Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.4.1:16.4.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.4.1
16.4.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456427:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van de eredienstvrijstelling voor onroerendezaakbelasting kan geconcludeerd worden dat men voor de wijziging van de Gemeentewet begin jaren zeventig automatisch ervan uit ging dat ‘onroerende zaken die bestemd waren voor de eredienst waren vrijgesteld’ van onroerendezaakbelasting. Met de eis van de wetgever dat een onroerende zaak in hoofdzaak bestemd moet zijn voor de eredienst of de bezinningssamenkomst en de later in de jurisprudentie ontwikkelde norm van 70% is deze benadering zowel door de wetgever als de rechter losgelaten. Er heeft zich net als bij de ANBI-regeling een ontwikkeling voorgedaan waarbij de nadruk is komen te liggen op het toetsen van de feitelijke omstandigheden. Immers, voorheen was het standpunt van de regering dat de belastingheffer zich niet op het geestelijke terrein van de eredienst zou begeven en zou objectiveren in welke mate zaken bestemd zijn voor de eredienst.
In de jurisprudentie hanteert men ten aanzien van de term eredienst in hoofdzaak een objectiverende kwalificatiewijze. De Hoge Raad heeft bepaald dat de term eredienst moet worden uitgelegd naar gangbaar spraakgebruik, dus op grond van bijvoorbeeld het woordenboek Van Dale. De wetgever heeft deze uitleg onderschreven. De reikwijdte van de term ‘bezinningsbijeenkomst’ is door de wetgever niet scherp afgebakend. De wetgever heeft de term zo afgebakend dat niet bedoeld is hieronder kerkelijke activiteiten te scharen. Aangezien voor de term eredienst in de jurisprudentie is bepaald dat hij naar gangbaar spraakgebruik moet worden uitgelegd ligt het gezien het gelijkheidsbeginsel voor de hand dat de grammaticale uitleg ook geldt voor de openbare bijeenkomst van levensovertuigingen. Ook voor openbare bezinningssamenkomst geldt in beginsel dus een objectiverende kwalificatiewijze. Hiervoor objectieve criteria vinden is echter lastig aangezien het gangbare spraakgebruik hierover weinig duidelijkheid geeft.
Met de terminologie ‘onroerende zaak’ bedoelt de wetgever ‘… alle gebouwen die bestemd zijn voor de openbare eredienst en openbare bezinningsbijeenkomsten, dus ook bijvoorbeeld moskeeën en synagogen’. De betekenis van de onroerende zaak volgt daarmee de uitleg van de term eredienst en openbare bezinningssamenkomst.
Doordat in wetgeving en jurisprudentie is bepaald dat instellingen aan de hand van de feitelijke omstandigheden moeten aantonen dat het betreffende gebouw (onroerend goed) voor 70% gebruikt wordt voor de eredienst of de bezinningsbijeenkomst en doordat hierbij uitgegaan wordt van een objectiverende uitleg van de termen eredienst en bezinningssamenkomst (namelijk naar gangbaar spraakgebruik), kunnen we concluderen dat de kerkenvrijstelling in de rechtspraak gekenmerkt wordt door een objectief begrip van godsdienst.