Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.3.2:7.3.2 Rekenkamercommissies
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.3.2
7.3.2 Rekenkamercommissies
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vernieuwingsimpuls (2002a), p. 38.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gemeenteraden die niet overgaan tot het instellen van een onafhankelijke rekenkamer, zijn op grond van art. 81 oa lid 1 Gemeentewet verplicht op een alternatieve manier invulling te geven aan de rekenkamerfunctie. De regeling van deze alternatieve invulling — uitvloeisel van het amendement-De Cloe — in hoofdstuk IVb Gemeentewet is van beperkte omvang. Art. 8loa Gemeentewet is hierin het enige artikel en bevat voornamelijk verwijzingen naar andere artikelen.
In vergelijking met de institutionele voorzieningen voor leden van de rekenkamer valt op dat op personen die met de invulling van de rekenkamerfunctie belast zijn, alleen het grootste gedeelte van art. 81f Gemeentewet (de incompatibiliteitenregeling) van toepassing is. Vrijwel alle incompatibiliteiten die in dit artikel vermeld zijn, gelden ook voor personen die belast zijn met de uitoefening van de rekenkamerfunctie, behalve uiteraard het lidmaatschap van een gemeentelijke commissie en het raadslidmaatschap, waar het de indieners van het amendement uiteindelijk om te doen was. De overige institutionele bepalingen uit hoofdstuk IVa Gemeentewet gelden dus niet voor de alternatieve invulling van de rekenkamerfunctie. Indien de raad soortgelijke regels wil stellen voor diegenen die deze functie uitoefenen — zoals de regeling van benoeming en ontslag, het aanduiden van verboden handelingen, het vaststellen van eventuele vergoedingen en het treffen van voorzieningen voor ambtelijke bijstand - kan hij dit doen in een verordening ex art. 81oa lid 1 Gemeentewet.
De taken van deze rekenkamermodaliteiten zijn dezelfde als die van de onafhankelijke rekenkamers. Art. 81 oa lid 2 Gemeentewet verklaart art. 182 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, zodat ook hier het onderzoek naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gevoerde bestuur centraal staat. De onderzoeksbevoegdheden en de inlichtingenplicht uit de artikelen 183 en 184 Gemeentewet zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de rekenkamercommissies. Wat daarvan de precieze betekenis is, werd gedurende de parlementaire behandeling niet duidelijk. In de Handreiking "De lokale rekenkamer en rekenkamerfunctie" van de Vernieuwingsimpuls wordt ervan uitgegaan dat de gemeenteraad bij verordening kan regelen dat alle informatie die bij de gemeente zelf berust, voor rekenkamercommissies toegankelijk wordt gemaakt en dat gemeenten ten aanzien van derden via subsidievoorwaarden en bepalingen in overeenkomsten kunnen afdwingen dat de rekenkamercommissie een recht van onderzoek toekomt.1
Vooral ten aanzien van de informatie die berust bij de gemeente zelf, is het mijns inziens twijfelachtig of de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat gemeentelijke organen alle inlichtingen verschaffen en inzage geven in alle documenten. Juist omdat de rekenkamerfunctie ex art. 81oa Gemeentewet kan worden ingevuld door een commissie die (mede) bestaat uit raadsleden, is het niet onredelijk de inlichtingenplicht uit art. 169 lid 3 Gemeentewet in het geheel te betrekken. Dit artikel werpt mijns inziens twee barrières op voor een (deels) uit raadsleden samengestelde rekenkamercommissie. Allereerst geldt bij deze inlichtingenplicht een verschoningsgrond voor het college. Toegepast op de verzoeken om inlichtingen van een rekenkamercommissie, zou dit betekenen dat het college deze commissie geen inlichtingen verstrekt, indien het verstrekken daarvan in strijd is met het openbaar belang. Dit leidt onherroepelijk tot een andere regeling dan die geldt voor de onafhankelijke rekenkamer. Ten aanzien van dit orgaan geldt geen verschoningsgrond, maar alleen een verbod op het openbaar maken van informatie die naar haar aard vertrouwelijk is. Een tweede barrière houdt verband met de verstrekker van de inlichtingen. Bij onafhankelijke rekenkamers geldt dat het gemeentebestuur inzage geeft in alle documenten en alle inlichtingen verstrekt die voor het onderzoek noodzakelijk zijn. Het gemeentebestuur bestaat volgens art. 5 Gemeentewet uit ieder bevoegd orgaan van de gemeente. Dit betekent dat elk orgaan — van bezwaarschriftencommissie tot deelraad en van de gemeentelijke ombudsman tot de gemeenteraad zelf — moet voldoen aan de wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken aan de rekenkamer. Nu een dergelijke wettelijke verplichting voor rekenkamercommissies ontbreekt, is het de vraag of een rekenkamercommissie deze bevoegdheid zou kunnen ontlenen aan een gemeentelijke verordening. Ten overstaan van raadsleden geldt dit op grond van art. 169 lid 3 en art. 180 lid 3 Gemeentewet als een verplichting voor het college en de burgemeester, maar of een dergelijke inlichtingenplicht kan worden afgedwongen ten opzichte van overige organen zonder wettelijke grondslag, is mijns inziens de vraag. Zeker waar deze organen een geheimhoudingsplicht hebben (zoals bijvoorbeeld de vertrouwenscommissie bij een burgemeestersbenoeming) of een andersoortige vertrouwensfunctie hebben (zoals de gemeentelijke ombudsman), lijkt dit niet voor de hand te liggen. De (rechts)praktijk zal moeten uitwijzen hoever gemeentelijke verordeningen kunnen gaan in het toekennen van onderzoeksbevoegdheden aan rekenkamercommissies.
Van belang om op te merken is verder dat art. 81 oa lid 2 Gemeentewet het gehele art. 182 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaart op het onderzoek door rekenkamercommissies. Dit betekent dat ook het tweede lid van art. 182 Gemeentewet — "op verzoek van de raad kan de rekenkamer een onderzoek instellen" — op deze commissies van toepassing is.