediende onjuiste rechtsmiddel. Omdat evenwel een beslissing in deze zaak zal moeten volgen en de Hoge Raad doelmatigheidshalve in een eindbeslissing zal kunnen voorzien, luidt mijn conclusie als volgt.
7.
Deze conclusie strekt ertoe:
- -
dat de Hoge Raad het beroep zal verstaan als verzet;
- -
dat de Hoge Raad doelmatigheidshalve zelf in de zaak zal voorzien, in aanmerking genomen dat, na verzending van de stukken naar de economische politierechter te 's-Gravenhage door de Griffier van de Hoge Raad, geen andere beslissing kan volgen dan de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het door hem ingediende verzet;
- -
dat de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk verklaart in diens verzet.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑07‑2001
Uitspraak 03‑07‑2001
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
3 juli 2001
Strafkamer
nr. 01758/99 E
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 12 december 1997, parketnummer 09/085316-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats]
1. De bestreden uitspraak
De Economische Politierechter heeft de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.10 eerste lid, van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdvijfendertig gulden, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in diens beroep.
3. Beoordeling van het ingestelde beroep
3.1.Blijkens
de door de Griffier van de Rechtbank daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 31 maart 1999 ter griffie verklaard tegen het onder 1 vermelde vonnis "beroep" in te stellen. Aangenomen moet worden dat de verdachte heeft beoogd aldus tot uitdrukking te brengen het volgens de wet tegen voormeld vonnis openstaande rechtsmiddel, te weten verzet, te willen aanwenden. De Griffier van de Rechtbank heeft de stukken van het geding evenwel naar de Hoge Raad gezonden ter behandeling en afdoening van het ingestelde "beroep".
- 3.2.
Tot de stukken van het geding behoort een op ambtseed opgemaakte "kennisgeving mededeling NOH-vonnis"
- -
waarmee klaarblijkelijk is bedoeld: niet-onherroepelijk vonnis -, inhoudende dat op 16 maart 1999 door een medewerker van de penitentiaire inrichting Oostereiland te Hoorn aan de verdachte in persoon mededeling is gedaan van voornoemd vonnis. Derhalve had tegen dat vonnis uiterlijk op 30 maart 1999 een rechtsmiddel moeten zijn aangewend. Het onder 3.1 bedoelde rechtsmiddel is evenwel eerst op 31 maart 1999 ingesteld.
- 3.3.
De hiervoor onder 3.2 vermelde omstandigheid heeft tot gevolg dat geen rechter de verdachte nog zal kunnen ontvangen in het door deze aangewende rechtsmiddel. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.
Mr. A.J.A. van Dorst is buiten staat dit arrest te ondertekenen.