De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.5:III.5 Synthese
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.5
III.5 Synthese
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242849:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De invoering van het monistische bestuursmodel dient op grond van art. 2:129a/ 239a lid 1 BW ‘bij de statuten’ te geschieden. Dit betekent dat een reglement, bestuursbesluit of aandeelhoudersovereenkomst niet de vereiste grondslag biedt. Wordt voor het monistische bestuursmodel gekozen, dan moet dat uit de statuten blijken. De statuten behoren op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW te bepalen dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders.
Het gebruik van de terminologie ‘uitvoerend bestuurder’ en ‘niet-uitvoerend bestuurder’ is niet noodzakelijk. De regeling is volgens mij van toepassing wanneer de taakverdeling zodanig is vormgegeven dat het bestuur in wezen uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestaat. Ik acht het evenwel raadzaam bij de terminologie van de wet aan te sluiten. In dat geval is het antwoord op de vraag of de vennootschap het monistische bestuursmodel hanteert niet voor discussie vatbaar.
Bepalen de statuten niet direct bij oprichting dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders, dan vergt de instelling van het monistische bestuurssysteem een statutenwijziging. Aangezien de algemene vergadering op grond van art. 2:121/231 lid 1 BW bevoegd is de statuten te wijzigen, behoort het invoeren van het monistische bestuursmodel tot haar domein. Naar mijn mening kan de statutenwijziging waarbij de one tier board wordt ingevoerd niettemin afhankelijk worden gesteld van een besluit van een ander orgaan.
De bevoegdheid van de algemene vergadering is geen exclusieve. Zo moet de algemene vergadering de bevoegdheid tot instelling van het monistische bestuursmodel delen met de Ondernemingskamer. Daarnaast kunnen de statuten de invoering van het monistische bestuursmodel afhankelijk stellen van een daartoe strekkend besluit van een ander orgaan dan de algemene vergadering. Een voorwaarde is dan wel dat de statuten reeds in het bestaan van de one tier board voorzien.
Denkbaar is dat de vennootschap een onderneming in stand houdt waarin een ondernemingsraad is ingesteld. In dat geval volstaat een statutenwijziging niet. Aangezien door de invoering van het monistische bestuursmodel een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming of in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming plaatsvindt, valt het (voorgenomen) besluit tot instelling van de one tier board onder het bereik van art. 25 lid 1 sub e WOR. Is de vennootschap voornemens het monistische bestuursmodel in te voeren, dan dient zij dus advies in te winnen van de ondernemingsraad.
Hoewel de algemene vergadering bevoegd is het besluit tot invoering van het monistische bestuursmodel te nemen, is het in de praktijk het bestuur van de vennootschap dat de ondernemingsraad om advies vraagt. Het bestuur behoort het (voorgenomen) besluit tot invoering van de one tier board op grond van art. 25 lid 2 WOR op een zodanig tijdstip schriftelijk aan de ondernemingsraad voor te leggen, dat het advies nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
De hiervoor beschreven stappen moeten ook worden genomen wanneer de vennootschap van een two tier- naar een one tier-structuur overstapt. Er geldt echter één bijzonderheid. Bij de statutenwijziging dient de algemene vergadering niet alleen de one tier board in de statuten te introduceren, maar ook de raad van commissarissen uit de statuten te schrijven. Uit art. 2:140/250 lid 1 BW volgt namelijk dat het monistische en dualistische bestuursmodel niet gecombineerd kunnen worden.
Zodra de bepalingen over en verwijzingen naar de raad van commissarissen in de statuten zijn verwijderd, vervalt de functie van commissaris. Toch verdient het de voorkeur de leden van de raad van commissarissen formeel te laten aftreden, opdat hen decharge kan worden verleend.