HR, 09-05-2006, nr. 03655/05
ECLI:NL:HR:2006:AV6219
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
09-05-2006
- Zaaknummer
03655/05
- LJN
AV6219
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AV6219, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑05‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV6219
ECLI:NL:HR:2006:AV6219, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑05‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV6219
- Vindplaatsen
Conclusie 09‑05‑2006
Inhoudsindicatie
Conversie? Verdachte is op 10-5-04 door Ktr bij verstek veroordeeld tot € 40,- geldboete wegens overtreding APV en stelt op 28-2-05 appèl in. Hof verstaat dat verdachte tegen vonnis Ktr cassatie heeft ingesteld. Ex art. 404.2.b jo 399.3 Sv staat verzet open. Ex art. 78.5 RO kan door verdachte derhalve geen cassatie worden ingesteld. Politie-pv houdt in dat op 27-2-04 aan verdachte een oproeping is uitgereikt om te verschijnen voor de Ktr. Gelet hierop had verdachte ex art. 399.1.a Sv binnen 14 dagen na de uitspraak verzet moeten doen. Dat heeft tot gevolg dat geen rechter verdachte nog zal kunnen ontvangen in het door deze aangewende rechtsmiddel. HR verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde rechtsmiddel (HR NJ 2001, 533).
Nr. 03655/05
Mr Machielse
Zitting 14 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 24 november 2005 verstaan dat verdachte tegen de verstekveroordeling van de Kantonrechter te Rotterdam van 10 mei 2004 voor overtreding van de bepaling van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam, waarbij verdachte een geldboete van € 40,- is opgelegd, geen hoger beroep maar beroep in cassatie heeft ingesteld en dienvolgens het dossier naar de griffier van de Hoge Raad toegezonden.
2. Verdachte heeft op 28 februari 2005 tegen de verstekveroordeling door de Kantonrechter hoger beroep ingesteld.
3.1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 24 november 2005 overwogen dat tegen het vonnis geen hoger beroep maar cassatie openstond, het ingestelde rechtsmiddel verstaan als beroep in cassatie en de stukken verzonden aan de griffier van de Hoge Raad.
3.2. Art. 404 Sv houdt sinds 1 januari 2003 in dat voor verdachte tegen een vonnis, als einduitspraak door een rechtbank ter zake van een overtreding gewezen en waarbij verdachte niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, hoger beroep openstaat tenzij (lid 2 onder b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum van € 50. Omdat in de onderhavige zaak een geldboete van € 40,- is opgelegd stond inderdaad geen hoger beroep open. Wel evenwel verzet op de voet van art. 399 lid 1 jo. lid 3 Sv.
3.3. Het hof had het ingestelde rechtsmiddel als verzet dienen te verstaan en de stukken naar de griffier van de rechtbank moeten zenden. Als verdachte in de verzetprocedure weer tot een zelfde geldboete wordt veroordeeld zou wél cassatie openstaan ingevolge art. 404 lid 3 Sv.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het ingestelde hoger beroep zal verstaan als verzet en de stukken zal doen toekomen aan de griffier van de rechtbank, opdat de rechtbank de zaak op het bestaande verzet zal kunnen berechten en afdoen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak 09‑05‑2006
Inhoudsindicatie
Conversie? Verdachte is op 10-5-04 door Ktr bij verstek veroordeeld tot € 40,- geldboete wegens overtreding APV en stelt op 28-2-05 appèl in. Hof verstaat dat verdachte tegen vonnis Ktr cassatie heeft ingesteld. Ex art. 404.2.b jo 399.3 Sv staat verzet open. Ex art. 78.5 RO kan door verdachte derhalve geen cassatie worden ingesteld. Politie-pv houdt in dat op 27-2-04 aan verdachte een oproeping is uitgereikt om te verschijnen voor de Ktr. Gelet hierop had verdachte ex art. 399.1.a Sv binnen 14 dagen na de uitspraak verzet moeten doen. Dat heeft tot gevolg dat geen rechter verdachte nog zal kunnen ontvangen in het door deze aangewende rechtsmiddel. HR verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde rechtsmiddel (HR NJ 2001, 533).
9 mei 2006
Strafkamer
nr. 03655/05
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Rotterdam van 10 mei 2004, nummer 10/433364-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Kantonrechter heeft de verdachte ter zake van overtreding van art. 2.4.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 40,-, subsidiair één dag hechtenis.
2. Het cassatieberoep
De verdachte heeft op 28 februari 2005 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter. Bij arrest van 24 november 2005 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verstaan dat de verdachte tegen dat vonnis beroep in cassatie heeft ingesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het ingestelde hoger beroep zal verstaan als verzet en de stukken zal doen toekomen aan de Griffier van de Rechtbank opdat de Rechtbank de zaak op het bestaande verzet zal kunnen berechten en afdoen.
3. Beoordeling van het ingestelde rechtsmiddel
3.1. Gelet op art. 404, tweede lid aanhef en onder b, in verbinding met art. 399, derde lid, Sv staat in de onderhavige zaak verzet open. Ingevolge art. 78, vijfde lid, RO kan door de verdachte derhalve geen beroep in cassatie worden ingesteld.
3.2. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond nr. 2004071907-1 van 27 februari 2004, op ambtseed opgemaakt door J.C. Blokzijl, brigadier van politie. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang, in als relaas van de verbalisant dat hij aan de verdachte, die was staande gehouden wegens verdenking van overtreding van art. 2.4.5 APV Rotterdam, op 27 februari 2004 een oproeping heeft uitgereikt om op 10 mei 2004 te 11.00 uur te verschijnen voor de Rechtbank te Rotterdam, sector Kanton. Gelet hierop had de verdachte ingevolge art. 399, eerste lid aanhef en onder a, Sv binnen veertien dagen na de uitspraak - dus uiterlijk op 24 mei 2004 - verzet moeten doen tegen het vonnis van de Kantonrechter.
3.3. De hiervoor onder 3.2 vermelde omstandigheid heeft tot gevolg dat geen rechter de verdachte nog zal kunnen ontvangen in het door deze aangewende rechtsmiddel.
De Hoge Raad vindt hierin aanleiding de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde rechtsmiddel. (vgl. HR 3 juli 2001, NJ 2001, 533).
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde rechtsmiddel.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 mei 2006.